Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF2161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2008
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
200800610/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) geweigerd [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van acht appartementen met stallingruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800610/1.

Datum uitspraak: 24 september 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/516 van de rechtbank Roermond van 11 december 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) geweigerd [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van acht appartementen met stallingruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2007, verzonden op 12 december 2007, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.L.J. Bijlmakers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een gebouw, bestaande uit vier bouwlagen en acht appartementen met stallingruimte.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nederweert Centrum 1993" rust op het perceel de bestemming "Gebied overwegend wonen".

Ingevolge artikel 6, onder C, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mogen hoofdgebouwen die op de gronden met die bestemming worden gebouwd uitsluitend bestaan uit ten hoogste twee bouwlagen.

Het bouwplan is hiermee in strijd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) mocht weigeren, omdat het door toezeggingen en het meewerken aan een vrijstellingsprocedure voor het bouwplan bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat die zou worden verleend. Voorts heeft de rechtbank volgens haar miskend dat het college met de weigering het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

2.3.1. Dit betoog faalt. Bij schrijven van 17 april 2001 heeft het college in beginsel en onder voorbehoud medewerking toegezegd aan een vrijstellingsprocedure voor het bouwplan, indien [appellante] het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing voorziet. Vervolgens heeft het [appellante] bij brief van 20 januari 2003 verzocht aanvullende gegevens toe te zenden in het kader van de door haar ingediende aanvraag om bouwvergunning. Daarmee zijn door of namens het college geen concrete toezeggingen gedaan, waaraan [appellante] het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat vrijstelling en bouwvergunning zouden worden verleend. Zodanig vertrouwen kon zij evenmin ontlenen aan het uitgebrachte positieve welstandsadvies en het ambtelijke, stedenbouwkundige advies. Deze adviezen binden het college niet.

2.3.2. Het betoog van [appellante] dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden faalt evenzeer. De door [appellante] in dat verband aangehaalde projecten La Poste, De Poell en Riva komen, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet zodanig overeen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college in verband daarmee geen medewerking aan het bouwplan mocht weigeren. Hoewel die projecten ook bouwwerken met ten minste vier bouwlagen betreffen, heeft de directe omgeving daarvan, zoals ter zitting is gebleken, een ander karakter dan die van het perceel en rust op de desbetreffende gronden een andere bestemming dan op het perceel. De ruimtelijke gevolgen van de genoemde projecten zijn derhalve niet op een lijn te stellen met die van het bouwplan.

2.4. Voorts heeft [appellante] betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft nagelaten een afdoende schaderegeling te treffen.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, behelst het besluit van 3 september 2007 geen beslissing omtrent schadevergoeding en heeft [appellante] ook niet om zodanige vergoeding verzocht. Nu de door de rechtbank vastgestelde tekortkoming van het besluit van 3 april 2007 mogelijk bij het nieuw op het gemaakte bezwaar te nemen besluit kan worden hersteld, heeft zij terecht evenmin aanleiding gezien voor toekenning van een schadevergoeding aan [appellante] op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college opnieuw op het door [appellante] gemaakte bezwaar beslist. Aangezien bij dit besluit niet aan haar bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.7. [appellante] betoogt dat - samengevat - het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren, de weigering onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en daarmee het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden.

2.7.1. Dit betoog faalt. Zoals hiervoor onder 2.3.1. en 2.3.2. is overwogen, treft het door [appellante] gedane beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geen doel. Voor het oordeel dat het besluit van 15 januari 2008 een toereikende motivering mist en het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten medewerking aan het bouwplan te onthouden, geeft het aangevoerde evenmin grond. Volgens het besluit past het bouwplan niet in de planologische visie van het gemeentebestuur op de ontwikkeling van het desbetreffende gebied. Ter zitting heeft het college toegelicht dat in die visie een woongebouw met vier bouwlagen niet strookt met het dorpse karakter van de omgeving. Mede gelet op de beleidsvrijheid die het gemeentebestuur in deze toekomt, is deze motivering niet ontoereikend. Dat het college, naar gesteld, bebouwing, als voorzien in het bouwplan eerder niet planologisch onwenselijk achtte, maakt dat niet anders.

2.8. Het beroep is ongegrond. Voor schadevergoeding biedt artikel 8:73 van de Awb onder die omstandigheden geen grond. Het daartoe strekkende verzoek van [appellante] dient te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2008, ongegrond;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008

163-543.