Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200800599/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (hierna: het college) een op de bij het besluit gevoegde situatietekening met grijs aangegeven gedeelte van het in eigendom aan [appellante] toebehorende perceel aan de [locatie] te [plaats] aangewezen als gebied waar het verboden is honden in de buitenlucht aanwezig te hebben. Op het resterende terreingedeelte heeft het college toegestaan in de dag- en avondperiode (07.00 uur tot 23.00 uur) maximaal vijf honden buiten te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800599/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Surhuizum, gemeente Achtkarspelen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/1857 en 07/2322 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 12 december 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (hierna: het college) een op de bij het besluit gevoegde situatietekening met grijs aangegeven gedeelte van het in eigendom aan [appellante] toebehorende perceel aan de [locatie] te [plaats] aangewezen als gebied waar het verboden is honden in de buitenlucht aanwezig te hebben. Op het resterende terreingedeelte heeft het college toegestaan in de dag- en avondperiode (07.00 uur tot 23.00 uur) maximaal vijf honden buiten te hebben.

Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2007, verzonden op 18 december 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 augustus 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 februari 2008 hebben [partijen], die door de Afdeling op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid zijn gesteld als belanghebbende aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij besluit van 14 april 2008 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 april 2008 hebben [partijen] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 24 april 2008 heeft [appellante] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 23 juni 2008 heeft het college een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2008, waar [appellante] in persoon en bijgestaan door mr. J.M.E. Hamming, advocaat te Drachten, het college, vertegenwoordigd door mr. J.W. Kloppenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [partijen] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 2.4.20, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Achtkarspelen (hierna: APV) is het college bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

a. aanwezig te hebben; dan wel

b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel

c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

Ingevolge het tweede lid is het verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.

2.2. Het college heeft aan het - in bezwaar gehandhaafde - aanwijzingsbesluit van 19 april 2007 ten grondslag gelegd dat door [appellante] op haar perceel gehouden honden overlast als bedoeld in artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV veroorzaken. Het college is tot deze conclusie gekomen op grond van het in zijn opdracht door adviesbureau Stroop raadgevende ingenieurs BV verrichte onderzoek (hierna: het onderzoek).

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het onderzoek voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de honden van [appellante] overlast veroorzaken, maar heeft het besluit van 22 augustus 2007 vernietigd omdat naar zijn oordeel het college het aanwijzingsbesluit onvoldoende concreet en duidelijk heeft geformuleerd.

2.4. [appellante] betwist het oordeel van de voorzieningenrechter, dat het onderzoek voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat haar honden overlast veroorzaken. Zij voert aan dat bij het onderzoek ten onrechte is volstaan met één geluidsmeting en dat deze geluidsmeting niet representatief is voor het geluid dat door haar honden wordt veroorzaakt. Voorts voert zij aan dat de geluidsmeting, die niet onaangekondigd heeft plaats gevonden, wellicht is beïnvloed door haar buren en honden van derden. Zij stelt dat haar honden, Berner Sennenhonden, zeer weinig blaffen en dat om die reden in het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een effectieve blaftijd van tien minuten. Daarnaast heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat zij na het onderzoek een geluidwerende schutting heeft aangebracht. Ter ondersteuning van haar betoog heeft [appellante] een beoordeling van het onderzoek door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo te Assen (hierna: het tegenonderzoek) overgelegd.

2.4.1. Het onderzoek is verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. Bij het onderzoek is getoetst aan de toelaatbare waarden van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998 voor de woonomgeving "landelijke omgeving". De hantering van deze waarden bij de beoordeling of overlast als bedoeld in artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV zich voordoet, is naar het oordeel van de Afdeling niet onjuist. Anders dan in het tegenonderzoek wordt aangevoerd, bestond voor het college geen aanleiding in het onderzoek aan te sluiten bij de grenswaarden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, reeds omdat dit besluit eerst op 1 januari 2008 in werking is getreden.

Ten behoeve van het onderzoek is op 12 september 2006 het referentieniveau gemeten en is op 4 oktober 2006 een meting van het blafgeluid verricht. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd, is aan de conclusie dat de honden van [appellante] overlast veroorzaken, in hoofdzaak ten grondslag gelegd de overschrijding van de toelaatbare waarden door de gemeten geluidspieken. Volgens het onderzoek bedragen de overschrijdingen van de maximaal toelaatbare grenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode onderscheidenlijk 5 dB(A), 10 dB(A) en 15 dB(A).

Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het onderzoek voldoende representatief is en de conclusie rechtvaardigt dat de maximaal toelaatbare grenswaarden door de geluidspieken worden overschreden. De stelling dat het bij de meting op 4 oktober 2006 gemeten geluid niet enkel van de honden van [appellante] afkomstig zou zijn, heeft de voorzieningrechter terecht als niet aannemelijk aangemerkt. Blijkens het onderzoek is rekening gehouden met wisselende weersomstandigheden. Met de voorzieningenrechter wordt voorts geoordeeld dat niet valt in te zien waarom de gemeten geluidspieken door het hondengeblaf onder andere omstandigheden en op een ander tijdstip anders zouden hebben kunnen uitvallen.

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat zij na de geluidsmetingen een schutting heeft aangebracht waardoor het geluid van de honden wordt gedempt, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de geluidswerende functie van deze schutting verwaarloosbaar is.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot het in het onderzoek beoordeelde langetijdgemiddelde beoordelingsniveau verder geen bespreking.

2.4.2. Uit het bovenstaande volgt dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat het onderzoek voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de honden van [appellante] overlast veroorzaken. Voorts is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op deze overlast, het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid krachtens artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV, gebruik heeft kunnen maken. Dat [appellante] na het onderzoek heeft aangeboden haar honden 's avonds en 's nachts binnen te houden, doet aan deze conclusie niet af.

Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat het aanwijzingsbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, wordt overwogen dat het college zich, nu aan het aanwijzingsbesluit de opheffing van overlast voor omwonenden ten grondslag is gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze inmenging een legitiem doel dient als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, te weten de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Gelet op de beoordelingsmarge die lidstaten volgens de jurisprudentie van het Hof toekomt, heeft het zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat de inmenging tegemoetkomt aan een dringende maatschappelijke noodzaak en voldoet aan het vereiste van proportionaliteit. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het aanwijzingsbesluit een beperkte inmenging in het recht van [appellante] inhoudt, welke slechts ziet op een gedeelte van haar perceel en op het aantal buiten te hebben honden, welke beperkingen worden gerechtvaardigd door het voorkomen van overlast die de omwonenden ervaren van de honden van [appellante].

2.5. Het hoger beroep is ongegrond.

2.6. Bij besluit van 14 april 2008 heeft het college het bezwaar van [appellante] opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.7. Het betoog van [appellante] dat zij door dit besluit in een ongunstigere positie is gekomen dan waarin zij verkeerde ten tijde van het door de rechtbank vernietigde besluit van 22 augustus 2007, faalt. Bij het besluit van 14 april 2008 heeft het college het aanwijzingsbesluit van 19 april 2007 gehandhaafd. Voorts heeft het college vermeld dat het verbod om in het grijs aangegeven gebied honden te hebben strikt zal worden gehandhaafd en geen uitzondering zal worden gemaakt voor aangelijnde honden, en dat in het resterende gebied wordt vastgehouden aan de gelijktijdige aanwezigheid buiten van maximaal vijf honden. Nu het besluit van 14 april 2008 aldus slechts een verduidelijking vormt van het aanwijzingsbesluit en de aanwijzing als zodanig niet is gewijzigd, bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] door het instellen van beroep in een nadeliger positie is gekomen.

2.8. Ter motivering van het besluit om vast te houden aan de gelijktijdige aanwezigheid buiten van maximaal vijf honden in het resterende gebied, heeft het college verwezen naar een aanvullend onderzoek van adviesbureau Stroop van 31 januari 2008. Het college heeft zich op basis hiervan op het standpunt gesteld dat bij de gelijktijdige aanwezigheid buiten van vijf, naar de Afdeling ter zitting heeft begrepen, volwassen honden de maximaal toelaatbare grenswaarde overdag niet wordt overschreden en in de avondperiode zich slechts een geringe overschrijding van de maximaal toelaatbare grenswaarde voordoet. Het toelaten van meer honden zou volgens het college overlast voor de omwonenden opleveren.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit aanvullend onderzoek heeft mogen baseren en zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat alleen bij maximaal vijf honden het geluid blijft binnen de grenzen van wat aanvaardbaar is. De omstandigheid dat [appellante] inmiddels zeven honden houdt, behoefde voor het college daarom geen aanleiding te vormen om de gelijktijdige aanwezigheid van meer honden op het buitenterrein toe te staan.

2.9. [appellante] betoogt ten slotte tevergeefs dat het college bij het besluit van 14 april 2008 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de resultaten van het tegenonderzoek. In het tegenonderzoek worden de conclusies van het onderzoek weliswaar bestreden, maar het is niet gebaseerd op andere metingen. Nu de voorzieningenrechter - zoals uit het voorgaande volgt terecht - heeft geoordeeld dat het onderzoek voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de honden van [appellante] overlast veroorzaken, mocht het college het besluit hierop baseren.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 april 2008, kenmerk 0700862, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008.

176-512.