Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
200706623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BM Vastgoed B.V. (hierna: BM Vastgoed) op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2411
Milieurecht Totaal 2008/2441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706623/1.

Datum uitspraak: 3 september 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BM Vastgoed B.V. (hierna: BM Vastgoed) op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden.

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 juni 2006 in zaak nr. 200507659/1 het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2005 vernietigd.

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist en dit niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608655/1 het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 oktober 2006 vernietigd.

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en BM Vastgoed hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten], het college en BM Vastgoed hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2008, waar [appellanten], waarvan [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Koerts, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord BM Vastgoed, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is bij besluit van 11 december 2001 een revisievergunning verleend voor het produceren, ontwikkelen, opslaan en verkopen van reinigings- en desinfecteermiddelen en bijbehorende grondstoffen. De melding die bij besluit van 10 januari 2005 is geaccepteerd ziet onder meer op het oprichten van een nissenloods voor het opslaan van machineonderdelen, het ontwikkelen, fabriceren, opslaan en verkopen van (hulp)stoffen met behulp van de reeds vergunde grondstoffen en de aanleg van verharding op het buitenterrein om dit te gebruiken voor de opslag van algemene niet gevaarlijke stoffen. Bij het bestreden besluit is het besluit waarbij de melding is geaccepteerd, gehandhaafd.

2.2. Het college heeft gesteld dat de inrichting onder de werkingssfeer van het op 1 januari 2008 in werking getreden Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) valt en daarom niet langer vergunningplichtig is. Hierdoor komt volgens het college aan de melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geen betekenis meer toe, zodat [appellanten] geen belang meer hebben bij de behandeling van het beroep.

In dit verband heeft het college onder meer gesteld dat de inrichting niet valt onder categorie h van bijlage 1 bij het Besluit. Volgens het college volgt uit de toelichting bij het besluit dat slechts inrichtingen waarin verwerking van de grondstoffen tot producten via blazen, extrusie enzovoorts plaatsvindt behoren tot categorie h van bijlage 1 bij het Besluit. Omdat die toepassingen niet binnen de inrichting plaatsvinden, valt de inrichting volgens het college niet onder categorie h van bijlage 1 bij het besluit.

2.2.1. Ingevolge bijlage 1, aanhef en onder h, van het Besluit, blijft de vergunningplicht gehandhaafd voor inrichtingen voor het vervaardigen of verwerken van elastomeren of kunststoffen.

2.2.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat binnen de inrichting polymeriseren van synthetisch organische grondstoffen plaatsvindt tot een kunststof (Plastyn). Dit polymeriseren moet worden aangemerkt als chemische omzetting, aldus het deskundigenbericht. In de toelichting bij het besluit wordt vermeld dat alleen van vervaardiging wordt gesproken bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt, niet alleen maar mengen, roeren of afvullen. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toelichting in zoverre uitsluitend betrekking heeft op de term vervaardigen als bedoeld in categorie i van bijlage 1 bij het besluit. Nu in de inrichting met behulp van een chemische omzetting kunststof wordt geproduceerd moet worden geoordeeld dat binnen de inrichting kunststoffen worden vervaardigd als bedoeld in categorie h van bijlage 1 bij het Besluit. Reeds hierom is de vergunningplicht ten aanzien van de inrichting blijven bestaan en heeft de onderhavige melding derhalve nog steeds juridische betekenis. Voor zover het college heeft aangevoerd dat de inrichting niet valt onder andere in bijlage 1 bij het Besluit genoemde categorieën van inrichtingen, behoeft dit derhalve geen bespreking. De stelling van het college leidt, gelet op het vorenstaande niet tot het oordeel dat [appellanten] geen belang meer hebben bij de behandeling van het beroep.

2.3. [appellanten] betogen dat zij, nadat de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2006 door de Afdeling is vernietigd, ten onrechte niet opnieuw zijn gehoord.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2.3.2. Aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is voldaan, nu [appellanten] voorafgaand aan de beslissingen op bezwaar van 19 juli 2005 en 17 oktober 2006 op onderscheidenlijk 6 juni 2005 en 11 september 2006 zijn gehoord. In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de Afdeling, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om een belanghebbende vóór het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen. In het onderhavige geval is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang in de zin van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen zijn. Gelet hierop heeft het college van het opnieuw horen van [appellanten] kunnen afzien. De beroepsgrond faalt.

2.4. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 januari 2008 luidde, geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.5. [appellanten] hebben aangevoerd dat uit de melding niet duidelijk blijkt wat wordt bedoeld met algemene niet-gevaarlijke stoffen die op het buitenterrein worden opgeslagen, waardoor de melding onvoldoende gegevens bevat om deze in behandeling te nemen. Voorts stellen zij dat de melding ten onrechte betrekking heeft op activiteiten die niet eerder zijn vergund, dat in plaats van een melding een revisievergunning had moeten worden aangevraagd en dat de melding nadelige gevolgen heeft voor de bodem.

[appellanten] hebben dezelfde beroepsgronden reeds aangevoerd tegen de bij uitspraak van 28 juni 2006 in de zaak nr. 200507659/1 vernietigde beslissing op bezwaar van 19 juli 2005. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling deze beroepsgronden ongegrond verklaard. De Afdeling ziet geen aanleiding om ten aanzien van dezelfde beroepsgronden thans anders te oordelen dan zij in die uitspraak heeft gedaan. Deze beroepsgronden falen.

2.6. [appellanten] voeren aan dat de vergunning van 11 december 2001 is vervallen, nu de nieuw te bouwen opslaghal niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van die vergunning is gerealiseerd en in werking gebracht.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.6.2. De bij besluit van 11 december 2001 verleende revisievergunning heeft onder meer betrekking op het vervangen van de bestaande magazijnen C, D, E en F door een nieuw te bouwen opslaghal. Vaststaat dat deze nieuw te bouwen opslaghal niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is opgericht, zodat de vergunning voor zover het die opslaghal betreft is vervallen. De opslaghal vormt echter naar aard en omvang niet een zodanig essentieel onderdeel van de inrichting dat moet worden geoordeeld dat zonder het oprichten van deze opslaghal de inrichting niet is voltooid en in werking gebracht. Anders dan [appellanten] aanvoeren bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de bij besluit van 11 december 2001 verleende vergunning geheel is komen te vervallen. De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten] voeren aan dat het college ten onrechte een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven, omdat de daarin opgenomen wijzigingen van de inrichting leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Hiertoe voeren zij aan dat de activiteiten op het buitenterrein zullen leiden tot een toename van de geluidbelasting, waardoor de vergunde geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. In dit verband stellen zij dat de opslag van niet gevaarlijke stoffen op het buitenterrein dichter bij de dichtstbijzijnde woning van derden zal plaatsvinden. Tot slot voeren zij aan dat het geluidrapport van 9 november 2005, opgesteld door Peutz (hierna: het geluidrapport), dat het college bij de motivering van het bestreden besluit heeft betrokken, niet representatief is nu de uitgangspunten in dit geluidrapport niet overeenkomen met de gemelde situatie.

2.7.1. De melding heeft onder meer betrekking op het verharden van een gedeelte van het buitenterrein om dat gedeelte als opslag voor niet-gevaarlijke stoffen te gebruiken. In de melding is niet vermeld welk gedeelte van het buitenterrein wordt verhard en voor buitenopslag zal worden gebruikt. Derhalve is niet uitgesloten dat de melding betrekking heeft op verharding van en opslag op welk gedeelte dan ook. Daarom is evenmin uitgesloten dat de gemelde opslagactiviteiten op kortere afstand van de aan de naast de inrichting staande woningen zullen plaatsvinden dan waarvan het college is uitgegaan. Evenmin is in de melding opgenomen in hoeverre de activiteiten waarbij geluidhinder kan optreden, zullen toe- of afnemen ten opzichte van de op 11 december 2001 verleende vergunning. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de geluidbelasting niet groter zal zijn dat ingevolge de vergunning van 11 december 2001 toelaatbaar is. Het college heeft dit onvoldoende onderzocht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

2.8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van 31 juli 2007, kenmerk 2007/0462665;

III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 685,18 (zegge: zeshonderdvijfentachtig euro en achttien cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de provincie Overijssel aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008

325-517.