Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF0301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
200709167/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek, thans het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (hierna: het college), opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2002, waarbij het college het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen de door [wederpartij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geplaatste heipalen en fundering heeft afgewezen, dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aangekondigd om tegen een 17 m² groot deel van de heipalen en fundering handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709167/1.

Datum uitspraak: 10 september 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/3033 en 06/3487 van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2007 in het geding tussen:

1. [appellant],

2. [wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek, thans het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (hierna: het college), opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2002, waarbij het college het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen de door [wederpartij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geplaatste heipalen en fundering heeft afgewezen, dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aangekondigd om tegen een 17 m² groot deel van de heipalen en fundering handhavend op te treden.

Bij uitspraak van 22 november 2007, verzonden op 23 november 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond en het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2008.

[wederpartij] heeft een reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2002 beslist, dit bezwaar ongegrond verklaard en geweigerd handhavend op te treden tegen een deel van de op het perceel geplaatste heipalen en fundering.

[appellant] heeft een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R. Kazem, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek van [appellant] om handhavend optreden ziet op de op het perceel geslagen heipalen, waarop een verharding van gewapend beton is gestort met een oppervlakte van 42 m² (hierna aangeduid als onderheide verharding). De onderheide verharding, die wordt gebruikt als terras/opstelplaats, is gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.1. Het betoog van [appellant] dat het college niet in redelijkheid van handhavend optreden ten aanzien van 25 m² van de onderheide verharding heeft kunnen afzien, betreft een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat ten aanzien van dat deel van de onderheide verharding concreet zicht op legalisering bestaat, zodat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren daartegen handhavend op te treden. [wederpartij] heeft daarvoor immers een bouwvergunning aangevraagd en het college heeft zich op het standpunt gesteld bereid te zijn voor de bestaande strijdigheid met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lage en Hoge Bergse Bos, 1e uitwerkings- cq. wijzigingsvoorschrift" vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen. Met de daarvoor benodigde procedure was ten tijde van het besluit op bezwaar reeds een aanvang gemaakt.

Het betoog faalt.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten aanzien van het voornemen van het college om handhavend op te treden tegen een

17 m² groot deel van de onderheide verharding ten onrechte heeft overwogen dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen behoeft in het kader van de beoordeling van de uitspraak van de rechtbank geen bespreking, nu de rechtbank dit heeft overwogen in een overweging ten overvloede, waarop de uitspraak van de rechtbank niet is gebaseerd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2002 beslist, dit bezwaar ongegrond verklaard en geweigerd handhavend op te treden tegen 17 m² van de zonder bouwvergunning gerealiseerde onderheide verharding op het perceel.

Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.6. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten alsnog af te zien van handhavend optreden tegen 17 m² van de onderheide verharding. Hiertoe voert [appellant] aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bezwaren van [appellant] niet zozeer zijn gelegen in de aanwezigheid van de in de grond geslagen heipalen, maar in de daarop aangebrachte verharding. Buiten het feit dat die verharding zonder bouwvergunning is gerealiseerd is de aanwezigheid daarvan voorts in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lage en Hoge Bos, 1e uitwerkings- cq. wijzigingsvoorschrift". Anders dan het college, is de Afdeling van oordeel dat het aanbrengen van de verharding, zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning en in strijd met het ter plaatse geldende planologisch regime, niet kan worden aangemerkt als een overtreding van geringe aard en ernst. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit ter zitting getoonde foto's is gebleken dat de verharding, in tegenstelling tot wat het college heeft gesteld, wel zichtbaar is. Het college heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd waarom van handhavend optreden is afgezien.

Het betoog slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 april 2008 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het door [appellant] tegen het besluit van 8 april 2008 ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland van 8 april 2008, kenmerk UO8.06064.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008

163-552.