Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200707400/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk (hierna: het college) aan de gemeente Oisterwijk vrijstelling verleend voor onder meer het oprichten van een sociaal cultureel centrum en bibliotheek op het perceel Sint Jansplein 5 te Moergestel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707400/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6026 van de rechtbank Breda van 11 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk (hierna: het college) aan de gemeente Oisterwijk vrijstelling verleend voor onder meer het oprichten van een sociaal cultureel centrum en bibliotheek op het perceel Sint Jansplein 5 te Moergestel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de gemeente Oisterwijk bouwvergunning verleend voor het oprichten van een sociaal cultureel centrum en bibliotheek op het perceel.

Bij twee besluiten van 10 oktober 2006 heeft het college het besluit van 23 mei 2006 herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een sociaal cultureel centrum op het perceel, overeenkomstig het bouwplan, zoals dit was gevoegd bij het herroepen besluit van 23 mei 2006.

Bij uitspraak van 11 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2008, waar [appellant] in persoon is verschenen.

Overwegingen

2.1. Het project voorziet in het bouwen van een gebouw waarin een sociaal cultureel centrum en een bibliotheek worden gevestigd.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Moergestel" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Horecadoeleinden" met de subbestemming (Hz) "horeca op de begane grond, waaronder onder meer zalencentra, discotheken, nachtclubs of dancings". Het bouwplan is met deze bestemming in strijd. Teneinde bouwvergunning voor het project te kunnen verlenen, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is vereist, zodat het college de aanvraag op grond van artikel 52, eerste lid, van de Woningwet had moeten aanhouden. Hiertoe voert hij aan dat het in het project voorziene cultureel centrum en de bibliotheek tezamen als één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wm moeten worden aangemerkt en om die reden voor het bouwen daarvan een vergunning krachtens de Wm is vereist.

2.3.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet (hierna: de Ww) houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wm is vereist.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Wm is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wm geldt het verbod niet met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wm wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, zoals dat destijds luidde, is dat besluit van toepassing op een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

Ingevolge artikel 3 is dit besluit in de aangegeven gevallen niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in het artikel 2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer, zoals dat destijds luidde, is dat besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in de hoofdzaak bestemd is voor het verhuren aan particulieren van roerende zaken.

Ingevolge artikel 3 is dit besluit in de aangegeven gevallen niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in het artikel 2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, zoals dat destijds luidde, is dat besluit van toepassing op een inrichting waar een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn, waardoor de inrichting kan worden aangemerkt als uitsluitend of in hoofdzaak een gebouw voor het bieden van onderwijs of cursussen.

2.3.2. Het betoog faalt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bibliotheek en het sociaal centrum elk zijn gehuisvest in een eigen deel van het gebouw, met elk een eigen ingang. De activiteiten van de bibliotheek en het cultureel centrum worden verricht door twee afzonderlijke rechtspersonen, die in organisatorisch opzicht onafhankelijk van elkaar functioneren. Beide stichtingen voeren een eigen administratie en hebben de feitelijke zeggenschap over de door hen te verrichten activiteiten. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de organisatorische, technische en functionele bindingen tussen het sociaal cultureel centrum en de bibliotheek zodanig zijn dat die twee instellingen als één inrichting in voormelde zin moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat de stichtingen gezamenlijk gebruik maken van de invalidenlift, het invalidentoilet, de afvalopslagplaats, de fietsenstalling en beide toezicht houden op één brandmeldinginstallatie doet daaraan niet af.

2.3.3. Gelet op het vorenstaande dienen het sociaal cultureel centrum en de bibliotheek, ten tijde van de besluiten op bezwaar van 10 oktober 2006, als twee afzonderlijke inrichtingen in de zin van de Wm te worden beschouwd.

Het sociaal cultureel centrum valt onder de reikwijdte van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, nu dit in hoofdzaak kan worden aangemerkt als een buurthuis of daaraan verwante inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, sub 1, van dat besluit. Anders dan [appellant] betoogt, valt het sociaal cultureel centrum niet onder de reikwijdte van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. Niet is gebleken dat het sociaal cultureel centrum in verband met het bepaalde in artikel 3 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer niet valt onder de reikwijdte van dat besluit. Verder is niet aannemelijk geworden dat daar voorzieningen of installaties aanwezig zijn waardoor het sociaal cultureel centrum kan worden aangemerkt als uitsluitend of in hoofdzaak een gebouw voor het bieden van onderwijs of cursussen als bedoeld in artikel twee, eerste lid, onder d, van dat besluit.

De bibliotheek kan worden aangemerkt als een inrichting die uitsluitend of in de hoofdzaak is bestemd voor het verhuren aan particulieren van roerende zaken. Niet is gebleken dat de bibliotheek in verband met het bepaalde in artikel 3 van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer niet valt onder de reikwijdte van dat besluit. Voor zowel het sociaal cultureel centrum als de bibliotheek golden derhalve algemene maatregelen van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wm. Het bouwen van het project is daarom aan te merken als het oprichten van een inrichting waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wm is vereist. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college gehouden was de aanvraag om bouwvergunning aan te houden in de zin van artikel 52, eerste lid, van de Ww.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd is voor het project vrijstelling in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen.

2.5. Bij besluit van 14 januari 2003 (hierna: het aanwijzingsbesluit 2003) hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten), voor zover thans van belang, bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan:

- voor projecten die in overeenstemming zijn met het voorontwerp bestemmingsplan waarover de Provinciale Planologische Commissie na de inwerkingtreding van dit besluit positief heeft geadviseerd, en

- gedeputeerde staten schriftelijk hebben verklaard dat artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is.

Bij besluit van 9 maart 2004 (hierna: het aanwijzingsbesluit 2004) hebben gedeputeerde staten, voor zover thans van belang, het aanwijzingsbesluit 2003 aangevuld met een - als bijlage bij dit besluit - behorende lijst met een limitatieve opsomming van gevallen waarin artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is.

Bij besluit van 16 mei 2006 (hierna: het aanwijzingsbesluit 2006) hebben gedeputeerde staten hun aanwijzingsbesluiten van 2003 en 2004 ingetrokken, maar tevens bepaald dat deze besluiten van kracht blijven voor aanvragen om vrijstelling die voor de inwerkingtreding van het Aanwijzingsbesluit 2006 zijn ingediend.

2.5.1. Op 1 september 2005 heeft de gemeente Oisterwijk (hierna: de gemeente), voor zover thans van belang, een aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning ingediend voor de realisering van het project, drie appartementen en vijf grondgebonden woningen. Op 10 mei 2006 heeft de gemeente een nieuwe aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning ingediend voor het project zonder de appartementen en de woningen.

Omdat dit verzoek om vrijstelling vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit van 2006 is ingediend, zijn hierop de aanwijzingsbesluiten van 2003 en 2004 van toepassing. Dat het college bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2006 het besluit van 23 mei 2006 heeft herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend, doet, anders dan [appellant] betoogt, daar niet aan af.

2.5.2. Bij besluiten van 9 april 2004 en 12 november 2004, gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Noord-Brabant van 4 oktober 2006, heeft het college van gedeputeerde staten, een aantal inbreidingsprojecten, waaronder het project, in Moergestel aangewezen als projecten in de zin van het aanwijzingsbesluit 2003. Daarnaast is niet in geschil dat de Provinciale Planologische Commissie Noord-Brabant ten aanzien van het project een positief advies heeft uitgebracht. Hiermee is voldaan aan het gestelde in de aanwijzingsbesluiten 2003 en 2004. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college ten tijde van het besluit van 10 oktober 2006 bevoegd was voor het project vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het project heeft kunnen verlenen. Hiertoe voert hij aan dat het project niet noodzakelijk is voor de leefbaarheid van de gemeente.

2.6.1. Dit betoog faalt. In de ruimtelijke onderbouwing voor het project, die is neergelegd in de notitie "Het project Nieuwe Den Boogaard" van augustus 2005, wordt ingegaan op de gevolgen die het project heeft voor de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van de omliggende woningen, het milieu, de parkeergelegenheid, geluidhinder, de luchtkwaliteit en de veiligheid. In het eindverslag van de inspraakprocedure met betrekking tot de verleende vrijstelling wordt tevens ingegaan op de door [appellant] aangevoerde bezwaren en zijn diens belangen bij de besluitvorming van het college betrokken. Gezien de ruimtelijke onderbouwing heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de vermindering van lichtinval in zijn woning en op zijn perceel, de te verwachten geluidsoverlast, de verkeersdrukte en de vermindering van de luchtkwaliteit van dien aard moest achten dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het project kon verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het project blijkens de stukken wat de hoogte en het bouwvolume betreft is aangepast naar aanleiding van de reacties van omwonenden, waardoor het project meer aansluit bij de omliggende bebouwing. Anders dan [appellant] betoogt, is voor het verlenen van vrijstelling voor het project in de zin van artikel 19, tweede lid, van de WRO, gelet op het bepaalde in dat artikel, niet vereist dat gebleken is van de noodzakelijkheid daarvan voor de leefbaarheid van de gemeente.

2.7. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aangaande de onzorgvuldige handelswijze van het college door zonder zijn toestemming een dennenboom te verwijderen en zich daaromtrent niet aan afspraken te houden, heeft geen betrekking op de besluiten op bezwaar waartegen bij de rechtbank beroep was ingesteld en kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

163-543.