Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF7191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
200708855/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen een bestaande kapschuur en vijf sleufsilo's op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 1916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708855/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/659 en 07/660 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 26 oktober 2007 in het geding tussen:

[wederpartijen], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen een bestaande kapschuur en vijf sleufsilo's op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft het college het door [wederpartijen] (hierna: [wederpartijen]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2007, verzonden op 13 november 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] en het college hebben verweerschriften ingediend.

[appellante] en [wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met de zaken met nrs. 200708975/1 en 20078985/1 behandeld op 26 augustus 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J. Poelman, het college, vertegenwoordigd door J. van der Veen en E. Darneviel, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij A], bijgestaan door mr. drs. J.A. van 't Slot, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [getuige] als door [wederpartijen] meegebrachte getuige gehoord.

Na de zitting is de zaak gesplitst van de zaken met nrs. 200708975/1 en 200708985/1.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] kan zich verenigen met het dictum van de aangevallen uitspraak. Haar hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat voor wat betreft de vraag of sprake is van met een wettelijk voorschrift strijdig gebruik van de kapschuur niet het bestemmingsplan maar het bij de vergunningverlening beoogde gebruik als uitgangspunt dient te gelden. De door [appellante] geuite [wederpartij A] dat het niet instellen van hoger beroep tegen deze overweging haar op grond van de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, in zaaknr. 200206222/1 op een later tijdstip zou kunnen worden tegengeworpen, is ongegrond. Uit voormelde uitspraak volgt dat een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit bij het nemen van een nieuw besluit gebonden is aan uitdrukkelijk en zonder voorbehoud over beroepsgronden gegeven oordelen van de rechtbank, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Nu de voorzieningenrechter het beroep van [wederpartijen] ongegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar van 6 juli 2007 in stand heeft gelaten, doet een situatie als in die uitspraak zich hier niet voor. Het college is aan het oordeel van de voorzieningenrechter bij het eventueel nemen van een besluit in de toekomst juridisch ook niet gebonden. Genoemde overweging staat voorts niet in de weg aan het in een nieuwe procedure tegen een ander besluit opnieuw aan de orde stellen van wat naar de opvatting van [appellante] als uitgangspunt dient te gelden bij de vraag of sprake is van strijdig gebruik. Een andersluidend oordeel zou tot gevolg hebben dat een belanghebbende telkens hoger beroep zou moeten instellen tegen een rechtbankuitspraak met het oog op eventuele toekomstige besluiten, hetgeen onwenselijk wordt geoordeeld.

Gelet op het vorenstaande heeft [appellante] geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008

392.