Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200707150/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een metaalbewerkingsbedrijf aan de [locatie] te [woonplaats]. Dit besluit is op 29 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 128 met annotatie van dr. mr. A.B. Blomberg
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707150/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een metaalbewerkingsbedrijf aan de [locatie] te [woonplaats]. Dit besluit is op 29 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en vergunninghoudster hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door R.P. Zboray, en het college, vertegenwoordigd door A. Lohuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van [appellanten]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 4 augustus 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door R.P. Zboray, en het college, vertegenwoordigd door A. Lohuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren aan dat de inrichting, anders dan het college en vergunninghoudster stellen, op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunningplichtig is, omdat de inrichting een gpbv-installatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer omvat. Zij verwijzen naar categorie 2.6 van bijlage I behorende bij de richtlijn 96/61/EG (hierna: de IPPC-richtlijn). Verder stellen [appellanten] dat voor de inrichting de vergunningplicht eveneens blijft gelden, omdat de inrichting behoort tot een of meerdere van de categorieën van inrichtingen die zijn vermeld in bijlage 1 behorende bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), te weten - zo begrijpt de Afdeling - categorieën g, t, u en v.

2.1.1. Op 1 januari 2008 zijn het Activiteitenbesluit en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden.

Door deze wetswijziging, voor zover hier van belang, vervalt de vergunningplicht voor inrichtingen waartoe geen gpbv-installatie behoort, voor zover de inrichting niet behoort tot de categorieën van inrichtingen die zijn vermeld op de lijst van vergunningplichtige inrichtingen die als bijlage 1 is opgenomen bij het Activiteitenbesluit.

2.1.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet onder een gpbv-installatie worden verstaan: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de IPPC-richtlijn.

2.1.3. In bijlage I behorende bij de IPPC-richtlijn zijn onder categorie 2.6 opgenomen: "Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt".

Anders dan [appellanten] betogen, kunnen de tunnels in de inrichting waarin materialen worden besproeid niet worden aangemerkt als behandelingsbaden in de zin van categorie 2.6, nog daargelaten de vraag of de besproeiing zou kunnen worden aangemerkt als een in die categorie bedoelde oppervlaktebehandeling door middel van een chemisch procédé. Naast de tunnels zijn in de inrichting ontvettingsbaden aanwezig. Ter zitting is gebleken dat de inhoud van deze baden, daargelaten de vraag of dit behandelingsbaden zijn in de zin van categorie 2.6, minder dan 30 m3 bedraagt.

De inrichting omvat in zoverre dan ook geen gpbv-installaties.

2.1.4. Categorie g, van bijlage 1 behorende bij het Activiteitenbesluit omvat, voor zover hier van belang, inrichtingen waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel worden verstookt. De inrichting behoort niet tot deze categorie aangezien de houtgestookte kachel die wordt gebruikt bij het testen van kachels een nominaal vermogen van minder dan 20 kilowatt heeft.

Categorie t omvat inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor. Deze werkzaamheden vinden niet plaats in de inrichting.

Categorie u, voor zover hier van belang, omvat inrichtingen voor het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen. De inrichting behoort niet tot deze categorie nu er geen gesteente, afkomstig uit kolenmijnen, wordt bewerkt of verwerkt.

Categorie v, voor zover hier van belang, omvat inrichtingen voor het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt. Het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak van de inrichting bedraagt minder dan 2.000 vierkante meter, zodat de inrichting niet tot deze categorie behoort.

2.1.5. De conclusie is dat, anders dan [appellanten] betogen, de inrichting geen gpbv-installatie als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I behorende bij de IPPC-richtlijn omvat en niet behoort tot een van de door [appellanten] genoemde categorieën van inrichtingen in bijlage 1 behorende bij het Activiteitenbesluit. Ook voor het overige is er geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte stelt dat voor de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten geen vergunning meer is vereist. Daarom is de bij dat besluit verleende vergunning vervallen.

Ingevolge artikel 6.1 van het Activiteitenbesluit worden voorschriften die zijn verbonden aan een vóór 1 januari 2008 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, die vóór die datum in werking en onherroepelijk was, onder omstandigheden als maatwerkvoorschriften aangemerkt. Omdat de bij het bestreden besluit verleende vergunning vóór 1 januari 2008 niet onherroepelijk was, zijn er geen voorschriften die worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

2.1.6. Anders dan [appellanten] stellen, volgt uit de omstandigheid dat het college op grond van het Activiteitenbesluit de bevoegdheid heeft tot het stellen van maatvoorschriften niet dat [appellanten] belang hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 1996 in zaak nr. H01.95.0230, AB 1996, 284) is de administratieve rechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen omtrent een geschil met betrekking tot een reeds genomen besluit. De Afdeling is niet geroepen tot beantwoording van rechtsvragen die zouden kunnen rijzen in een toekomstig geschil over een mogelijk besluit met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

2.1.7. Dat het college naar aanleiding van een verzoek van [appellanten] geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen ten aanzien van de inrichting, maakt evenmin dat [appellanten] belang hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het bestreden besluit heeft immers betrekking op het verlenen van een milieuvergunning en niet op een besluit op een verzoek om handhaving.

2.1.8. Ook overigens is niet gebleken dat [appellanten] niettemin belang hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit.

2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Beurmanjer-de Lange

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

241-492.