Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200706675/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2007, voor zover van belang, heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NUON Power

Projects I B.V. (hierna: NUON) een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2008/55 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2008/719
OGR-Updates.nl 1001648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706675/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2007, voor zover van belang, heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NUON Power

Projects I B.V. (hierna: NUON) een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Greenpeace Nederland (hierna: Greenpeace) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, beroep ingesteld. Greenpeace heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2007.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Greenpeace, de staatssecretaris en NUON hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2008, waar Greenpeace, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en drs. J. den Blanken, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Slaaf en ir. A.J. Verstegen, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord NUON, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kajaan, advocaat te Amsterdam, J.T.W. Pastoors en A.M.M. Duijn.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover het de grond over de realisatietermijn betreft.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Bij besluiten inzake een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zijn uitsluitend beslissingen omtrent afzonderlijke lozingen als zelfstandig te beschouwen besluitonderdelen te onderscheiden.

Nu de beroepsgrond inzake de realisatietermijn ziet op de lozing van afvalwater en de zienswijzen van Greenpeace eveneens betrekking hebben op deze lozing, staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat deze grond eerst in beroep wordt aangevoerd. Er bestaat derhalve geen grond het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2. Greenpeace stelt dat uit de vergunning niet valt af te leiden dat in het 3D-model, dat is gebruikt om de gevolgen van warmtelozingen te beoordelen, rekening is gehouden met temperatuurstijgingen van het te lozen water naar 50o C, die het gevolg zijn van de door NUON te gebruiken thermoshockmethode.

2.2.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het effect van de warmteshocks op de gemiddelde warmtevracht gering is. De omstandigheid dat het te lozen water warmer is dan normaal, wordt volgens de staatssecretaris gecompenseerd door de vermindering van het te lozen debiet.

2.2.2. Ter zitting is van de zijde van de staatssecretaris erkend dat de thermoshockmethode niet is betrokken in het 3D-model, aan de hand waarvan de gevolgen van de warmtelozingen zijn beoordeeld. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat de omstandigheid dat bij toepassing van de thermoshockmethode minder debiet wordt geloosd, voldoende opweegt tegen de hogere temperatuur van het uiteindelijk te lozen water. De staatssecretaris mocht er daarom niet van uitgaan dat de omstandigheid dat de thermoshockmethode niet was betrokken in het 3D-model, er niet aan in de weg stond de warmtelozingen aan de hand van de bij de aanvraag gevoegde uitkomsten van dit model te beoordelen. De staatssecretaris heeft in strijd met artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. Deze beroepsgrond slaagt.

2.3. Greenpeace betoogt dat de exacte ligging van de lozingspunten ten onrechte niet bekend was ten tijde van de vergunningverlening.

2.3.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat alle lozingspunten die in de aanvraag als mogelijke lozingspunten zijn aangemerkt, door hem zijn beoordeeld en dat er daarom geen bezwaar tegen bestaat dat NUON op een later tijdstip de keuze maakt op welke van die punten zij wenst te lozen.

2.3.2. In vergunningvoorschrift 1, eerste lid, voor zover hier van belang, is bepaald dat de lozing van het koelwater plaatsvindt op één lozingspunt, te weten de Eems (lozingspunt 1).

Ingevolge het tweede lid van dit voorschrift, voor zover hier van belang, vindt de lozing van de overige afvalwaterstromen plaats op een nader te bepalen lozingspunt, te weten: a. de Eems (lozingspunt 1), of; b. de Wilhelminahaven (lozingspunt 2).

Ingevolge het derde lid van dit voorschrift, voor zover hier van belang, dienen de locaties van de lozingspunten overeen te komen met de locaties die zijn aangegeven op de indicatieve rioleringstekening in bijlage 1, behorende bij de beschikking.

Ingevolge het vierde lid van dit voorschrift, voor zover hier van belang, moet uiterlijk drie maanden voor de start van de lozing de definitieve rioleringstekening bij de hoofdingenieur-directeur worden ingediend met de exacte positionering van de lozingspunten en de bijbehorende meet- en bemonsteringspunten.

2.3.3. In het derde lid van vergunningvoorschrift 1 wordt voor wat de locaties van de lozingspunten betreft verwezen naar de indicatieve rioleringstekening in bijlage 1 bij het bestreden besluit. Op deze tekening staan evenwel geen lozingspunten vermeld, zodat onduidelijk is op welke locaties de lozing van koelwater en de lozing van overig afvalwater dienen plaats te vinden.

De Afdeling overweegt voorts dat de in het vierde lid van vergunningvoorschrift 1 bedoelde, na het nemen van het bestreden besluit in te leveren definitieve rioleringstekening met de exacte positionering van de lozingspunten, anders dan bijvoorbeeld een bij de aanvraag gevoegde tekening, geen deel kan uitmaken van de vergunning.

Gezien het vorenstaande heeft de staatssecretaris een vergunning verleend voor het lozen van afvalwater waarbij onduidelijk is waar de lozingspunten zich bevinden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, welk beginsel vereist dat uit een vergunning duidelijk blijkt welke de daaruit voortvloeiende rechten en plichten van de vergunninghoudster zijn. De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Nu het bestreden besluit reeds vanwege het vorenstaande dient te worden vernietigd voor zover daarbij een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wvo is verleend, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 23 juli 2007, kenmerk DNN 2007/2975, voor zover daarbij een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wvo is verleend;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij de stichting Stichting Greenpeace Nederland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 672,98 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en achtennegentig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan de stichting Stichting Greenpeace Nederland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan de stichting Stichting Greenpeace Nederland het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008

288.