Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF3874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
200706953/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een termijn van 10 jaar voor een inrichting voor de opslag van wegenbouwmaterialen, het breken van puin en het reinigen van verontreinigde grond, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/2500
JOM 2008/791
OGR-Updates.nl 09-01
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706953/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een termijn van 10 jaar voor een inrichting voor de opslag van wegenbouwmaterialen, het breken van puin en het reinigen van verontreinigde grond, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant A] en [appellant B] zijn in de gelegenheid gesteld hierop hun zienswijze naar voren te brengen.

Bij brief bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2008, zijn nadere stukken ontvangen van [appellant A] en [appellant B] deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2008, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J. Lobbezoo-Vermaak en ing. H. Kielstra, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. E.M.G. Bouwma als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de werkomgeving van de medewerkers van de huurders van hun pand met het bestreden besluit verslechtert. Tevens voeren zij aan dat het bestreden besluit tot een waardedaling van hun pand leidt.

Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en falen reeds om die reden.

2.3. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat geen bouwvergunning is verleend en dat geenszins vaststaat dat de in het bestreden besluit opgenomen voorzieningen om stof- en geluidhinder te voorkomen wel zullen kunnen worden gebouwd. Het ontbreken van een bouwvergunning staat er echter niet aan in de weg dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend. De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant A] en [appellant B] stellen dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat voorschriften in de milieuvergunning niet nodig zijn omdat in de vergunningaanvraag een bepaalde manier van werken of fysieke maatregelen staan omschreven. Volgens hen is dit strijdig met de rechtszekerheid en de handhaafbaarheid van de vergunning.

De Afdeling stelt vast dat in het bestreden besluit gespecificeerd is aangegeven welke onderdelen van de aanvraag deel uit maken van de vergunning. Tevens is in het besluit opgenomen dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport deel uitmaakt van de vergunning en dat de vergunning conform de aanvraag in werking dient te zijn. Ook zijn zowel doel- als middelvoorschriften in de vergunning opgenomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is en dat er voldoende mogelijkheden bestaan om zo nodig handhavend op te treden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat ter voorkoming van stofoverlast niet conform de 'BREF Op- en overslag van bulkgoederen' de beste beschikbare technieken zijn toegepast. In dit kader stellen zij dat in het bestreden besluit onvoldoende middelvoorschriften zijn opgenomen. Volgens hen dient voorgeschreven te worden waar, wanneer en hoe de bevochtiging dient plaats te vinden.

2.5.1. Het college stelt de aangevraagde stofreducerende maatregelen te hebben beoordeeld aan de hand van de 'BREF Op- en overslag van bulkgoederen'. Volgens het college voldoen de maatregelen in samenhang met de in de vergunning opgenomen voorschriften aan de beste beschikbare technieken. Omdat er voor het bevochtigen diverse technische mogelijkheden bestaan is geen systeemeis opgesteld.

2.5.2. In de vergunningvoorschriften wordt voorgeschreven welke materialen onder welke omstandigheden door besproeiing moeten worden bevochtigd dan wel van een vastleggend- of bindmiddel moeten worden voorzien. Er is tevens voorgeschreven dat binnen de inrichting geschikte voorzieningen voor het bevochtigen van de opgeslagen materialen aanwezig moeten zijn. De Afdeling stelt vast dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de maatregelen om stofemissie naar de omgeving te voorkomen zijn ontleend aan de 'BREF Op- en overslag van bulkgoederen' en de Nederlandse emissierichtlijn lucht. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn toegepast. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. [appellant A] en [appellant B] zijn van mening dat er met betrekking tot de geluidafschermende voorzieningen handhaafbare middelvoorschriften in de vergunning hadden moeten worden opgenomen.

2.6.1. Het college stelt dat ten aanzien van het aspect geluid doelvoorschriften aan de vergunning zijn verbonden, die zijn gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek. Tevens is de vergunninghoudster gehouden de inrichting conform de aanvraag in werking te hebben.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat nu in het bestreden besluit is vastgelegd dat het akoestisch rapport onderdeel uitmaakt van de vergunning, de in dit rapport opgenomen geluidafschermende voorzieningen, waaronder een zogenoemde mega-block keerwand, dienen te worden aangebracht. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. [appellant A] en [appellant B] stellen dat het bedrijf onder de nieuwe milieuvergunning continu in bedrijf is en daarom ook continu geluidoverlast zal veroorzaken.

De Afdeling stelt vast dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de inrichting bij continu bedrijf aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de puinbreker, de meest geluid veroorzakende activiteit van de inrichting, met het bestreden besluit verhuist naar een plek recht tegenover hun kantoorpand.

2.8.1. Het college stelt dat op het betrokken terrein vooral activiteiten plaatsvinden met betrekking tot grondreiniging. Gedurende maximaal 30 dagen per jaar zal er een mobiele puinbreker en een mobiele zeefinstallatie in werking zijn. De plaats hiervan is dusdanig gekozen dat geluidbelasting op een op het industrieterrein gelegen woonwagenkamp zo laag mogelijk zal zijn. Mede in aanmerking genomen dat het kantoorpand op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, is het college van mening dat de opgelegde geluidemissie-eisen en de vastgestelde voorzieningen voldoende bescherming bieden tegen onaanvaardbare geluidhinder.

2.8.2. Het bestreden besluit heeft betrekking op een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in artikel 53 van de Wet geluidhinder. Uit de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van deze wet kan worden afgeleid dat een uitputtende regeling is beoogd ten aanzien van bescherming tegen geluidhinder in de gevallen waarop de wet ziet. In de wet is voorzien in zonering van industrieterreinen, en in waarden die voor de geluidbelasting buiten de zone en voor de geluidbelasting van de gevel van woningen of andere geluidgevoelige objecten binnen de zone, als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer worden bij de beslissing op een aanvraag om vergunning krachtens deze wet voor een inrichting op een gezoneerd industrieterrein deze geluidgrenswaarden in acht genomen. De Wet geluidhinder voorziet evenwel niet in geluidgrenswaarden die gelden voor woningen of andere geluidgevoelige objecten op een industrieterrein. De zone die rond het terrein ligt omvat immers niet mede het terrein zelf. Daargelaten dat een kantoorgebouw niet als een geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder kan worden aangemerkt, is de Afdeling van oordeel dat de geluidbelasting van een woning of andere geluidgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein, niet bepalend kan zijn voor de beslissing op een aanvraag om vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.9. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de aangevraagde damwanden met daarop schermen met een totale hoogte van 3,5 meter onacceptabele visuele hinder opleveren.

De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Ter zitting is gebleken dat [vergunninghouder] voornemens is een groenvoorziening aan te leggen die het zicht op de wand zal wegnemen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling, de vraag daargelaten of aan een op een industrieterrein gelegen kantoorpand bescherming toekomt, van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.10. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het college ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de invloed van het bedrijf op de natuur. Zij wijzen daarbij met name op lichthinder voor de fauna.

2.10.1. Het college stelt in het kader van de besluitvorming navraag te hebben gedaan bij de stadsecoloog van de gemeente Groningen en gebruik te hebben gemaakt van een indicatief soortenonderzoek op de website van het zogenoemde natuurloket. Hierbij is gebleken dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er zich op het industrieterrein bijzondere natuurwaarden bevinden die bescherming in het kader van de Flora- en Faunawet behoeven.

2.10.2. De vraag of natuurwaarden worden aangetast bij het in werking zijn van de inrichting komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets.

De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich op het onderhavige industrieterrein niet dusdanige natuurwaarden voordoen, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008

315.