Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF3873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
200705468/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid European Shell Store B.V. (hierna: ESS) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een periode van 10 jaar voor een inrichting voor het opslaan en bewerken van mossel-, kokkel- en oesterschelpen, gelegen op het perceel Kanaalweg 87 te Vlake, gemeente Reimerswaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705468/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid European Shell Store B.V. (hierna: ESS) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een periode van 10 jaar voor een inrichting voor het opslaan en bewerken van mossel-, kokkel- en oesterschelpen, gelegen op het perceel Kanaalweg 87 te Vlake, gemeente Reimerswaal.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. ESS en het college hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt hierop een reactie te geven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2008, waar [appellanten] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A. Pavić, A. Goud en ing. P. Michielsen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting ESS, vertegenwoordigd door H. Rehorst, A. van Boheemen en W.J. Minnaard, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] stellen dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat het Natura 2000-gebied op 300 meter afstand van de inrichting is gelegen. Volgens hen ligt de inrichting dichterbij. Voorts stellen zij dat geen onderzoek is gedaan naar nadelige effecten van de inrichting op dit gebied.

2.1.1. Volgens de stukken is in de nabijheid van de inrichting het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Yerseke en Kapelse Moer’ gelegen.

Op 1 oktober 2005 is de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) in werking getreden. Met deze wet is beoogd de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Habitat- en Vogelrichtlijn te implementeren. Het door [appellanten] bedoelde gebied betreft een gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied als bedoeld in de Nbw 1998. De bezwaren van [appellanten] dienen aan de orde te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge de Nbw 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden. Daarbij dienen tevens de effecten op het betreffende Habitatrichtlijngebied te worden beoordeeld. Geen ruimte bestaat daarom voor beoordeling van deze bewaren in het kader van het beroep tegen de verleende milieuvergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellanten] vrezen voor het vrijkomen van kankerverwekkende gassen, bijvoorbeeld uit mycotoxinen, bij de bewerking van schelpen in de loods. Zij stellen dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) hiernaar plaatselijk onderzoek had moeten verrichten.

2.3.1. Het college stelt dat uit het rapport van het RIVM van 21 november 2005 blijkt dat het vrijkomen van kankerverwekkende stoffen niet waarschijnlijk is. De vorming van mycotoxinen komt volgens het college met name voor bij de afbraak van plantaardige materialen, maar niet bij de opslag of bewerking van vlees- of visproducten.

2.3.2. Het RIVM heeft een literatuuronderzoek verricht naar de vraag of door rotting en bederf van de resten organisch materiaal die zich in de opgeslagen mossel- en kokkelschelpen bevinden, kankerverwekkende stoffen kunnen ontstaan. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in een verslag van 21 november 2005. Volgens dit verslag zijn in de wetenschappelijke literatuur van begin jaren '90 tot de datum van onderzoek geen aanwijzingen te vinden dat kankerverwekkende stoffen vrijkomen bij de hier aan de orde zijnde processen. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomst te twijfelen, zodat van een nader onderzoek ter plaatse terecht door het college is afgezien. Geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren op uitkomsten van het literatuuronderzoek van het RIVM.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat het in vergunningvoorschrift 11.1.a gestelde gewichtspercentage vleesresten in geaccepteerde schelpen niet naleefbaar is. Daartoe voeren zij aan dat onduidelijk is hoe is beoordeeld dat het gewichtspercentage vleesresten in de opgeslagen oesterschelpen niet meer dan 0,5 % bedraagt. Volgens hen blijkt niet of het onderzoek van 31 mei 2007, waaruit dit percentage zou blijken, heeft plaatsgevonden op het schip waarmee de schelpen worden opgevist of aan de wal, en evenmin of de schelpen worden opgevist van een onderwateropslaglocatie of in de natuur, hetgeen uitmaakt voor de hoeveelheid visresten.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 11.1.a van de vergunning bedraagt het gewichtspercentage vleesresten in geaccepteerde schelpen minder dan 0,5%.

2.4.2. Het college heeft bij het stellen van dit gewichtspercentage aansluiting gezocht bij het door schelpkokerijen gehanteerde gewichtspercentage voor vleesresten. Het doel van schelpkokerijen is net als bij ESS om voor verwerking zoveel mogelijk vleesresten uit de schelp te verwijderen. Voor het geval toch nog enige resten achter zouden blijven, is een percentage van 0,5% gehanteerd.

Volgens de stukken en het verhandelde ter zitting worden de oesterschelpen als veevoer of in de wegenbouw gebruikt. Het betreft uitheemse Japanse oesters, die niet geschikt zijn voor consumptie. De bedoeling is deze uit de Oosterschelde te verwijderen. De oesterschelpen worden aan boord van een aangepaste viskotter machinaal gebroken waarna zij in een waterstroom door een zeef geperst worden. Daarna zijn er geen vleesresten meer visueel zichtbaar. Pas na dit proces worden de oesterschelpen opgeslagen. Hetgeen [appellanten] aanvoeren, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit percentage, gezien de wijze van voorbehandeling van de oesterschelpen, niet naleefbaar is.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] vrezen voor geurhinder als gevolg van de inpandige opslag van schelpen met rottend visvlees. Daartoe voeren zij, kort weer gegeven, aan dat in onvoldoende mate maatregelen worden getroffen om geurhinder te voorkomen dan wel verder te beperken.

2.5.1. In de opslagloods van de inrichting wordt gelijktijdig maximaal 20.000 m3 schelpen met vleesresten opgeslagen bij een temperatuur van maximaal 6o C. In het deskundigenbericht is vermeld dat bij het rottingsproces van de vleesresten, dat in de opslagloods plaatsvindt, een aantal sterk geurende stoffen vrijkomen, die voor een sterk waarneembare ammoniaklucht zorgen. Volgens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting wordt geur met name geëmitteerd door het openen van de toegangsdeur van de loods.

Om de mate van geuremissie te minimaliseren zijn in de vergunning in hoofdstuk 7 met betrekking tot de bedrijfsvoering, en in hoofdstuk 8 aangaande de te treffen maatregelen, waaronder het aanbrengen van een (geïsoleerde) snelsluitende deur en een optimalisatie van de gaswasser, voorschriften opgenomen.

2.5.2. Het college heeft voor de beoordeling van geurhinder de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995 met kenmerk LE/LV/AJS95.16B aangaande dit onderwerp tot uitgangspunt genomen. In deze brief van de minister is als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat (nieuwe) geurhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Als er wel geurhinder optreedt, dienen maatregelen te worden getroffen die stroken met het ALARA-beginsel, dat is neergelegd in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat sinds 1 december 2005 luidt, dienen de maatregelen overeen te komen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. De mate van hinder die nog acceptabel is moet volgens de brief van 30 juni 1995 worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan. Op grond van de uitgangspunten in evengenoemde brief en de daarop gebaseerde aanpak in de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht dient het bestuursorgaan in een specifieke situatie het acceptabele hinderniveau vast te stellen ter plaatse van geurobjecten die beschermd moeten worden tegen geuroverlast.

2.5.3. In het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het Omgevingsplan) is het provinciaal geurbeleid nader uitgewerkt. Dit komt erop neer dat, afhankelijk van de hinderlijkheid van de geur en van de mate waarin het object bescherming behoeft tegen geurhinder, een bepaalde geurconcentratie ter plaatse van dit object mag optreden. De hinderlijkheid van een type geur wordt bepaald aan de hand van de zogenoemde hedonische waarde.

De omgeving van de inrichting is als een landelijke omgeving aan te merken. In de omgeving van de inrichting zijn verspreid liggende woningen gelegen. Volgens het Omgevingsplan komt aan deze objecten een mindere mate van bescherming toe in die zin dat door het in werking zijn van de inrichting de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -1 de rekennorm van 1,1 g.e./m3 als 95-percentielwaarde niet mag overstijgen.

2.5.4. Volgens het bij de aanvraag behorende rapport ‘Geuronderzoek aan de schelpenloods te Vlake’ van 29 januari 2007 wordt bij de hierboven weergegeven bedrijfsvoering en na het treffen van de desbetreffende maatregelen de rekennorm behorende bij een hedonische waarde van -1 ter plaatse van de nabijgelegen woningen in ruime mate onderschreden. De in het rapport gehanteerde uitgangspunten, evenals de daarin vermelde uitkomsten komen de Afdeling niet onjuist voor. In het bestreden besluit is bepaald dat de aanvraag onderdeel uitmaakt van de vergunning. In hetgeen [appellanten] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard van de inrichting, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, aanleiding geven om in de vergunning strengere maatregelen op te nemen dan thans is geschied, dan wel de vergunning om deze reden te weigeren.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008

375.