Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200707449/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lochem (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Artikel 30 herziening Aalsvoort West" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707449/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Milieurecht de Graafschap, gevestigd te Lochem en [appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats], en wijlen [appellant D],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lochem (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Artikel 30 herziening Aalsvoort West" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Milieurecht de Graafschap,

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] en wijlen [appellant D] (hierna: de stichting en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2007, beroep ingesteld. Het beroep voor zover dat is ingesteld door wijlen [appellant D] is overgenomen door [erfgenamen].

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2008, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol en P.G.A.L. Evers, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door B.J. Bussink, wethouder van de gemeente en ing. P.M.J. van den Eijnden,

ing. J.A.J. Hoefnagels en H. van Veldhuisen, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het plan wordt beoogd om ten westen van het bestaande bedrijventerrein Aalsvoort een nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen. Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Lochem, en wordt begrensd door de spoorlijn Zutphen-Hengelo in het noorden en het Twentekanaal in het zuiden. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het bestaande bedrijventerrein Aalsvoort en aan de westzijde aan agrarische gronden.

De ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein was reeds voorzien in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Aalsvoort West" waaraan door de Afdeling bij uitspraak van 12 februari 2003 in zaak nr. 200200568/1 deels goedkeuring is onthouden en door het college bij besluit van 13 mei 2003 voor het overige goedkeuring is onthouden. Bij uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006 in zaak nr. 200509046/1, is het besluit van het college van 6 september 2005, wat betreft de goedkeuring van het opnieuw voor het bedrijventerrein vastgestelde bestemmingsplan, voor zover die goedkeuring betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "fase II", vernietigd. Het bestreden besluit voorziet na heroverweging opnieuw in goedkeuring van dit plandeel.

2.3. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.2. is overwogen, heeft het bestreden besluit alleen betrekking op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "fase II" en is het plan voor het overige met de uitspraak van 20 september 2006 onherroepelijk geworden. Voor zover de beroepsgronden van de stichting en anderen mede zien op onherroepelijke onderdelen van het plan kunnen deze thans niet meer aan de orde worden gesteld.

2.4. De stichting en anderen betogen dat onduidelijk is of in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde "Luchtkwaliteitsonderzoek bedrijventerrein Aalsvoort te Lochem" van 2 maart 2007 van Royal Haskoning (hierna: het onderzoek), wordt gedoeld op het bedrijventerrein Aalsvoort en/of het bestaande bedrijventerrein Aalsvoort-West, fase I en/of het beoogde bedrijventerrein Aalsvoort-West, fase II, waardoor het onderzoek onbruikbaar is.

2.4.1. Blijkens het bestreden besluit en de inleiding van het onderzoek is, naast de emissiebronnen op de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein, mede een fictief aantal bronnen met een relatief hoge emissie op het bestaande bedrijventerrein zelf in beschouwing genomen, om een indicatie te krijgen van de invloed van het gehele bedrijventerrein, inclusief de uitbreiding. Gelet op deze beschrijving bestaat geen grond voor het oordeel dat onduidelijk is op welk gebied het onderzoek betrekking heeft.

Het betoog faalt.

2.5. De stichting en anderen betogen dat het college, gelet op gewijzigde omstandigheden ten aanzien van nut en noodzaak van het te ontwikkelen bedrijventerrein, de locatiekeuze en het voorhanden zijn van alternatieven, het bestreden plandeel niet opnieuw had mogen goedkeuren.

2.5.1. In de in rechtsoverweging 2.2. genoemde uitspraken heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat nut en noodzaak van het bedrijventerrein voldoende zijn aangetoond en dat de locatie Aalsvoort-West geen onaanvaardbare plaats is voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein. In deze procedure kan hierbij worden aangesloten, mits er zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen die afwijking hiervan rechtvaardigen.

2.5.2. Met betrekking tot nut en noodzaak van het bedrijventerrein hebben de stichting en anderen tevergeefs gewezen op het rapport "Lochem, Groene Graafschapsgemeente of Gelderse Groeigemeente?" van de stichting van 29 juni 2007 en een brief van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland van 12 april 2007. De met verwijzing naar deze documenten door de stichting en anderen getrokken conclusie, dat er uit het oogpunt van demografische ontwikkeling en werkgelegenheid geen behoefte bestaat aan het onderhavige bedrijventerrein, doet niet af aan de in de plantoelichting onderbouwde en ter zitting toegelichte behoefte van het bedrijfsleven aan een bedrijventerrein ter plaatse en de in verband daarmee reeds uitgegeven grond in Aalsvoort-West. De in het streekplan Gelderland 2005 aan de gemeente Lochem toegekende zogenoemde "bovenlokale werkgelegenheidsfunctie" verschilt volgens het college niet wezenlijk van de in het streekplan Gelderland 1996 aan de gemeente Lochem toegekende zogenoemde "subregionale functie". Deze andere benaming heeft volgens het college dan ook geen gevolgen voor het provinciale beleid met betrekking tot dit bedrijventerrein. Dat de eerstgenoemde functie meer verplichtend is voor gemeenten dan de laatstgenoemde functie betekent, anders dan de stichting en anderen betogen, derhalve niet dat in Lochem bedrijventerreinen als het onderhavige niet meer zijn toegestaan. Ook het door de stichting en anderen genoemde bundelingsprincipe uit de Nota Ruimte en de "Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030" sluit een uitbreiding van het bedrijventerrein als hier aan de orde niet uit.

2.5.3. De stichting en anderen hebben met de enkele verwijzing naar het "Rapport Locatie onderzoek Bedrijventerrein in Lochem" van mRO b.v. van november 2006 niet aannemelijk gemaakt dat het aan het plan ten grondslag gelegde locatieonderzoek achterhaald zou zijn.

Het bestreden plandeel behoort voorts niet tot de in de Nota Ruimte genoemde Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) zoals nader begrensd in het Streekplan Gelderland 2005. De daarvoor in het streekplan opgenomen regeling waarop de stichting en anderen een beroep doen, is op dit plandeel dan ook niet van toepassing. In de omstandigheid dat het plangebied is gelegen nabij de EHS, heeft de Afdeling in de uitspraak van 20 september 2006, zoals hiervoor omschreven, geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college de in het geding zijnde belangen op een onevenwichtige wijze heeft afgewogen. Daarbij kan volgens deze uitspraak het onderzoek van Buro Zoon, waaruit blijkt dat de ter plaatse en in de omgeving aanwezige natuurwaarden door het plandeel niet in grote mate worden aangetast, worden betrokken. Dat blijkens de door de stichting en anderen overgelegde brief van Buro Zoon van 1 november 2006 over de locatie als zodanig naderhand een negatief oordeel wordt gegeven, doet aan de aanvaardbaarheid in verband met de aanwezige natuurwaarden niet af.

Zoals de stichting en anderen hebben aangegeven, is de streekplanuitwerking van het in de Nota Ruimte aangewezen Nationale Landschap Graafschap eerst in werking getreden na het bestreden besluit. Dientengevolge kan deze bij de beoordeling daarvan geen rol spelen. In de ligging van het plangebied binnen de globale begrenzing van het Nationale Landschap Graafschap in de Nota Ruimte heeft het college, gelet op het schaalniveau en het globale karakter van de aanwijzing, in redelijkheid evenmin aanleiding hoeven te zien aan het plandeel goedkeuring te onthouden.

2.5.4. Nu er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met betrekking tot de gekozen locatie geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, bestond, anders dan de stichting en anderen betogen, geen aanleiding in het bestreden besluit in te gaan op alternatieve locaties.

2.5.5. De conclusie is dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat zich op de door de stichting en anderen genoemde onderdelen van het bestreden besluit na de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2003 en 20 september 2006 geen relevante gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan, zodat in zoverre bij die uitspraken kan worden aangesloten.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

429.