Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200801442/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna ook: het college) het door [appellant] ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 106 met annotatie van G.M. van den Broek
JOM 2008/724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801442/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna ook: het college) het door [appellant] ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 21 december 2007, beroep ingesteld. De rechtbank Haarlem heeft deze brief ter verdere behandeling doorgezonden aan de Afdeling, waar zij op 27 februari 2008 is ingekomen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2008, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. dr. G.L.J.J. Keulers, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal en M.J. Nijssen, werkzaam bij de provincie Noord-Holland, en J.P. Zijp, ambtenaar van politie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 14 februari 2001, kenmerk 2001-5318, heeft het college beslist jegens [partij] bestuursdwang toe te passen ter zake van het zonder milieuvergunning opslaan van meer dan 50 m3 bedrijfsafvalstoffen op percelen ten noorden van diens inrichting aan de [locatie 1] en aan de [locatie 2] te [plaats]. Aangezegd is dat, indien [partij] niet binnen drie maanden na verzending van dit besluit alle op deze percelen aanwezige afvalstoffen afvoerde naar een daartoe bevoegde be- of verwerkingsinrichting, alsmede alle materialen ten behoeve van de opslag, overslag en bewerking van afvalstoffen verwijderde, het college zou overgaan tot het afvoeren van de aanwezige afvalstoffen en materialen op kosten van [partij].

Bij besluit van 4 september 2001, voor zover hier van belang, heeft het college het door [partij] tegen het besluit van 14 februari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering en met herstel van enkele onjuistheden.

Vanaf 28 januari 2002 is uitvoering gegeven aan onder meer het besluit van 14 februari 2001.

2.2. Bij brief van 16 juni 2007 heeft [appellant] het college verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door vorenbedoelde toepassing van bestuursdwang, die volgens hem in strijd met het recht was. [appellant] stelt dat, zonder dat hij hiervoor was gewaarschuwd, ook hem in eigendom toebehorende goederen die op percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] stonden gestald, zijn geruimd.

2.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0578/Q1 (JB 1997/118 en AB 1997, 229), is de bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

Indien het beroep is gericht tegen een besluit op bezwaar van een bestuursorgaan, is de bestuursrechter wel bevoegd van het beroep kennis te nemen, maar is het bezwaar slechts ontvankelijk indien tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf ook bezwaar en beroep open stond.

2.4. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij zijn verzoek van 16 juli 2007 aan het college om een schadebesluit af te geven heeft gebaseerd op een besluit van 22 januari 2002 tot toepassing van bestuursdwang. Hij stelt daartegen ook bezwaar te hebben aangetekend en een verzoek om voorlopige voorziening te hebben gedaan, ten aanzien waarvan de voorzitter zich echter ten onrechte onbevoegd heeft verklaard.

2.4.1. Bij brief van 18 januari 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [partij] meegedeeld dat vanaf 28 januari 2002 uitvoering zal worden gegeven aan het tot [partij] gerichte bestuursdwangbesluit van dit college van 14 februari 2001.

Bij brief van 22 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder aan [partij] meegedeeld dat vanaf 28 januari 2002 uitvoering zal worden gegeven aan het tot [partij] gerichte bestuursdwangbesluit van dit college van 21 februari 2001.

Deze brieven houden verband met een gecoördineerd optreden van onder meer het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland en het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

Nu [appellant] bij brief van 16 juli 2007 het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft verzocht een schadebesluit af te geven, moet het ervoor worden gehouden dat [appellant] met zijn betoog ter zitting doelt op de brief van 18 januari 2002.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een beslissing tot toepassing van bestuursdwang en de tenuitvoerlegging daarvan.

Bij een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt onder aanzegging van bestuursdwang omschreven welke maatregelen moeten worden genomen om de tenuitvoerlegging te voorkomen. De schriftelijke beslissing tot toepassing van bestuursdwang is ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Awb een beschikking en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De tenuitvoerlegging van bestuursdwang betreft het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang, dat wil zeggen: het daadwerkelijk door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Aangezien de tenuitvoerlegging feitelijk handelen betreft, kan deze niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De brieven van de colleges van 18 en 22 januari 2001 betreffen niet de schriftelijke beslissing om bestuursdwang toe te passen, die immers reeds in de bestuursdwangbesluiten van 14 en 21 februari 2001 was vervat, maar de mededeling dat tot tenuitvoerlegging van deze bestuursdwangbesluiten wordt overgegaan. Zoals de voorzitter in zijn uitspraak van 25 januari 2002 in zaak nr. 200200481/2 heeft overwogen, kunnen de brieven van 18 en 22 januari 2002 dan ook niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Voor zover [appellant] betoogt dat hij zijn verzoek van 16 juli 2007 heeft gebaseerd op de brief van het college van 18 januari 2002, betreft de gestelde schadeoorzaak dan ook de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit van 14 januari 2001.

Nu het verzoek van 16 juli 2007 ook voor het overige uitsluitend betrekking heeft op schade die [appellant] stelt te hebben geleden door de feitelijke ontruiming, betreft de gestelde schadeoorzaak alleen de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit van 14 februari 2001.

Gelet hierop moet het verzoek worden aangemerkt als een claim ter zake van feitelijk handelen door de provincie. Hierover kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Tegen het besluit van 23 augustus 2007 tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding stond geen bezwaar en beroep open, zodat het college het daartegen gerichte bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

271-489.