Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF3910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
200707054/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) aan de brandweer van de gemeente Enschede een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een brandweerkazerne met oefenruimte aan de Lijsterstraat (ong.) te Enschede.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/553
JOM 2008/787
OGR-Updates.nl K1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707054/1

Datum uitspraak: 1 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) aan de brandweer van de gemeente Enschede een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een brandweerkazerne met oefenruimte aan de Lijsterstraat (ong.) te Enschede.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Enschede heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 2] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, en [appellant sub 2], beiden vertegenwoordigd door mr. R.G. Poel, en het college, vertegenwoordigd door G.J. Voelman en M.A. Reekers, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de brandweer van de gemeente Enschede, vertegenwoordigd door W. Heinen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerst bij nadere memorie van 29 juli 2008 heeft [appellant sub 1] gronden aangevoerd met betrekking tot lichtoverlast en luchtverontreiniging. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een brandweerkazerne met oefenruimte niet in een woonwijk dient te worden gesitueerd. Onder verwijzing naar de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" stellen zij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de daarin opgenomen adviesafstand van 50 meter tussen een inrichting en de dichtstbijzijnde woning.

2.2.1. Het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of op de in die aanvraag genoemde locatie een vergunning kan worden verleend. Zoals in het besluit is overwogen, kan daarbij de vraag of een andere locatie milieuhygiënisch meer geschikt is voor de vestiging van de aangevraagde inrichting geen rol spelen.

Voormelde VNG-brochure bevat - zoals daarin ook staat aangegeven - geen normen voor de beoordeling van de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Het college heeft derhalve terecht geen rekening gehouden met deze brochure.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de directe omgeving van de inrichting door het college ten onrechte als ‘woonwijk in de stad’ is getypeerd en er dientengevolge te hoge geluidgrenswaarden zijn gesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt betogen zij dat het onderzoek waarin het referentieniveau van het omgevingsgeluid is vastgesteld onzorgvuldig tot stand is gekomen en onjuistheden bevat.

2.4.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidoverlast heeft het college, voor zover hier van belang, vergunningvoorschrift 4.1.1 opgenomen. In dit voorschrift zijn ten plaatse van een aantal geluidgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) opgenomen. Deze grenswaarden bedragen maximaal 42, 44 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor sommige beoordelingspunten gelden iets lagere grenswaarden.

2.4.2. Ten aanzien van vergunningvoorschrift 4.1.1 heeft het college bij de invulling van de beoordelingsvrijheid aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

De inrichting is gelegen aan de Lijsterstraat (ong.) - tussen de Deurningerstraat en de P.A. van Deldenstraat - te Enschede. De woonomgeving van de woningen aan de Lijsterstraat en Deurningerstraat is door het college, gelet op de functie daarvan en het aantal verkeersbewegingen, als ‘woonwijk in stad’ aangemerkt. Voor een woonwijk in de stad geldt ingevolge de Handreiking een richtwaarde van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Vervolgens heeft het college de resultaten van onderzoek naar het refrentieniveau van de omgeving in aanmerking genomen. Daarbij is overeenkomstig de Handreiking zowel het zogenoemde L95 van het omgevingsgeluid als het geluidniveau veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen bezien. Het college heeft gelet op deze gegevens grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) vastgesteld die lager zijn dan de richtwaarden voor een woonwijk in de stad.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de typering van de omgeving als 'woonwijk in de stad' onjuist is en dat de beoordeling van de verdere akoestische gegevens onzorgvuldig is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gestelde grenswaarden toereikend zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het besluit ten onrechte geen normen zijn gesteld voor de maximale geluidniveaus bij een uitruk door de brandweer. Daartoe voeren zij aan dat niet iedere uitruk als geval van calamiteit kan worden gekwalificeerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen verder dat het accelereren van vertrekkende brandweerwagens bij een uitruk van belang is voor de hoogte van het geluidniveau.

Voorts stellen zij, onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek, dat de ten aanzien van niet-repressieve activiteiten gestelde maximale geluidniveaus niet toereikend zijn, nu de in het besluit gestelde grenswaarden meer dan 10 dB(A) hoger zijn dan de gestelde hoogste grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

2.5.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en de door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of niet-repressieve activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie niet meer bedragen dan 58 dB(A) in de dag- en avondperiode. Voor sommige beoordelingspunten gelden lagere grenswaarden.

Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.4 mag tijdens repressieve activiteiten (uitruk) door de brandweervoertuigen geen gebruik worden gemaakt van geluidsignalen (sirene). Bij het uitrukken dient gebruik te worden gemaakt van een verkeersregelinstallaties.

2.5.2. Voor het opstellen van deze voorschriften heeft het college aansluiting gezocht bij de paragrafen 3.2 en 5.5 van de Handreiking. Het college heeft onderscheid gemaakt tussen niet-repressieve activiteiten (dichtslaan van portieren, wisselen van container en optrekkende voertuigen) en repressieve activiteiten (het uitrukken). Uit de akoestische rapporten volgt dat tijdens niet-repressieve activiteiten maximale geluidniveaus optreden van maximaal 58 dB(A) gedurende de dag- en avondperiode en tijdens repressieve activiteiten maximale geluidniveaus van 76 dB(A) gedurende de dag, avond- en nachtperiode.

2.5.3. Ten aanzien van de niet-repressieve activiteiten binnen de inrichting heeft het college zich, onder verwijzing naar de Handreiking, op het standpunt gesteld dat de maximaal toelaatbare grenswaarden (LAmax) 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode mogen bedragen. De in vergunningvoorschrift 4.1.2 gestelde grenswaarden zijn lager dan de in de Handreiking genoemde maximale waarden, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat deze grenswaarden toereikend zijn.

2.5.4. Wat betreft de oefeningen waarop [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben gewezen, stelt de Afdeling vast dat blijkens de aanvraag, gelezen in samenhang met het akoestisch rapport oefeningen binnen de inrichting plaatsvinden in zowel de binnenruimte als op de door drie zijden door gebouwen omgeven buitenruimte. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het oefenen en/of de overige niet-repressieve activiteiten binnen de inrichting overschrijding van deze geluidnormen veroorzaken.

2.5.5. Wat betreft repressieve activiteiten heeft het college zich, onder verwijzing naar paragraaf 5.5 van de Handreiking, op het standpunt gesteld dat in bijzondere gevallen waarin sprake is van het dienen van een algemeen belang, de maximale geluidniveaus niet aan voorschriften behoeven te worden verbonden. In de desbetreffende regeling voor inherente geluidniveaus bij ongevallen- en brandbestrijding wordt aangegeven dat bij het uitrukken van brandweer-, politie- en ziekenwagens alleen in kwalitatieve zin maatregelen kunnen worden getroffen en dat geen geluidvoorschriften behoeven te worden gesteld met betrekking tot inherente maximale geluidniveaus bij de brand- of ongevallenbestrijding. Het college stelt dat geen andere maatregelen dan de in voorschrift 4.1.4 gestelde maatregelen kunnen worden getroffen ter beperking van de geluidbelasting bij het uitrukken van de brandweer. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college uitgaande van het gehanteerde beoordelingskader zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen grenswaarden ten aanzien repressieve activiteiten behoefden te worden gesteld en dat voorschrift 4.1.4 toereikend is.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008

191-489.