Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200801003/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 28 september 2007 hebben [appellanten] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op hun verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) van 14 juli 2007 om het - in het kader van de realisering van twee geluidschermen ter hoogte van de Meerssenerweg en de Heerderweg te Maastricht - vereiste onderzoek uit te (doen) voeren en het saneringsplan op te stellen, subsidie voor de kosten van de in het kader van de geluidsanering te nemen maatregelen aan te vragen en daadwerkelijk en voortvarend de voor de geluidsanering noodzakelijke maatregelen uit te voeren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/726
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801003/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Maastricht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 28 september 2007 hebben [appellanten] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op hun verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) van 14 juli 2007 om het - in het kader van de realisering van twee geluidschermen ter hoogte van de Meerssenerweg en de Heerderweg te Maastricht - vereiste onderzoek uit te (doen) voeren en het saneringsplan op te stellen, subsidie voor de kosten van de in het kader van de geluidsanering te nemen maatregelen aan te vragen en daadwerkelijk en voortvarend de voor de geluidsanering noodzakelijke maatregelen uit te voeren.

Tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar hebben [appellanten] bij brief, bij de rechtbank Maastricht ingekomen op 2 januari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank Maastricht heeft deze geschriften doorgezonden aan de Raad van State.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 8 augustus 2008, waar geen der partijen is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) beslist het bestuursorgaan op het bezwaarschrift binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst hiervan.

Ingevolge artikel 7:13, tweede lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien een commissie over een bezwaar zal adviseren, dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.

2.2. Het college heeft geen adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb ingesteld, zodat het college - nu voorts niet is gebleken dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 7:10, tweede, derde of vierde lid van de Awb - op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gehouden was binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift een besluit te nemen. Vast staat dat het college binnen deze termijn niet op het bezwaarschrift heeft beslist, zodat het college niet tijdig een besluit heeft genomen.

2.3. Het beroep is gegrond. Het niet tijdig nemen van een besluit, dat ingevolge artikel 6:2 van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijk wordt gesteld, dient te worden vernietigd.

2.4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

Voor een besluit is derhalve, voor zover thans van belang, vereist dat het gaat om een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.

2.5. In hun brief van 14 juli 2007 hebben [appellanten] verzocht feitelijke handelingen te verrichten. Deze handelingen zijn niet op rechtsgevolg gericht, zodat het verzoek van [appellanten] niet kan worden gekwalificeerd als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De reactie op dit verzoek zou dan ook niet aan te merken zijn als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, reden waarom het uitblijven van een reactie evenmin als een besluit kan worden aangemerkt. Dit betekent dat het college [appellanten] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun bezwaar.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van het college op het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit slechts kan strekken tot het niet-ontvankelijk verklaren van dit bezwaar. De Afdeling zal daarom op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [appellant a] heeft, zo volgt uit het beroepschrift, bij de Afdeling mede zijn eigen belangen behartigd. Dit betekent dat het hier reeds hierom niet gaat om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

III. verklaart het bezwaarschrift van [appellanten] tegen het uitblijven van een besluit op hun verzoek van 14 juli 2007 niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. gelast dat de gemeente Maastricht aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

373-570.