Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF3897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
200800238/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland (hierna: het college) [appellant] gelast om de materialen die zijn opgeslagen op de percelen, kadastraal bekend sectie […] nrs. […] en […], plaatselijk bekend [locatie 1 en 2] te [plaats], binnen vier weken na verzending van het besluit te verwijderen, zulks onder oplegging van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800238/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/70 van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland (hierna: het college) [appellant] gelast om de materialen die zijn opgeslagen op de percelen, kadastraal bekend sectie […] nrs. […] en […], plaatselijk bekend [locatie 1 en 2] te [plaats], binnen vier weken na verzending van het besluit te verwijderen, zulks onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 22 december 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college onder meer aan [appellant] bestuursdwang aangezegd, indien hij niet binnen vier weken na verzending van het besluit de materialen heeft verwijderd die op het perceel kadastraal bekend sectie […] nr. […] te [plaats] (hierna: het perceel) liggen opgeslagen.

Bij uitspraak van 30 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 10 april 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2008, waar [appellant], alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. van der Stek, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat [appellant] op het perceel materialen heeft opgeslagen in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied". Hieruit volgt dat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat dit optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Daartoe voert hij aan dat de omwonenden geen hinder ondervinden van de op zijn perceel opgeslagen materialen. Deze omstandigheid, wat daar verder ook van zij, behoefde voor het college, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, geen aanleiding te zijn om van handhavend optreden af te zien.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat het college niet handhavend optreedt ten aanzien van verschillende percelen in de omgeving van zijn perceel, waarop in strijd met het bestemmingsplan is gebouwd of die in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. [appellant] heeft in dat kader onder meer gewezen op een prieel, een schuur en een haag van bomen.

2.4.1. De door [appellant] aangevoerde gevallen kunnen niet worden aangemerkt als gelijke gevallen die ertoe noopten dat het college van handhaving af zou zien. Deze gevallen zijn wat de ruimtelijke gevolgen betreft niet op één lijn te stellen met de opslag van materialen op het perceel van [appellant]. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.5. [appellant] heeft ter zitting aangevoerd dat hij feitelijk niet in staat is om aan de last te voldoen omdat de buren hem geen toegang verschaffen tot het perceel. Nu [appellant] in staat is geweest om de materialen over het perceel van de buren op zijn daarachter liggend perceel te krijgen, moet hij eveneens in staat worden geacht die materialen van zijn perceel te verwijderen. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008

163-580.