Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200708191/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het verbouwen van een kantoor/woning tot appartementen met parkeergelegenheid op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708191/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4350 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2007 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het verbouwen van een kantoor/woning tot appartementen met parkeergelegenheid op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2007, verzonden op 16 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 september 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 december 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het verbouwen van een kantoor/woning tot appartementen met parkeergelegenheid, losstaande garages en bergingen.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Pastoor van Thiellaan-Hintham" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Gemengde doeleinden".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder bouwvlak verstaan: een op de plankaart als zodanig aangegeven oppervlak, waarbinnen volgens dit plan het bij de bestemming behorende hoofdbouwwerk is toegestaan.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder erf verstaan: de grond deel uitmakende van een bouwperceel, behorende bij één woning, waarop geen hoofdgebouw is of mag worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4.1.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig bestemde gronden bestemd voor kantoren, wonen, lichte ambachtelijke bedrijvigheid alsmede voor aan huis gebonden beroepen en (gebouwde) parkeervoorzieningen ten behoeve van de bovengenoemde doeleinden.

Ingevolge artikel 4.2, onder a, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge artikel 4.2, onder b, van de planvoorschriften, in samenhang bezien met de plankaart, geldt voor het bouwvlak een maximum bebouwingspercentage van 100.

Ingevolge artikel 4.3 van de planvoorschriften is, voor zover de bestemming met wonen wordt ingevuld, de erfbebouwingsregeling van artikel 3 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op het erf worden opgericht bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- of uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen, ten behoeve van woondoeleinden in ruime zin, waaronder begrepen aan huis gebonden beroepen.

2.3. Vast staat dat de appartementen in overeenstemming met het bestemmingsplan geheel binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak zijn voorzien.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een vergunning van rechtswege is verleend. Het college voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het realiseren van de garages en bergingen in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Volgens het college mogen bijgebouwen op grond van artikel 3.3 van de planvoorschriften uitsluitend worden opgericht op een erf als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften. De gronden waarop de garages en de bergingen zijn voorzien, zijn niet aan te merken als erf in de zin van artikel 1 van de planvoorschriften, aldus het college.

2.4.1. Ten aanzien van gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden" is in artikel 4 expliciet bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak mogen worden opgericht. Ten aanzien van de situering van bijgebouwen bevat artikel 4 geen voorschriften. Wel is in artikel 4.3 van de planvoorschriften de erfbebouwingsregeling van artikel 3 van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat bijgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht op het erf. In dat artikel is immers slechts bepaald dat op het erf bijgebouwen mogen worden opgericht. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat uit de planvoorschriften niet kan worden afgeleid dat bijgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht op gronden die zijn aan te merken als erf in de zin van artikel 1 van de planvoorschriften. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Het betoog faalt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 675,48 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en achtenveertig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente 's-Hertogenbosch aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van de gemeente 's-Hertogenbosch een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Krol

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

494.