Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200709067/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) geweigerd [appellante] ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] in [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709067/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/127 van de rechtbank Middelburg van 15 november 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) geweigerd [appellante] ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] in [plaats].

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Vlecken, advocaat te Heerlen, en het college, vertegenwoordigd door M.H.H. van Kempen-Huizinga, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening is het de rechthebbende op een tot permanente woning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de verordening geldt het verbod, vervat in artikel 2, niet ten aanzien van iemand die een woning als tweede woning in gebruik heeft op het tijdstip van het van kracht worden van de verordening en de rechthebbende op die woning beschikt over een door het college schriftelijk verleende ontheffing op grond van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere, zoals vastgesteld door de raad op 1 juni 1994. Deze uitzondering heeft een persoonlijk karakter en geldt voor de rechthebbende op een tot permanente woning bestemd gebouw op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening en eenmalig voor een opvolgende rechthebbende, indien de opvolging het gevolg is van vererving. Voor het overige geldt het verbod onverkort.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de verordening kan het college van het verbod vervat in artikel 2 ontheffing verlenen en aan een zodanige ontheffing voorschriften verbinden.

Volgens de toelichting op dit artikel vervat in de bijlagen I t/m IV kent de verordening vier ontheffingsgronden.

Ingevolge artikel 6 van de verordening is het college bevoegd in gevallen, waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2. Vast staat dat in het verleden aan de grootmoeder van [appellante], wijlen [grootmoeder], voor het gebruik van de woning als tweede woning een ontheffing als bedoeld in artikel 3 van de verordening is verleend. Wijlen [grootmoeder] heeft de woning bij testament nagelaten aan [appellante].

2.3. In het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aan haar grootmoeder verleende ontheffing niet op [appellante] is overgegaan omdat zij geen rechtsopvolger door vererving is, maar de woning haar bij testament is nagelaten.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat geen sprake is van vererving als bedoeld in artikel 3 van de verordening omdat zij de woning bij testament heeft geërfd en dat artikel 4 van de verordening, gelet op de daarbij behorende toelichting, niet op haar van toepassing is heeft miskend dat zij bij het college van te voren heeft geïnformeerd in hoeverre zij als kleindochter de woning door middel van vererving zou kunnen verkrijgen en als tweede woning zou kunnen gebruiken. Het college heeft haar er toen niet op gewezen dat gelet op die toelichting onder vererving als bedoeld in artikel 3 slechts vererving bij versterf moet worden verstaan en heeft haar evenmin gewezen op de in de bijlage II behorende bij de toelichting opgenomen criteria op grond waarvan ontheffing als bedoeld in artikel 4 kan worden verleend. Omdat zij niet juist is geïnformeerd had artikel 3 haar niet mogen worden tegengeworpen en had zij in aanmerking moeten komen voor ontheffing als bedoeld in artikel 4, aldus [appellante].

Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zich geen bijzondere hardheid voordoet, die aanleiding heeft kunnen geven ten gunste van haar van de verordening af te wijken. In dat verband benadrukt zij dat niet alleen zij zelf maar haar gehele familie van de woning gebruik maakt en dat het besluit dus niet slechts consequenties voor haar heeft. Ook is niet gemotiveerd waarom door haar toedoen de leefbaarheid van de kernen zou verslechteren, waarbij zij aangeeft dat zij zorg draagt dat de woning in ordelijke staat verkeert.

2.5. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellante] ter onderbouwing van haar betoog gewezen op de zich in het dossier bevindende brief van het college van 6 februari 2003 aan wijlen [grootmoeder]. Deze brief houdt een reactie in op de vraag van wijlen [grootmoeder] of zij destijds zelf over een ontheffing beschikte om de woning als tweede woning te gebruiken. In die brief werd dat bevestigd. Voorts werd daarin medegedeeld dat deze ontheffing door vererving op een rechthebbende kan overgaan, waarbij werd aangegeven dat indien wijlen [grootmoeder] door middel van schenking of uiterste wil deze ontheffing zou willen doorgeven, zij daartoe een verzoek bij het college kon indienen.

Het in artikel 3 van de verordening gehanteerde begrip 'vererving' wordt in de verordening niet nader uitgewerkt. In de toelichting behorende bij dat artikel wordt echter vermeld dat in geval van vererving bij versterf van een tot bewoning bestemd gebouw, eenmalig het met de verordening strijdige recreatieve gebruik mag worden gecontinueerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200704430/1) is gelet op die toelichting artikel 3 van de verordening slechts van toepassing bij vererving door versterf. Dat in de hiervoor genoemde brief niet op de toelichting behorende bij de verordening is gewezen maakt dat niet anders nu de uitleg van een algemeen verbindend voorschrift niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of [appellante] daarover voldoende is geïnformeerd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het beroep van [appellante] op artikel 3 van de verordening geen doel treft.

Het betoog van [appellante] dat het college met de brief van 6 februari 2003 het vertrouwen heeft opgewekt dat ontheffing zou worden verleend mede omdat daarin niet wordt verwezen naar de ontheffingscriteria zoals opgenomen in de hiervoor genoemde bijlagen kan, gelet op de adressaat en de bewoordingen van die brief, niet slagen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de brief is aangegeven dat indien wijlen [grootmoeder] de ontheffing door middel van schenking of uiterste wil zou willen doorgeven, zij daartoe een verzoek bij het college kon indienen, hetgeen een beoordeling van dat verzoek veronderstelt.

Gelet op de toelichting behorende bij artikel 4 van de verordening is testament / uiterste wil een ontheffingsgrond, indien wordt voldaan aan de ontheffingscriteria zoals die te vinden zijn in bijlage II. In deze bijlage staat dat onder rechthebbende in geval van testament / uiterste wil wordt verstaan de rechthebbende die conform de regels van erfrecht de 'opeenvolgende rechthebbende' zou zijn ingevolge vererving als bedoeld in boek 4, elfde titel, van het Burgerlijk Wetboek. Aangezien niet in geschil is dat [appellante] geen opeenvolgende rechthebbende is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 4 van de verordening niet op [appellante] van toepassing is.

2.6. In het door [appellante] gestelde dat haar gehele familie van de woning gebruik maakt en dat zij de woning goed onderhoudt is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een bijzondere hardheid.

Het hoger beroep slaagt niet.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

307.