Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF2167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2008
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
200800047/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden (hierna: het college) geweigerd om aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een dakkapel op de woning op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Rheden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800047/1.

Datum uitspraak: 24 september 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Rheden,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/487 van de rechtbank Arnhem van 21 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden (hierna: het college) geweigerd om aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een dakkapel op de woning op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Rheden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 december 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door O.J. Klooster, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De in geding zijnde dakkapel is gebouwd in het bovenste gedeelte van het dakvlak aan de achterzijde van de woning op het perceel. In het onderste gedeelte van het desbetreffende dakvlak bevindt zich reeds een dakkapel. Tussen partijen is niet meer in geschil dat voor de in geding zijnde dakkapel een lichte bouwvergunning is vereist. 

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met redelijke eisen van welstand. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat plaatsing van dakkapellen boven elkaar op grond van de sneltoetscriteria van de Welstandsnota gemeente Rheden (hierna: de welstandsnota) niet is toegestaan. Voorts voert hij aan dat het welstandsadvies van 8 augustus 2006 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat daarin wordt vermeld dat de dakkapel het bekappingsbeeld verstoort, terwijl dakramen, naar hij stelt, wel vergunningvrij in hetzelfde dakvlak zouden kunnen worden gebouwd. 

2.2.1. Dit betoog faalt. In hoofdstuk 5.2.5 van de welstandsnota is vermeld dat dakkapellen regelmatig dienen te worden gerangschikt op horizontale lijn, dus niet boven elkaar, indien meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok worden gebouwd. Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanknopingspunt bestaat voor de opvatting van [appellant] dat er meer horizontale lijnen over de dakvlakken kunnen lopen, in die zin dat dakkapellen boven elkaar kunnen worden gerangschikt. De omstandigheid dat de buren op dezelfde plaats in hun dakvlak een gelijke dakkapel hebben gebouwd, maakt dat niet anders. In de welstandsnota is uitdrukkelijk vermeld dat dakkapellen niet boven elkaar gerangschikt mogen zijn. Nu niet is voldaan aan de sneltoetscriteria is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college op goede gronden het bouwplan aan de welstandscommissie heeft voorgelegd. Het college mag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een deskundigenrapport overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. 

Volgens het advies van "het Gelders Genootschap tot bevordering en instandhouding van de schoonheid van stad en land" (hierna: de welstandscommissie) van 8 augustus 2006 voldoet het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand. Anders dan [appellant] aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. [appellant] heeft het welstandsadvies evenmin bestreden met een advies van een andere deskundige persoon of instantie.

De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat het college zich in redelijkheid op grond van het welstandsadvies van 8 augustus 2006 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. 

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat hij het handhavend optreden van het college onevenredig vindt in verhouding tot de daarmee te dienen belangen moet worden vastgesteld dat dergelijk optreden thans niet aan de orde is.

2.4. [appellant] heeft voor het eerst ter zitting in hoger beroep betoogd dat het college bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat bouwvergunning voor de dakkapel kon worden verleend, aangezien het college voorstelde om bouwvergunning aan te vragen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.  

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.  

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann   w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008

17-560.