Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200804675/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beverwijk (hierna: de raad) bij besluit van 15 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Broekpolder Zuidwest".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804675/2.

Datum uitspraak: 22 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beverwijk (hierna: de raad) bij besluit van 15 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Broekpolder Zuidwest".

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 augustus 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door ing. R.J.J. Floor, het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door A.C. Rensen en W.G. de Wit, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de [partij 1], vertegenwoordigd door mr. ing. J.B. Eekels, [partij 2], vertegenwoordigd door mr. ing. E.W.M. Aalsma, en [partij 3], vertegenwoordigd door Th.W. Schootemeijer.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een uitbreiding van de huidige woonwijk Broekpolder in Beverwijk en maakt onder meer de aanleg van de zogenoemde Oostelijke Doorverbinding, een ontsluitingsweg langs de [locatie], mogelijk.

2.3. [verzoeker] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Verkeer (V)" en "Woondoeleinden (W)" en beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van deze plandelen te voorkomen. Daartoe voert hij onder meer aan dat hij er mede op basis van het bestemmingsplan "Broekpolder Beverwijk" uit 1999 op mocht vertrouwen dat de Oostelijke Doorverbinding elders zou worden aangelegd. Hij vreest dat deze weg ter hoogte van zijn woning aan de [locatie] een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat met zich zal brengen. Hij voert verder aan dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" voorziet in te veel woningen en ten aanzien van meergezinswoningen een te grote bouwhoogte kent. Voorts is hij van mening dat een aantal ruimtelijke ontwikkelingen ten onrechte niet in dit plan zijn opgenomen.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat voormelde plandelen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening en het recht. Daartoe voert het college onder meer aan dat van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de Oostelijke Doorverbinding niet langs [locatie] zou worden aangelegd geen sprake is en dat een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat bij de [locatie] zich niet zal voordoen.

2.5. Ten aanzien van de gekozen begrenzing van het plan wordt overwogen dat aan de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt om deze te bepalen. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzitter voorshands echter geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met de gekozen begrenzing heeft kunnen instemmen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de door [verzoeker] genoemde ruimtelijke ontwikkelingen, zoals onder meer de mogelijke wijzigingen aan de nabijgelegen spoorlijn, niet zodanig concreet zijn dat hiermee in het kader van de begrenzing van het plan rekening kon worden gehouden.

2.5.1. Met betrekking tot het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen dat de Oostelijke Doorverbinding elders zou worden aangelegd overweegt de voorzitter dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Voorts merkt de voorzitter op dat het bestemmingsplan "Broekpolder Beverwijk" middels een wijzigingsbevoegdheid reeds voorzag in een weg ter plaatse. Dat van deze bevoegdheid in dit geval geen gebruik gemaakt kon worden, maakt dat niet anders en de raad heeft naar het oordeel van de voorzitter op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de bestemming "Verkeer (V)" voor de gronden, waarop de wijzigingsbevoegdheid rustte, kunnen vaststellen, waardoor de aanleg van de Oostelijke Doorverbinding thans bij recht mogelijk is. Daarbij betrekt de voorzitter dat niet is gebleken dat als gevolg van de Oostelijke Doorverbinding het woon- en leefklimaat aan de [locatie] ernstig zal verslechteren. Hierbij is van belang dat voormeld plandeel op een afstand van ongeveer 20 meter van de gevels van de woningen ligt en ingevolge artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften dient het op de plankaart aangegeven profiel te worden aangehouden, hetgeen met zich brengt dat binnen het plandeel nog een afstand van ongeveer 20 meter van de rijbaan tot de bestemmingsgrens geldt. Dit houdt in dat de afstand van de rand van de rijbaan tot de woningen aan de [locatie] ongeveer 40 meter zal zijn. Ten aanzien van het door [verzoeker] voorgestelde alternatief voor de Oostelijke Doorverbinding wordt overwogen dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. De voorzitter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Tot slot merkt de voorzitter ten aanzien van de Oostelijke Doorverbinding op dat door de raad is gesteld dat het niet de bedoeling is dat deze ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zal worden aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen en er geen aanleiding bestaat hieraan te twijfelen.

2.5.2. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" wordt overwogen dat binnen dit plandeel één meergezinswoning met een maximale hoogte van 42 meter is toegestaan en dat de bebouwingsdichtheid niet meer dan 40 woningen per hectare mag bedragen. Gelet hierop en op de reeds verstedelijkte omgeving heeft het college zich naar het oordeel van voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bouwhoogte en het aantal woningen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.

2.6. Gelet op het vorenstaande komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking, zodat het dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008

459.