Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200708116/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V. (hierna: Blokker) bouwvergunning verleend voor het veranderen van winkelruimte op het perceel gelegen aan de Rijksweg Zuid 208 te Sittard (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708116/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/747 en 07/817 van de rechtbank Maastricht van 17 oktober 2007 in de gedingen tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ahold Vastgoed B.V., gevestigd te Zaandam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V., gevestigd te Laren,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V. (hierna: Blokker) bouwvergunning verleend voor het veranderen van winkelruimte op het perceel gelegen aan de Rijksweg Zuid 208 te Sittard (hierna: het pand).

Bij onderscheiden besluiten van 26 januari 2007 heeft het college de bij besluit van 21 september 2006 verleende bouwvergunning ingetrokken, Blokker onder oplegging van een dwangsom gelast de verbouwing van de winkelruimte te staken en gestaakt te houden, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ahold Vastgoed B.V. (hierna: Ahold) onder oplegging van een dwangsom gelast de verbouwing van de winkelruimte te staken en gestaakt te houden en Ahold onder oplegging van een dwangsom gelast geen aanvang te nemen met het beoogde toekomstig gebruik van de winkelruimte als supermarkt, dan wel, voor zover reeds aangevangen, dit gebruik te doen staken en gestaakt te houden.

Bij besluiten van 26 april 2007 heeft het college de door Blokker en Ahold daartegen gemaakte bezwaren deels gegrond en overigens ongegrond verklaard en de besluiten, gewijzigd, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 17 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door Blokker en Ahold daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 26 april 2007 vernietigd en de besluiten van 26 januari 2007 herroepen.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2007.

Ahold en Blokker hebben een verweerschrift ingediend.

Ahold heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en D.M. Crompvoets en L. Stevens, ambtenaren in dienst van de gemeente, Ahold, vertegenwoordigd door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam en F. Nicoll, en Blokker, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Blokker bij haar aanvraag om bouwvergunning geen onjuiste of onvolledige opgave als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet heeft gedaan.

2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend.

2.3. Blijkens vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie is onder een onjuiste of onvolledige opgave ook te verstaan de opgave waarbij de aanvrager geen melding maakt van hem bekende feiten of omstandigheden waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat zij voor het beslissende bestuursorgaan van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.

2.4. Blokker heeft een aanvraag gedaan voor een reguliere bouwvergunning ten behoeve van een gedeeltelijke verandering van het pand. Dit pand was tot voor kort meerdere jaren in gebruik als een "Blokker-Tuin". In de aanvraag is door Blokker als gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende terreinen na uitvoering van de werkzaamheden de functie "winkelruimte" opgegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel voor detailhandel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Driehoek Rijksweg Zuid, Spoorlijn Sittard-Heerlen, Middenweg" (hierna: het bestemmingsplan).

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, kan bij Blokker en Ahold bekend worden geacht dat het college zich op het standpunt stelde dat het bestaande retailbeleid van de gemeente Sittard-Geleen geen ruimte bood voor de vestiging van een Albert Heijn supermarkt in het pand. Door Ahold zijn in een eerder stadium gesprekken gevoerd met het college met betrekking tot de vestiging van een Albert Heijn supermarkt in deze omgeving. Daarbij is door het college te kennen gegeven dat het daaraan geen medewerking wilde verlenen.

Niet in geschil is dat tussen Blokker en Ahold voorafgaand aan de vergunningaanvraag overleg heeft plaatsgevonden waardoor Blokker ervan op de hoogte was dat bij Ahold belangstelling voor dit pand bestond.

Gelet op het vorenstaande heeft Blokker bij de aanvraag ten onrechte niet vermeld dat de reƫle mogelijkheid bestond dat het pand in gebruik zou worden genomen voor een supermarktvestiging van Albert Heijn. Daartoe bestond temeer aanleiding nu verwezenlijking van die mogelijkheid, naar haar bekend was, op bezwaren van de zijde van het college zou stuiten. Hoewel het college in de verhuizing van de voorheen in het pand gevestigde Blokker Tuin aanleiding had kunnen zien om nadere informatie over het voorgenomen gebruik van het pand te vragen, mocht het college uit de bouwaanvraag en daarbij behorende tekeningen begrijpen dat er geen verandering in de bestaande exploitatiewijze zou plaatsvinden, nu daarin wordt gesproken over "winkelruimte" en de bouwtekeningen niet evident maken dat bedoeld is een bouwvergunning voor een supermarkt aan te vragen. Het gebruik van het pand als supermarkt ligt niet in het verlengde van het gebruik zoals dat in het verleden plaatsvond. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen de voortzetting van het bestaande gebruik van het perceel te hebben willen toestaan, doch de vestiging van een supermarkt ter plaatse te willen uitsluiten, gelet op de planologische uitstraling van een supermarkt van een omvang als hier aan de orde.

Aldus moet worden geoordeeld dat sprake is van een onvolledige opgave als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Daarbij is voldoende aannemelijk geworden dat het college, indien een volledige opgave was gedaan, de bouwvergunning geweigerd zou hebben. Het college heeft in redelijkheid de op 21 september 2006 verleende bouwvergunning kunnen intrekken. De rechtbank heeft dit miskend.

Het betoog slaagt.

2.5. De Afdeling stelt gelet op het vorenstaande vast dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de verbouw en de ingebruikname van het pand ten behoeve van een supermarkt zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning en in strijd met het bestemmingsplan.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. Anders dan Blokker en Ahold hebben aangevoerd bestond ten tijde van de beslissingen op bezwaar geen concreet zicht op legalisatie. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen geen vrijstelling voor de verbouw en ingebruikname van het pand ten behoeve van een supermarkt te willen verlenen. Daarbij mocht het college vasthouden aan het in het bestemmingsplan neergelegde ruimtelijke beleid, dat ter plaatse geen detailhandel toestaat. Dat voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, naar gesteld, vrijstelling zou kunnen worden verleend om ter plaatse een supermarkt toe te staan, brengt, wat daar verder van zij, niet mee dat zodanige vrijstelling ook verleend zou moeten worden.

Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden ten aanzien van het bouwen zonder bouwvergunning en behoefde niet te volstaan met het opleggen van een last ten aanzien van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, nu op dat moment zonder twijfel werd gebouwd ten behoeve van de vestiging van een Albert Heijn supermarkt en Blokker, naar onbetwist is gesteld, geen toezegging wilde doen dat zij het pand niet ten behoeve van een supermarkt in gebruik zou (laten) nemen.

Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden zou hebben moeten afzien.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het beroep van Blokker tegen het besluit van 26 april 2007 gegrond is verklaard voor zover het college Blokker ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2007 met kenmerk 07/102988. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover Blokker daarbij alsnog niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen dat besluit en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 26 april 2007 en dat het door Blokker betaalde griffierecht door de gemeente Sittard-Geleen wordt vergoed. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling gelet op het vorenstaande de beroepen tegen de besluiten van 26 april 2007 voor het overige alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Nu door de vernietiging van de aangevallen uitspraak de besluiten van 26 januari 2007 en 26 april 2007 herleven en daarmee direct dwangsommen zouden worden verbeurd, ziet de Afdeling aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 oktober 2007 in zaken nrs. 07/747 en 07/817, behoudens voor zover daarbij het beroep van Blokker tegen het besluit van 26 april 2007 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd voor zover het college Blokker ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2007 met kenmerk 07/102988;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij Blokker alsnog niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2007 met kenmerk 07/102988 en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 26 april 2007 en dat het door Blokker betaalde griffierecht door de gemeente Sittard-Geleen wordt vergoed;

IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen voor het overige ongegrond;

V. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van 26 januari 2007 en 26 april 2007, voor zover daarbij lasten onder dwangsom zijn opgelegd, voor de duur van vier weken na de verzending van deze uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

444