Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200800321/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 21 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college) voor het woonschip van [appellant] (hierna onderscheidenlijk: het woonschip en [appellant]) ligplaats in de gemeentelijke haven aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800321/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heemstede,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/7015 van de rechtbank Haarlem van 4 december 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.

1. Procesverloop

Op 21 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college) voor het woonschip van [appellant] (hierna onderscheidenlijk: het woonschip en [appellant]) ligplaats in de gemeentelijke haven aangewezen.

Bij besluit van 20 september 2005, voor zover thans van belang, heeft het [appellant] op straffe van bestuursdwang gelast zijn woonschip naar de aldus aangewezen ligplaats te verplaatsen.

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het door [appellant] tegen de brief van 21 april 2005 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 20 september 2005 gemaakte bezwaar gegrond, dit besluit onder aanvulling van de motivering ervan gehandhaafd en bepaald dat [appellant] zijn woonschip uiterlijk op 1 september 2006 van de ligplaats in het Spaarne naar de aangewezen ligplaats in de gemeentelijke haven, dan wel een locatie buiten Heemstede, verplaatst.

Bij uitspraak van 4 december 2007, verzonden op 6 december 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.E. Hopman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de gemeentelijke verordening op het gebruik van openbare havens en binnenwateren van de gemeente Heemstede (hierna: de verordening) is het verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben, danwel een ligplaats beschikbaar te stellen, in alle openbare wateren met uitzondering van de Cruquiushaven.

2.2. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 september 2005 ten grondslag gelegd dat de gedoogverklaring voor de ligplaats in het Spaarne door de aanwijzing van de ligplaats in de gemeentelijke haven haar geldigheid heeft verloren, de verordening daardoor onverkort op het woonschip van toepassing is en artikel 3 daarvan wordt overtreden.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het college handhavend kon en mocht optreden, omdat de ligplaats van het woonschip in het Spaarne in strijd is met artikel 3 van de verordening en legalisatie niet mogelijk is, het college weliswaar gedurende een groot aantal jaren een gedoogbeleid heeft gevoerd, maar daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat de ligplaats in het Spaarne uiteindelijk zou moeten verdwijnen. Na een brand op een naastgelegen woonschip in 2003 heeft het college het gedogen van het woonschip in het Spaarne niet langer aanvaardbaar geacht met het oog op de veiligheid. In het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Het heeft daarbij volgens de rechtbank aan de belangen van [appellant] recht gedaan door het aanbod van een vervangende en door de gemeente gefaciliteerde ligplaats. Dat die ligplaats geen legale is, leidt haar niet tot een ander oordeel.

Het college heeft het door [appellant] tegen de aanwijzing van een nieuwe ligplaats in de gemeentelijke haven gemaakte bezwaar volgens de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank, door te oordelen dat het college zijn bezwaar tegen de brief van 21 april 2005 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft miskend dat hij tegen de daarin neergelegde aanwijzing moet kunnen opkomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de verordening is het hebben van ligplaats in de gemeentelijke haven niet toegestaan. De rechtbank heeft het gestelde in de brief derhalve met juistheid aangemerkt als mededeling aan [appellant], dat indien deze met het woonschip daar ligplaats zal innemen, daartegen niet zal worden opgetreden en terecht overwogen dat die brief aldus geen besluit inhoudt, waartegen [appellant] bezwaar kon maken.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door aan te nemen dat het college handhavend kon optreden, heeft miskend dat de Woonschepenverordening Noord-Holland 1981 (hierna: de woonschepenverordening) op het woonschip van toepassing is, hij daaraan aanspraken kan ontlenen en de brief van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 8 december 1992 dan ook als een dwaling moet worden aangemerkt.

2.5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de woonschepenverordening is het de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde, de bezitter, de houder of de gebruiker van een woonschip verboden daarmede ligplaats in te nemen.

Ingevolge het tweede lid wijzen gedeputeerde staten, na de desbetreffende statencommissies te hebben gehoord, voor de eerste maal binnen zes maanden na de vaststelling van de verordening, delen van de provincie aan, waar het in het vorige lid gestelde verbod niet van toepassing is.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is dat verbod niet van toepassing op woonschepen die zich op plaatsen bevinden, waar het innemen van ligplaats met een woonschip uitdrukkelijk is toegestaan krachtens een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan.

2.5.2. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet met juistheid heeft overwogen dat de provincie Noord-Holland sedert 1985 geen gezag meer heeft over de binnen het plangebied van het bestemmingsplan Hageveld e.o. gelegen woonschepen. In dat bestemmingsplan, dat door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) is goedgekeurd, is een deel van het plangebied bestemd als woonschepenhaven. Het bestemmingsplan is bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1985 in werking getreden. [appellant] heeft voorts niet bestreden dat gedeputeerde staten het plangebied op de voet van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de woonschepenverordening hebben aangewezen.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] aan het overgangsrecht van het bestemmingsplan geen aanspraken kan ontlenen, omdat het college hem bij brief van 19 april 1982 te kennen heeft gegeven dat het woonschip op een plaats ligt die niet als ligplaats is aangewezen en [appellant] heeft verzocht het zo spoedig mogelijk buiten de gemeente Heemstede te brengen.

Gedeputeerde staten hebben aan [appellant] geen ontheffing verleend, zodat, nog daargelaten welke betekenis kan worden toegekend aan de stukken die [appellant] in dit verband heeft overgelegd, reeds daarom moet worden voorbijgegaan aan hetgeen [appellant] daarover heeft gesteld.

Het betoog slaagt evenmin.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat in de verordening voor bestaande gevallen ten onrechte geen overgangsregeling is opgenomen en zijn rechten daardoor zijn aangetast.

2.6.1. Ook dat betoog faalt. Het was aan de raad van de gemeente Heemstede om al dan niet in een overgangsregeling te voorzien. Het niet opnemen van zodanige regeling is niet in strijd met enig wettelijk voorschrift van hoger orde en maakt de verordening ook om andere redenen niet onverbindend. Dat het woonschip, als gesteld, al op zijn huidige ligplaats in het Spaarne lag, voordat de verordening in werking is getreden, maakt dit niet anders. Het aangevoerde geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de verordening ten onrechte niet wegens onverbindendheid ervan buiten toepassing heeft gelaten.

2.7. [appellant] betoogt ook dat de rechtbank heeft miskend dat de huidige ligplaats in het Spaarne ten tijde van het nemen van het in beroep bestreden besluit wel bereikbaar was voor hulpdiensten, zodat er geen reden was het woonschip te verplaatsen, de hem opgelegde last geen einde maakt aan de illegale situatie, omdat de aangewezen ligplaats evenmin legaal is en van hem niet kan worden gevergd dat hij het woonschip naar een illegale ligplaats verplaatst. De last is bovendien prematuur, omdat op de beoogde nieuwe ligplaats nog niet alle vereiste voorzieningen zijn gerealiseerd, aldus [appellant].

2.7.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.2. Niet in geschil is dat de ligplaats van het woonschip in het Spaarne in strijd is met artikel 3 van de verordening. Gelet daarop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college handhavend kon optreden.

2.7.3. Het college heeft in een brief van 10 april 1996, gericht aan het bestuur van de landelijke woonbotenorganisatie, te kennen gegeven dat het de huidige ligplaats van het woonschip en de ligplaatsen van twee andere woonschepen in het Zuider Buiten Spaarne gedoogt, totdat een andere ligplaats beschikbaar komt. Uitgangspunt is dat de ligplaatsen in het Zuider Buiten Spaarne uiteindelijk verdwijnen.

Bij brief van 15 november 1996 heeft het [appellant] medegedeeld dat het woonschip niet met dwangmiddelen uit het Spaarne zal verwijderen.

Naar aanleiding van een brand bij een ander woonschip in het Spaarne heeft het college geoordeeld dat de ligplaats van het woonschip van [appellant] in het Spaarne voor hulpdiensten zo moeilijk bereikbaar is, dat zijn veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd. Voor het college heeft dit mede aanleiding gevormd om voor het woonschip ligplaats in de gemeentelijke haven aan te wijzen.

2.7.4. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het oordeel van het college dat het pad dat naar het woonschip leidt ongeschikt is voor gebruik door ambulance- of brandweervoertuigen onjuist is. Aan de brief van 15 november 1996 kan [appellant] geen aanspraak op continuering van de ligplaats in het Spaarne ontlenen, nu die brief werd verzonden, voordat de gebrekkige bereikbaarheid en de daaraan verbonden veiligheidsrisico's onderkend waren.

Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de aangewezen ligplaats niet legaal is en daardoor niet aan de in de gedoogverklaring van 10 april 1996 gestelde ontbindende voorwaarde is voldaan en deze haar geldigheid daarom heeft behouden, miskent dat de ligplaats in het Spaarne slechts werd gedoogd, tot dat een andere ligplaats beschikbaar zou komen. Nu het college een andere ligplaats met voorzieningen heeft aangewezen, is aan de desbetreffende voorwaarde voldaan.

Gelet op het zwaarwegende belang van de veiligheid voor alle betrokkenen, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde voorts terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten met handhavend optreden te wachten, tot een legale ligplaats beschikbaar zou komen. De hem opgelegde last is, anders dan [appellant] betoogt, ook anderszins niet prematuur, nu uit het besluit van 18 juli 2006 kan worden afgeleid dat de elektriciteitsaansluiting en de plaatsing van de waterkraan zijn gerealiseerd en aansluiting van het woonschip op de riolering plaats zal vinden, zodra het woonschip naar de aangewezen ligplaats is verplaatst.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

307.