Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE9257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
200804962/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2007 heeft de gemeenteraad van Bladel (hierna: de raad), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 juli 2007, het bestemmingsplan "De Bucht, Casteren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804962/2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007 heeft de gemeenteraad van Bladel (hierna: de raad), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 juli 2007, het bestemmingsplan "De Bucht, Casteren" vastgesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) heeft bij besluit van 13 mei 2008, kenmerk 1339067/1409927, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoekers] tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 augustus 2008, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door [appellant A], zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting verschenen de raad, vertegenwoordigd door C.E.J.M. van Hintum en C. van Hemert, werkzaam bij de gemeente Bladel, en [partijen].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van acht woningen op een perceel plaatselijk bekend als De Bucht. Het plangebied ligt in de kernrandzone aan de noordzijde van Casteren. Vier van de woningen zullen worden gerealiseerd in het kader van de Ruimte-voor-ruimte-regeling.

2.3. [verzoekers], die wonen in de directe omgeving van het plangebied aan De Bucht en Kranenberg, voeren aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij beogen met hun verzoek te voorkomen dat de daadwerkelijke bouwactiviteiten binnenkort beginnen. Zij wijzen er in dit verband op dat inmiddels is gestart met de verkoop van de geprojecteerde woningen. Verder voeren zij aan, samengevat weergegeven, dat onduidelijk is onder welke regeling de overige vier woningen vallen, dat de kavels voor de woningen niet ruim genoeg zijn, dat niet aan de voorwaarde van staken van intensieve veehouderij wordt voldaan en de beoogde milieuwinst daarmee minimaal zal zijn, dat de nokhoogte van de te bouwen woningen te hoog is, dat de waterhuishouding in het gebied zal wijzigen waardoor zij verzakkingen van hun woningen vrezen, dat de beoogde kwaliteitsverbeteringen niet zullen worden gerealiseerd en dat de financiële belangen van de projectontwikkelaar uitvoering van de Ruimte-voor-ruimte-regeling in de weg staan.

2.4. Het college en de raad hechten belang aan spoedige realisering van de woningen. De raad heeft erop gewezen dat twee woningen inmiddels zijn verkocht en op twee andere woningen een optie is genomen. Ter zitting is van de kant van de raad toegelicht dat geen beletselen bestaan voor een spoedige uitvoering van het plan en dat alles klaar ligt om de benodigde bouwvergunningen te verlenen. Ter zitting is door een van de grondeigenaren/initiatiefnemers benadrukt dat zij al veel kosten, onder meer samenhangend met bouwrijp maken van de gronden, hebben moeten maken, en dat ook de grondeigenaren belang hebben bij spoedige realisering van de woningen.

2.5. Het college heeft toegelicht dat de bouw van de vier halfvrijstaande woningen niet op een specifieke regeling is gebaseerd. Het college stelt zich, samengevat weergegeven, op het standpunt dat vier woningen in het kader van de Ruimte-voor-ruimte-regeling worden gerealiseerd en de overige vier halfvrijstaande woningen passen binnen het gemeentelijk ruimtelijk beleid, mede gezien de omvang van het plan passen binnen het streekplan-uitwerkingsplan en vanuit stedenbouwkundig oogpunt ruimtelijk inpasbaar zijn, op grond waarvan het college het plan vanuit provinciaal planologisch oogpunt aanvaardbaar acht.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de kavels waarop de vier Ruimte-voor-ruimte-woningen staan elk een oppervlakte van nagenoeg 1000 m2 hebben en dat van strijdigheid met de Ruimte-voor-ruimte-regeling niet is gebleken. De overige vier woningen vallen onder het reguliere bouwregime. De voorzitter heeft op voorhand geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Gelet hierop en nu [verzoekers] niet nader hebben aangegeven in welk opzicht de kavels niet ruim genoeg zouden zijn, ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] naar voren hebben gebracht op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij is beëindigd en de stallen zijn gesloopt. Dit wordt door [verzoekers] op zichzelf niet betwist. Zij wijzen er echter op dat niet alle bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en dat nu ter plaatse paarden worden gehouden. Ter zitting is van de kant van de raad onder meer toegelicht dat op beperkte schaal paarden worden gehouden, maar dat zeker geen sprake meer is of sprake zal zijn van intensieve veehouderij. Gelet op de stukken en de toelichting ter zitting is de Voorzitter van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een verbetering van de milieuhygiënische situatie sprake is.

Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder d en e, van de planvoorschriften mag de goothoogte en de (nok)hoogte niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Op de plankaart is een goothoogte van 4,5 en een (nok)hoogte van 9 meter aangeven. [verzoekers] brengen op zichzelf terecht naar voren dat dit 1 à 2 meter hoger is dan de goot- en nokhoogten van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Blijkens de plantoelichting en zoals ter zitting van de kant van de raad toegelicht, beoogt het college de dakvormen zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de in de directe omgeving gebruikelijke dakvormen, te weten zadeldaken met een schuine kap met een dakhelling tussen de 40° en 55°. Onder deze omstandigheden heeft de Voorzitter niet de verwachting dat de beroepsgrond van [verzoekers] over de ten opzichte van hun woningen afwijkende goot- en nokhoogte in de bodemprocedure zal slagen.

Met betrekking tot de door [verzoekers] gevreesde wateroverlast stelt de Voorzitter vast dat door het Waterschap de Dommel een positief advies is uitgebracht ten aanzien van de waterparagraaf uit het plan en dat tevens een privaatrechtelijke realisatieovereenkomst is afgesloten tussen de gemeente en de particuliere ontwikkelaars om te garanderen dat de benodigde waterhuishoudkundige maatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. [verzoekers] hebben gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat het college aan hun vrees voor een slechte afwatering doorslaggevend belang diende te hechten en op grond daarvan van goedkeuring van het plan diende af te zien.

De Voorzitter heeft voorts niet de verwachting dat door de Afdeling in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het college in hetgeen [verzoekers] verder in beroep hebben aangevoerd, aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de belangen die zijn gemoeid met woningbouw in dit geval doorslaggevend gewicht wordt toegekend. Evenmin ziet de Voorzitter in hetgeen [verzoekers] naar voren hebben gebracht op voorhand aanleiding voor het oordeel dat het college anderszins onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld door goedkeuring aan het plan te verlenen.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2008

204.