Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200708993/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2005 hebben de burgemeester van Alkmaar en het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: de burgemeester en het college), ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellante] een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning te verlenen ten behoeve van een horecabedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Tevens hebben de burgemeester en het college [appellante] bij dit besluit onder aanzegging van een last onder dwangsom gelast de exploitatie van het horecabedrijf te staken en het bedrijf gesloten te houden met ingang van 28 december 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708993/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 06/1457 en 06/2399 van de rechtbank Alkmaar van 15 november 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] Alkmaar B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar en de burgemeester van Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005 hebben de burgemeester van Alkmaar en het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: de burgemeester en het college), ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellante] een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning te verlenen ten behoeve van een horecabedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Tevens hebben de burgemeester en het college [appellante] bij dit besluit onder aanzegging van een last onder dwangsom gelast de exploitatie van het horecabedrijf te staken en het bedrijf gesloten te houden met ingang van 28 december 2005.

Bij besluit van 8 maart 2006 hebben de burgemeester en het college - onder intrekking van het besluit van 13 december 2005 voor zover dat zag op de last onder dwangsom - [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van het horecabedrijf per 13 maart 2006 te hebben beëindigd.

Bij besluit van 29 maart 2006 hebben de burgemeester en het college het door [appellante] tegen het besluit van 13 december 2005 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij besluit van 12 juli 2006 hebben de burgemeester en het college het door [appellante] tegen het besluit van 8 maart 2006 gemaakte bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het feitelijk toepassen van bestuursdwang en voor het overige ongegrond verklaard.

Op 18 januari 2007 is [appellante] in staat van faillissement verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2007, verzonden op 29 november 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellante] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De curator van [appellante] heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2008, waar

[appellante], vertegenwoordigd door mr. drs. L.T. van Eyk van Heslinga, advocaat te Alkmaar, en de burgemeester en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.W. van der Poel, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen. Tevens is verschenen de curator, vertegenwoordigd door mr. R.A. de Weerd, advocaat te Alkmaar.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, zijn in geval van faillissement de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vinden de artikelen 25, tweede lid, en 27 geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

Ingevolge artikel 8:56 van de Awb worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Faillissementswet worden rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator ingesteld.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Faillissementswet wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet heeft de gedaagde, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de gefailleerde en de gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.

2.2. [appellante] is op 18 januari 2007, nadat door haar beroep bij de rechtbank was ingesteld, in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de rechtbank bericht het geding niet namens en ten laste van de boedel over te nemen. De burgemeester en het college hebben de rechtbank daarop om ontslag van instantie gevraagd als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet. De rechtbank heeft het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de brieven van de rechtbank aan partijen van 28 december 2006, waarin zij haar tussenbeslissing om de mondelinge behandeling ter zitting van 21 maart 2007 geheel met gesloten deuren te laten plaatshebben meedeelt, zijn te beschouwen als uitnodigingen om op zitting te verschijnen, dat partijen derhalve zijn uitgenodigd voordat [appellante] failliet werd verklaard en dat daarom artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet niet van toepassing is.

2.3.1. Dit betoog faalt. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat in artikel 8:22, tweede lid, van de Awb wordt gedoeld op de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb. In de brieven van 28 december 2006 zijn allereerst plaats en tijdstip van de zitting niet vermeld, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb. Verder zijn partijen in die brieven, anders dan de artikelen 8:58, tweede lid, en 8:60, vierde lid, van de Awb voorschrijven, niet gewezen op hun bevoegdheid tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen en getuigen en deskundigen mee te brengen of op te roepen. Voorts is in die brieven niet vermeld of de zaak door een enkelvoudige of een meervoudige kamer wordt behandeld, hetgeen artikel 14 van de Procesregeling bestuursrecht voorschrijft. Aan voornoemde vereisten voldoen de brieven van 24 januari 2007 wel. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat partijen op 24 januari 2007 zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, dat partijen daarmee pas na de faillietverklaring van de vennootschap zijn uitgenodigd voor de zitting, zodat artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet van toepassing is.

2.4. Verder betoogt [appellante], samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep achterwege had moeten blijven omdat een inhoudelijke uitspraak van de rechtbank de boedel in ieder geval niet kan schaden en in het meest gunstige geval zelfs kan baten.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de vergunningen die zijn geweigerd de exploitatie van een horecabedrijf mogelijk maken en daarom moeten worden beschouwd als potentiële vermogensrechten die tot de failliete boedel behoren. De last onder aanzegging van bestuursdwang om de exploitatie van het horecabedrijf te beëindigen betreft een verplichting van de failliete boedel. De beroepen tegen de gehandhaafde weigeringen alsmede tegen de gehandhaafde last onder aanzegging van bestuursdwang om de exploitatie van het horecabedrijf te beëindigen zijn derhalve rechtsvorderingen die deze boedel betreffen. Deze rechtsvorderingen waren tijdens de faillietverklaring aanhangig. De curator heeft desgevraagd aangegeven het geding niet over te nemen. Daarop hebben de burgemeester en het college gebruik gemaakt van hun recht om op grond van artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet ontslag van instantie te vragen. De rechtbank heeft terecht geen omstandigheden aanwezig geacht die de afwijzing van dit verzoek kunnen rechtvaardigen en heeft het beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.5. Anders dan de burgemeester en het college hebben bepleit, bestaat in dit bestuursrechtelijk geding geen aanleiding voor analoge toepassing van artikel 123, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Geen grond bestaat derhalve om [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van de burgemeester en het college bestaat geen aanleiding. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van [appellante], zoals verzocht door de burgemeester en het college, bestaat evenmin aanleiding. Geen grond bestaat immers voor het oordeel dat [appellante], door hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak, kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft gemaakt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

419.