Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200702782/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2007, nummer 2007REG000240i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Bilt (hierna: de raad) bij besluit van 7 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 123 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2008/979
O&A 2008, 105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702782/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en andere,

4. de stichting Stichting Tegen Bedrijventerrein MOB/Larenstein, gevestigd te De Bilt,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007, nummer 2007REG000240i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Bilt (hierna: de raad) bij besluit van 7 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, [appellant sub 3] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2007, en de stichting Stichting Tegen Bedrijventerrein MOB/Larenstein (hierna: de Stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 18 mei 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en andere en [appellant sub 2] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 3] en andere en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2008, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert, [appellant sub 2], de Stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], en [bestuurslid], en het college, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterkamp, werkzaam bij Bügelhajema Adviseurs, A. van Breda, ambtenaar in dienst van de gemeente, en ing. A.B. Quaak, werkzaam bij Quadraat Infraprojecten B.V..

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is vastgesteld op grond van artikel 30 van de WRO en voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein op het zogenaamde MOB-terrein (mobilisatiecomplex van het ministerie van Defensie) en het voormalige sportpark Larenstein, teneinde met name de verplaatsing van bedrijven uit de kernen mogelijk te maken.

De raad heeft het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein" op 19 februari 2004 vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 28 september 2004 goedgekeurd.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 5 oktober 2005, in zaak nummer 200409240/1, het goedkeuringsbesluit gedeeltelijk vernietigd onder meer vanwege het ontbreken van een onderzoek naar de luchtkwaliteit en het ontbreken van waarborgen in het plan tegen de mogelijkheid grootschalige bedrijfsbebouwing op te richten. Voorts heeft de Afdeling, gelet op de samenhang tussen de plandelen, zelf voorziend goedkeuring onthouden aan de plandelen met de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Groenvoorzieningen (G)".

2.3. Uit artikel 30, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, volgt dat de raad, indien door de Afdeling zelf voorziend geheel of gedeeltelijk goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, een nieuw plan vaststelt waarbij de uitspraak van de Afdeling in acht wordt genomen. Voor het college bestaat in beginsel geen grond aan het plan goedkeuring te onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het plan het eerdere oordeel van de Afdeling in acht heeft genomen. Dit zou anders kunnen zijn indien en voor zover de feiten en omstandigheden sedert het eerdere oordeel van de Afdeling zodanig zijn gewijzigd dat aan de uitspraak geen betekenis meer kan worden toegekend.

Verkeer

2.4. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en andere en de Stichting stellen zich op het standpunt dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. [appellant sub 2] stelt hiertoe dat de bestaande infrastructuur het verkeersaanbod na realisering van het plan niet zal kunnen verwerken omdat het onzeker is of de geplande rotonde zal worden gerealiseerd, nu deze niet in het plan is opgenomen. [appellant sub 3] en andere en de Stichting brengen naar voren dat de door het gemeentebestuur voorziene verkeerstoename te laag is geschat. De Stichting voert hierbij nog aan dat de vestiging van verschillende soorten autobedrijven zal zorgen voor een groter aantal verkeersbewegingen dan waarmee rekening is gehouden. Tevens betwisten [appellant sub 3] en andere, de Stichting en [appellant sub 1] de in de onderzoeken gebruikte verkeersintensiteiten.

2.4.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat de realisering van de rotonde wenselijk is voor een goede afhandeling van het verkeer op het kruispunt Groenekanseweg - Biltse Rading. Deze locatie is echter geen kruispunt waar dusdanig veel letselongevallen gebeuren dat een bijzondere noodzaak bestaat voor een aanpassing van dit kruispunt. De gebruikte verkeersgegevens zijn gebaseerd op een speciaal ten behoeve van dit plan verrichte verkeersstudie, aldus het college.

2.4.2. Op pagina 3 van het rapport "Toekomstige verkeersproductie werkgelegenheidslocatie Larenstein" van Goudappel Coffeng van 4 december 2003 zijn de verkeerstellingen uit 2003 vermeld. De verkeersintensiteiten waren ter plaatse van de Biltse Rading 12.434 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm), ter plaatse van de Groenekanseweg richting Groenekan 5.690 mvt/etm en ter plaatse van de Groenekanseweg richting De Bilt 14.766 mvt/etm.

In het deskundigenbericht zijn op pagina 7 de uitkomsten vermeld van de verkeerstellingen die in 2007 zijn verricht. De verkeersintensiteiten volgens deze tellingen waren ter plaatse van de Biltse Rading 12.151 mvt/etm, ter plaatse van de Groenekanseweg richting Groenekan 3.710 mvt/etm en ter plaatse van de Groenekanseweg richting De Bilt 14.250 mvt/etm.

2.4.2.1. De Afdeling stelt vast dat de verkeersintensiteiten uit 2003 zijn gebaseerd op metingen. De verkeersintensiteiten uit 2003 zijn gebruikt als schatting voor de toekomstige verkeersintensiteit. De metingen uit 2007 geven geen aanleiding voor het oordeel dat de toekomstige verkeersintensiteiten niet juist zijn geschat. Door gebruik te maken van de verkeersintensiteiten uit 2003 ontstaat derhalve geen onderschatting van de te verwachten verkeersintensiteit. Het college heeft bij het bestreden besluit dan ook in redelijkheid kunnen uitgaan van de verkeersintensiteiten uit 2003.

2.4.3. Op pagina 21 van de plantoelichting is vermeld dat het merendeel van de bedrijven behoort tot de sector auto- en bouwbedrijven.

In het rapport "Toekomstige verkeersproductie werkgelegenheidslocatie Larenstein" van 4 december 2003 is vermeld dat de vestigingskandidaten te verdelen zijn in twee categorieën, te weten autoshowrooms en autoschadebedrijven, en overige bedrijvigheid. Per groep is het bruto vloeroppervlak bepaald. Met behulp van kengetallen is vervolgens de verkeersproductie per groep en daarna van het bedrijventerrein als geheel bepaald. Voorts is in dit rapport vermeld dat de extra verkeersproductie van het bedrijventerrein ongeveer 2.320 mvt/etm is. Hiervan zijn ruim 1000 verkeersbewegingen toe te rekenen aan de autobedrijven.

De Afdeling stelt vast dat bij de berekening van de extra verkeersproductie rekening is gehouden met een relatief groot aandeel van zich op het bedrijventerrein te vestigen autobedrijven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 3] en andere en de Stichting niet aannemelijk hebben gemaakt dat het college bij het bestreden besluit niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan.

2.4.4. Het kruispunt waarop de rotonde is gepland ligt ten zuiden van het plangebied. In de notitie "Beoordeling verkeersafwikkeling rotonde Larenstein" van Grontmij Nederland b.v. van 17 juni 2005 is vermeld dat de invloed van het bedrijventerrein op de verkeersafwikkeling beperkt is en slechts een klein aandeel vormt in de toekomstige verkeersintensiteit. Voorts is hierin vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat voor de verkeerssituatie in het jaar 2020 een verkeersregelinstallatie of een rotonde nodig is. De raad heeft ter zitting bevestigd dat de plannen voor een rotonde niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van het bedrijventerrein en dat het bedrijventerrein een geringe extra groei tot gevolg heeft. Voorts heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat de rotonde nog niet is gerealiseerd omdat pas kan worden begonnen met de ontwikkeling van de rotonde wanneer de planprocedure is afgerond en de erfdienstbaarheden zijn afgekocht.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande infrastructuur ook zonder rotonde het verkeersaanbod vanwege het bedrijventerrein kan verwerken en dat, anders dan [appellant sub 2] stelt, de rotonde vanuit het oogpunt van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer wel wenselijk is, maar niet noodzakelijk. Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat de rotonde in het kader van het aanleggen van het bedrijventerrein zal worden gerealiseerd.

Luchtkwaliteit

2.5. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en andere voeren aan dat het plan niet voldoet aan het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). [appellant sub 1] stelt dat bij het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de industriële werkzaamheden. [appellant sub 2] brengt naar voren dat de uitgevoerde onderzoeken niet voldoende duidelijk maken hoe de positieve uitkomsten voor de jaren 2010 en 2015 tot stand zijn gekomen. Hij wijst hierbij op de overschrijding van de normen in 2005 en betwijfelt de uitgangspunten van de gebruikte modellen. Voorts betwijfelen [appellant sub 3] en andere en [appellant sub 1] de algehele betrouwbaarheid van de onderzoeken. Hierbij wijzen zij op het rapport 'Milieuonderzoek/luchtkwaliteit bedrijvenpark Larenstein De Bilt' van DHV B.V. van 24 oktober 2006. De Stichting brengt nog naar voren dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het verdwijnen van 600 bomen.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het luchtkwaliteitrapport blijkt dat aan het Blk 2005 wordt voldaan. Hierbij brengt het college naar voren dat voor het onderzoek gebruik is gemaakt van een algemeen aanvaarde berekeningsmethode. Voorts stelt het college dat de invloed van de bedrijfsactiviteiten op de luchtkwaliteit verwaarloosbaar klein is. Het plan is op dit punt vastgesteld met inachtneming van de genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005, aldus het college.

2.5.2. Over de betogen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting met betrekking tot de gebruikte modellen zelf, overweegt de Afdeling dat modellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de werkelijkheid zijn. De validiteit van een model wordt aangetast indien de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid. In hetgeen door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting naar voren is gebracht en in hetgeen in het rapport 'Milieuonderzoek/luchtkwaliteit bedrijvenpark Larenstein De Bilt' van DHV B.V. van 24 oktober 2006 is vermeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat die situatie zich in dit geval voordoet.

2.5.3. Over de uitstoot van de te vestigen bedrijven zelf overweegt de Afdeling het volgende. Uit de notitie "Luchtkwaliteit Larenstein" van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht van 12 mei 2006 blijkt dat is onderzocht wat de te verwachten uitstoot is van de te vestigen bedrijven. Voorts blijkt uit deze notitie dat deze uitstoot niet leidt tot een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het betoog van [appellant sub 1] dat geen onderzoek is gedaan naar de te verwachten uitstoot van de bedrijvigheid mist feitelijke grondslag.

2.5.4. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de rijksweg A27 op ongeveer twee kilometer afstand van het plangebied ligt. Door deze afstand tussen de A27 en het plangebied wordt de emissie van de A27 in de achtergrondconcentratie meegenomen en hoeft deze emissie niet apart te worden meegenomen in het luchtkwaliteitonderzoek. Voorts overweegt de Afdeling dat uit de "Toelichting Luchtkwaliteitsonderzoek industrieterrein Larenstein, gemeente De Bilt" van KEMA van 6 november 2007 blijkt dat voor de berekeningen gebruik is gemaakt van de achtergrondwaarden die zijn aangeleverd en goedgekeurd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Milieu- en Natuurplanbureau. Gelet hierop en op het feit dat, zoals onder 2.4.2.1. reeds is overwogen, de gebruikte verkeersintensiteiten voldoende representatief zijn, kan het betoog van [appellant sub 2] dat de uitgangspunten van het onderzoek onduidelijk en onzeker zijn, niet slagen.

Over de uitgangspunten heeft de Stichting nog naar voren gebracht dat in het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het verdwijnen van ongeveer 600 bomen binnen het plangebied. Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld ten aanzien van het gebruikte verspreidingsmodel, is de Afdeling van oordeel dat voor het luchtkwaliteitonderzoek het juiste gebiedstype is gekozen. Voorts is bij het bepalen van de ruwheidslengte uitgegaan van een vrij gesloten gebied met veel bebouwing. Gelet hierop is het college er terecht van uitgegaan dat in het luchtkwaliteitonderzoek rekening is gehouden met het verdwijnen van deze hoeveelheid bomen.

2.5.5. Het college heeft aan het bestreden besluit een luchtkwaliteitonderzoek ten grondslag gelegd dat is uitgevoerd door KEMA Nederland B.V.. Het betreft een onderzoek naar de luchtkwaliteit in de omgeving van het te ontwikkelen bedrijvenpark Larenstein in De Bilt. Het verslag van dit onderzoek is neergelegd in het rapport van 9 maart 2006, (hierna: het luchtkwaliteitrapport).

Uit het luchtkwaliteitrapport blijkt dat in de jaren 2010 en 2015 de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden. Tevens blijkt uit het luchtkwaliteitrapport dat in die jaren aan de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) wordt voldaan. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aan de grenswaarden van het Blk 2005 kan worden voldaan. Hieruit volgt dat het college zijn besluit op dit punt met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005 heeft genomen.

2.5.6. De conclusie is dat het college zich bij het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het luchtkwaliteitrapport.

Geluidhinder

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat voor de berekening van de verkeersintensiteiten ten onrechte het weekdaggemiddelde is gebruikt in plaats van het werkdaggemiddelde. Hierdoor is het plan ten onrechte niet aangemerkt als een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Voorts stelt [appellant sub 1] dat langs enkele wegen in de huidige situatie al de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden.

2.6.1. Ingevolge artikel 1 van de Wgh, voor zover hier van belang, is een reconstructie van een weg één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd.

2.6.2. In de toelichting van het ten tijde van het akoestisch onderzoek van kracht zijnde Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 is bij artikel 1 vermeld dat het akoestisch onderzoek zich richt op het maatgevende jaar en op een periode die in akoestische zin voor het gehele jaar representatief is. Indien de ene dag ten aanzien van verkeersintensiteiten en verkeerssamenstelling niet significant verschilt van een andere dag, behoeft het representatieve tijdvak niet langer dan een dag te zijn. Daar waar periodieke verschijnselen optreden met betrekking tot het verkeersbeeld, moeten langere tijdvakken worden beschouwd. Hierbij is als voorbeeld gegeven dat indien sprake is van een wisselend verkeersbeeld over de verschillende dagen van de week, zal dienen te worden uitgegaan van een weekdaggemiddelde.

2.6.3. In het "Akoestisch onderzoek bedrijvenpark Larenstein" van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht is op pagina 3 vermeld dat bij het onderzoek is uitgegaan van weekdaggemiddelden. Uit tabel 5 op pagina 5 blijkt dat de verkeerstoename op de bestaande wegen vanwege het bedrijventerrein een toename van de geluidsbelasting tussen de 1,2 en 1,4 dB(A) veroorzaakt.

2.6.4. De verkeersdruk vanwege een bedrijventerrein op werkdagen verschilt van de verkeersdruk op dagen in het weekend. Dit betekent echter niet dat, zoals [appellant sub 1] stelt, het gemiddelde moet worden berekend van de verkeersintensiteiten op werkdagen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.2., moet in een dergelijke situatie het gemiddelde juist over een langere termijn worden berekend. Bij het akoestisch onderzoek is dan ook terecht gebruik gemaakt van de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit. Uit de uitkomsten van dit onderzoek, zoals hiervoor reeds vermeld, blijkt dat de aansluiting van het bedrijventerrein op de Groenekanseweg geen reconstructie in de zin van artikel 1 van de Wgh is.

De Afdeling is van oordeel dat het college bij het bestreden besluit in redelijkheid van het akoestisch onderzoek heeft kunnen uitgaan. Tevens heeft het college, gelet op het algemeen belang van de realisering van het bedrijventerrein, in redelijkheid de toename van de geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.

Bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)"

2.7. [appellant sub 2] stelt dat het plan in strijd is met het Regionaal Structuurplan 2005-2015 (hierna: RSP) omdat het bedrijventerrein daarin is aangemerkt als C-locatie. De in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemde soorten bedrijven zijn volgens hem niet allemaal op een C-locatie toegestaan. Voorts stellen [appellant sub 2] en de Stichting dat de kleinschaligheid van de bedrijfsbebouwing niet voldoende is gewaarborgd, te meer nu de beschrijving in hoofdlijnen niet meer in het plan is opgenomen. [appellant sub 3] en andere betogen dat ten onrechte geen distributie-planologisch onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de vestiging van een full-service tankstation. Tevens voeren zij aan dat de milieuzonering bij categorie 3B-bedrijven onvoldoende is gewaarborgd. De Stichting brengt nog naar voren dat het niet duidelijk is of op het bedrijventerrein transportbedrijven mogen worden gevestigd en dat via een vrijstellingsprocedure ten onrechte afwijking van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk is. Tevens voert de Stichting aan dat ten onrechte geen beperking in het plan is opgenomen die waarborgt dat slechts lokale bedrijven zich op het bedrijventerrein vestigen. Bovendien is volgens de Stichting het groepsrisico van het bedrijventerrein niet onderzocht.

2.7.1. Het college stelt dat het plan niet in strijd is met het RSP. Voorts acht het college een verstoring van het voorzieningenpatroon niet aannemelijk en daarom een distributie-planologisch onderzoek niet noodzakelijk. Tevens stelt het college zich op het standpunt dat aan de artikel 30 WRO-plicht is voldaan.

2.7.2. De beroepsgronden van [appellant sub 3] en andere en de Stichting die zijn gericht tegen de in het plan opgenomen vrijstellingsbepaling, de milieuzonering, het voorziene tankstation en het ontbreken van een voorschrift met betrekking tot het slechts toestaan van lokale bedrijven, betreffen aspecten van het plan die ongewijzigd zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein". Deze aspecten maken geen deel uit van hetgeen de raad naar aanleiding van het onthouden van goedkeuring aan het eerste bestemmingsplan moest aanpassen.

Nu niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden sedert de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005 zodanig zijn gewijzigd dat aan deze uitspraak geen betekenis meer kan worden toegekend, behoefde het college in deze door [appellant sub 3] en andere en de Stichting naar voren gebrachte beroepsgronden geen aanleiding te zien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.7.3. In het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein" was op de plankaart noch in de planvoorschriften voorzien in een maximale kavelomvang. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.2. is weliswaar aan alle plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" goedkeuring onthouden, echter uitsluitend omdat het plan er niet aan in de weg stond dat een bestemmingsvlak als één bouwperceel werd uitgegeven, waardoor niet was uitgesloten dat grootschalige bedrijfsbebouwing werd opgericht.

2.7.3.1. Op pagina 26 van de plantoelichting is vermeld dat Larenstein primair is bedoeld voor kleinschalige, lokale bedrijven. Daarbij heeft het begrip 'kleinschalig', mede vanwege de wens van een intensief ruimtegebruik, primair betrekking op de omvang van een kavel. Gezien het na te streven profiel […], de marktvraag en vanwege de beschikbare ruimte wordt in beginsel 4.000 m² als maximale kavelomvang vastgelegd. […] In de vraag naar ruimte voor kleinere bedrijven zal worden voorzien door het realiseren van een of meer bedrijfsverzamelgebouwen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Larenstein" is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 4, lid 2a, aanhef en onder 1, zoals dit ingevolge deze planherziening luidt en voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van gebouwen de bepaling dat per afzonderlijk bouwperceel de oppervlakte niet meer dan 4.000 m² mag bedragen.

2.7.3.2. De Afdeling stelt vast dat uit de plantoelichting blijkt dat het aspect van kleinschaligheid niet in de maat van de bebouwing wordt gezocht maar in de grootte van de kavels. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.7.3.1. is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximale oppervlakte van een bouwperceel zoals opgenomen in artikel 4 van de planvoorschriften, zoals dit ingevolge deze planherziening luidt, in combinatie met de omschrijving van het begrip 'bouwperceel' de beoogde kleinschaligheid bewerkstelligt. Het feit dat de beschrijving in hoofdlijnen is komen te vervallen, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat op dit punt het eerdere oordeel van de Afdeling niet in acht is genomen.

2.7.4. Op 21 december 2005 is het RSP door het algemeen bestuur van het Bestuur Regio Utrecht vastgesteld. De gemeente De Bilt maakt deel uit van dit samenwerkingsverband. In het RSP zijn bindende afspraken gemaakt over de gewenste ontwikkelingsrichting binnen het gebied van de betrokken gemeenten.

Op de plankaart van het RSP is het bedrijventerrein aangeduid als 'Werkgebied - bedrijven'. Op pagina 57 van het RSP is dit begrip als volgt gedefinieerd: "Monofunctioneel werkmilieu met industrie, (groot)handel en transport. Locaties/panden met minder dan 20% kantoorgebonden werkzaamheden. Grotere locaties zijn goed bereikbaar met auto, (H)OV en fiets."

2.7.4.1. Uit de plankaart in samenhang met de tekst van het RSP blijkt dat het bedrijventerrein is aangewezen voor industrie, (groot)handel en transport. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten vermelde categorieën binnen deze omschrijvingen passen. Het college heeft zich dan ook met recht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd is met het RSP.

2.7.5. Op pagina 56 van de plantoelichting is vermeld dat binnen het invloedsgebied van het spoor en eventuele risicobedrijven geen kwetsbare objecten liggen. Er behoeft dan ook geen nader onderzoek en geen nadere analyse van het groepsrisico te worden uitgevoerd.

2.7.5.1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a., van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), voor zover hier van belang, is het Bevi van toepassing op besluiten, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, met betrekking tot de bestemming van grond, voor zover die grond ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Bevi, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 10 van de WRO, op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, in acht.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m.a., gelezen in samenhang met het eerste lid van dat artikel, aanhef en onder a.1., moet onder een kwetsbaar object worden verstaan, woningen, niet zijnde verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare.

Uit artikel 13, eerste lid, volgt dat het bevoegd gezag bij een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in de toelichting op het besluit het groepsrisico moet vermelden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k., moet onder het groepsrisico worden verstaan, de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon ongeval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is.

2.7.5.2. De normering uit het Bevi geldt niet alleen voor plannen of besluiten krachtens de WRO die zien op de nieuwbouw of nieuwvestiging van kwetsbare objecten, maar ook voor dergelijke plannen of besluiten met betrekking tot een gebied waar reeds kwetsbare objecten aanwezig zijn. De woningen aan de Kometenlaan bevinden zich echter buiten het plangebied. Het Bevi biedt voor deze situatie geen regeling. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2007, in zaak nr. 200607218/1, dient in een situatie als de onderhavige in beginsel bij de normstelling van het Bevi te worden aangesloten. In deze situatie, waarin de kwetsbare objecten buiten het plangebied liggen, dient ten aanzien van het groepsrisico bij artikel 13, eerste lid, in onderlinge samenhang met artikel 5, eerste lid, van het Bevi te worden aangesloten.

De Afdeling stelt vast dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten geen inrichtingen in de zin van artikel 2 van het Bevi mogelijk maakt. Hieruit volgt dat buiten het plangebied geen groepsrisico bestaat en dat het college zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat een onderzoek naar het groepsrisico niet nodig is.

Economische uitvoerbaarheid

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat het onderzoek naar de baten en lasten van het plan ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen. Daarnaast stellen [appellant sub 2] en de Stichting dat in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid de te verwachten planschade en het afkopen van erfdienstbaarheden ten onrechte niet zijn meegenomen. Zij brengen naar voren dat de omstandigheden zijn gewijzigd omdat door de langdurige planprocedure al veel voorheen geïnteresseerde bedrijven geen interesse meer hebben.

2.8.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat de economische uitvoerbaarheid voldoende is verzekerd. Er heeft een actualisatie plaatsgevonden die in de plantoelichting is opgenomen. Voorts zullen alle kosten die samenhangen met zakelijke rechten op de gronden binnen het plangebied voor rekening komen van de Domeinen, aldus het college.

2.8.2. Over de beroepsgrond van [appellant sub 2] dat de exploitatieopzet ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen, terwijl dat wel nodig was om de economische uitvoerbaarheid te kunnen beoordelen, overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan niet met het ontwerp voor het plan ter inzage is gelegd. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid niet ter inzage is gelegd om te voorkomen dat de financiële belangen van de gemeente onevenredig zouden worden geschaad en dat uit de overige stukken die ter inzage hebben gelegen de economische uitvoerbaarheid genoegzaam is gebleken. De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat de overige stukken voldoende informatie geven om de economische uitvoerbaarheid te beoordelen en ziet in het niet ter inzage leggen van de exploitatieopzet dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.8.3. Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling het volgende. In de uitspraak van 5 oktober 2005, voornoemd, heeft de Afdeling overwogen dat uit de plantoelichting en het deskundigenbericht blijkt dat is berekend dat het plan bij volledige gronduitgifte een opbrengst van één miljoen euro zal genereren. Voorts heeft de Afdeling daarin overwogen dat de kosten die deels de waardevermindering van de percelen na bedrijfsverplaatsing moeten compenseren, zullen worden gedekt door het overschot van de exploitatie en door overige gemeentelijke middelen. De Afdeling kwam in die uitspraak tot de conclusie dat het college niet aan de economische uitvoerbaarheid van het plan behoefde te twijfelen en om die reden goedkeuring aan het plan had dienen te onthouden.

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat zich sedert die uitspraak geen wijzigingen van betekenis in de relevante feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Voor zover [appellant sub 2] en de Stichting ter zitting nog hebben aangevoerd dat het niet vaststaat dat voldoende belangstelling bestaat voor vestiging op het terrein en dat door de vertraging in de procedure wellicht verliezen zullen optreden, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting nogmaals heeft gesteld dat er genoeg kandidaten zijn voor vestiging op het terrein. Dit is door de projectontwikkelaar ter zitting bevestigd. [appellant sub 2] en de Stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gronden niet tegen gangbare prijzen kunnen worden uitgegeven.

2.8.4. Vaststaat dat in het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid de kosten voor het opheffen van de erfdienstbaarheden niet zijn meegenomen. De Afdeling overweegt hierover dat dit niet kan leiden tot het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is, reeds omdat deze kosten voor rekening van de Staat der Nederlanden komen.

Over het betoog van [appellant sub 2] en de Stichting dat in de planexploitatieopzet de vergoeding van de door hen verwachte planschade ten onrechte niet is meegenomen, overweegt de Afdeling als volgt.

In de exploitatieopzet van het plan is geen rekening gehouden met planschadevergoedingen. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 ligt het in de rede bij het onderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan aan mogelijke planschade aandacht te besteden, indien de planschade op voorhand is te voorzien. [appellant sub 2] en de Stichting hebben gesteld dat er planschade zal optreden. Daarbij hebben zij geen argumenten aangevoerd dat deze schade zich in de door hen gestelde omvang daadwerkelijk zal voordoen. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 2] en de Stichting geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is vastgesteld. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en de Stichting hebben aangevoerd ook overigens geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de economische uitvoerbaarheid van het plan.

2.8.5. De Afdeling komt tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende is aangetoond.

Overige beroepsgronden

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat realisatie van een groenstrook tussen de voorziene wegen en de uit te geven gronden onzeker is. Voorts voeren [appellant sub 2] en de Stichting aan dat ten onrechte geen parkeernorm in de voorschriften is opgenomen en dat de realisatie van een collectieve parkeervoorziening onzeker is. Voorts betoogt de Stichting dat een collectieve parkeervoorziening het uitzicht vanuit de woningen aan de Kometenlaan zal aantasten. De Stichting brengt nog naar voren dat de kap van bomen in strijd is met het uitgangspunt de waardevolle groenstructuur te behouden en dat op het bedrijventerrein een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur moet worden ingesteld. Verder betoogt de Stichting dat de bestemming "Woondoeleinden (W)" uit het plan moet worden gehaald, om te voorkomen dat de woningen ten westen van het plangebied in de toekomst als bedrijfswoning zullen worden aangemerkt.

2.9.1. De beroepsgronden van [appellant sub 2] en de Stichting die zijn gericht tegen het ontbreken van een aparte regeling voor de groenstrook tussen de voorziene bedrijven en de voorziene wegen, het ontbreken van een 30 km/uur-zone, de kap van bomen en de aantasting van het uitzicht door parkeervoorzieningen die het plan mogelijk tot gevolg heeft, betreffen aspecten van het plan die ongewijzigd zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Larenstein". De beroepsgrond die is gericht tegen de bestemming "Woondoeleinden (W)" betreft een onderdeel van het vorige plan dat geen deel uitmaakt van het onderhavige plan. Deze aspecten maken geen deel uit van hetgeen de raad naar aanleiding van het onthouden van goedkeuring aan het eerste bestemmingsplan moest aanpassen.

Nu niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden sedert de uitspraak van 5 oktober 2005 zodanig zijn gewijzigd dat aan deze uitspraak geen betekenis meer kan worden toegekend, zoals ook reeds onder 2.7.2. is overwogen, behoefde het college in deze door [appellant sub 3] en andere en de Stichting naar voren gebrachte beroepsgronden geen aanleiding te zien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.9.2. Blijkens de plantoelichting is ten aanzien van de parkeervoorzieningen in dit plan artikel 2.5.30 van de gemeentelijke Bouwverordening van toepassing. Daarin is bepaald dat bij gebouwen in voldoende mate ruimte aanwezig dient te zijn voor het parkeren van auto's. Voor de inhoud van deze norm is het uitgangspunt de brochure 'Parkeerkencijfers Basis voor parkeernormering' van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (CROW).

Ingevolge artikel 4, lid 1a, zoals dit ingevolge deze planherziening luidt en voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" aangegeven gronden bestemd voor bedrijven met de daarbij behorende, al dan niet gezamenlijke parkeervoorzieningen. Ingevolge lid 1c van dat artikel dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien op eigen terrein of in een gezamenlijke parkeervoorziening.

[appellant sub 2] en de Stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze regelingen in onvoldoende mate kunnen voorzien in de behoefte aan parkeergelegenheid, ook in het geval geen collectieve parkeervoorziening wordt gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Slotconclusie

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en andere en de Stichting hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en andere en de Stichting zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

177-545.