Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200708179/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 14 maart 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) de aanvraag van appellante (hierna: de stichting) om haar te erkennen als organisatie die belast kan worden met het bewindvoerderschap Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: Wsnp), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 1705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708179/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Advisering en Bewindvoering, gevestigd te Berkel en Rodenrijs,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2007 in zaak nr. 06/3924 in het geding tussen:

appellante

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Op 14 maart 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) de aanvraag van appellante (hierna: de stichting) om haar te erkennen als organisatie die belast kan worden met het bewindvoerderschap Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: Wsnp), afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft de raad het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2007, verzonden op 12 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2007, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [voorzitter] en haar [secretaris], is verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling bij brief van 29 mei 2008 met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek heropend.

De raad en de stichting hebben nadere stukken ingediend.

Hernieuwde behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door evengenoemde personen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A.M. Fischer-Appels, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 48c, eerste lid, van de Wet Justitie-subsidies kan de minister van Justitie (hierna: de minister) subsidie verstrekken ten behoeve van:

a. het optreden als bewindvoerder als bedoeld in artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet;

b. activiteiten ter ondersteuning van bewindvoerders.

Ingevolge artikel 48d, eerste lid, aanhef en onder a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de personen of instellingen waaraan de subsidies kunnen worden verstrekt.

 

Bij besluit van 22 september 1999 heeft de minister de raad aangewezen als bestuursorgaan belast met het beheer en de verdeling van de op grond van artikel 48c van de Wet Justitie-subsidies te verstrekken subsidies in alle ressorten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering (Stb. 2001, 80; hierna: het Besluit) verstrekt de raad namens de minister subsidie.

Ingevolge het tweede lid kan de minister jaarlijks een subsidieplafond vaststellen. De raad kan beleidsregels vaststellen omtrent de verdeling en de uitvoering daarvan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, verleent de raad subsidie aan bewindvoerders die voldoen aan door de raad vast te stellen beleidsregels met betrekking tot deskundigheid, onafhankelijkheid, continuïteit en inrichting en omvang van de organisatie.

Ingevolge het tweede lid stelt de raad aan de rechtbanken ten minste eenmaal per jaar een actuele opgave ter beschikking van personen die naar zijn oordeel geschikt zijn om voor de bewindvoering in aanmerking te komen.

 

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de raad de beleidsnotitie "Erkenningsprocedure bewindvoerderorganisaties Wsnp" (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

Volgens de beleidsregels, voor zover thans van belang, is het doel van de procedure vast te stellen of een organisatie geschikt en in staat is om goede bewindvoerders te leveren in het kader van de Wsnp. Daarnaast wordt beoordeeld of er een redelijke kans bestaat dat bewindvoerders van de organisatie vaak genoeg benoemd kunnen worden om de (financiële) continuïteit van de organisatie te waarborgen en zowel de benodigde kennis en kwaliteit op te bouwen als eventuele investeringen van de raad te rechtvaardigen. Nieuwe aanbieders zijn niet of slechts in beperkte mate nodig, omdat de markt inmiddels een groot aantal aanbieders kent die enige flexibiliteit kunnen bieden om ontwikkelingen aan de vraagzijde op te vangen. Indien een organisatie toch wil worden erkend, zal zij dan ook zelf haar meerwaarde moeten aantonen. Het Bureau Wsnp zal, indien het aan de hand van het verzoekschrift met bijlagen direct van mening is dat de desbetreffende organisatie niet kan worden erkend een negatief advies opstellen. De raad zal aan de hand van dit advies beslissen op het erkenningsverzoek. In bijlage 1 zijn de voorwaarden waaraan het verzoek moet voldoen opgenomen.

Volgens die bijlage dient de organisatie in het verzoek om erkenning als bewindvoerderorganisatie onder meer aan te geven voor welke rechtbanken zij wil gaan werken en of er reeds contact is geweest met deze rechtbanken. Aanvulling van het aanbod van bewindvoerders in het desbetreffende arrondissement dient wenselijk te zijn.

2.2. De raad heeft aan haar bij het besluit op bezwaar gehandhaafde weigering van 14 maart 2006 om de stichting te erkennen als organisatie die belast kan worden met het bewindvoerderschap Wsnp, mede onder verwijzing naar een negatief advies van het Bureau Wsnp van 6 maart 2006, ten grondslag gelegd dat een aanvulling van het aanbod van bewindvoerders niet wenselijk is.

2.3. De Afdeling ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag naar de aard en de strekking van een beslissing om een organisatie al dan niet te erkennen als bewindvoerderorganisatie. Ingevolge het eerste lid van artikel 3 van het Besluit wordt subsidie slechts verleend als aan bepaalde eisen wordt voldaan. Die eisen hebben betrekking op de kwaliteit en de continuïteit van de organisatie en de deskundigheid en onafhankelijkheid van de in die organisatie werkzame bewindvoerders en zijn uitgewerkt in de beleidsregels. Als aan die eisen wordt voldaan leidt dat in beginsel tot erkenning door de raad. De erkenning heeft in deze systematiek tot doel de organisatie in aanmerking te doen komen voor subsidie ten behoeve van na een daartoe strekkende benoeming door de rechtbank te verrichten bewindvoerderswerkzaamheden. Aldus bestaat hieromtrent vóór de benoeming en de aanvang van de werkzaamheden duidelijkheid. In dit verband is van belang dat erkende organisaties worden vermeld in de opgave als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Gelet hierop is de beslissing tot erkenning van een organisatie als bewindvoerderorganisatie gericht op rechtsgevolg en is er sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de weigering van 14 maart 2006 kon dan ook bezwaar worden gemaakt.

2.4. De stichting heeft in de eerste plaats betoogd dat de raad niet bevoegd was op het bezwaar te beslissen. Door dit toch te doen heeft de raad volgens haar gehandeld in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Ingevolge die bepaling wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

2.5. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is de in artikel 48c, eerste lid, van de Wet Justitie-subsidies neergelegde bevoegdheid van de minister om subsidie te verstrekken gemandateerd aan de raad. De bevoegdheid van de raad om, met toepassing van de beleidsregels als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit, een bewindvoerderorganisatie te erkennen, vindt plaats in het kader van voormelde subsidieverlening en berust derhalve eveneens op dit bij het Besluit verleende mandaat. Nu de raad zowel het primaire besluit van 14 maart 2006 als het besluit op bezwaar van 3 augustus 2006 heeft genomen, is dat laatste besluit genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Het besluit op bezwaar is door de raad onbevoegdelijk genomen en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Wat betreft de mandaatconstructie overweegt de Afdeling naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 3 juli 2008 dat de bevoegdheid tot het verlenen van subsidie die de wet aan de minister toekent zonder daartoe strekkende wettelijke grondslag bij algemene maatregel van bestuur is gemandateerd. Zij ziet daarin echter geen reden voor een verdergaande vernietiging dan hiervoor is aangegeven, omdat de minister tot mandaatverlening kan overgaan, het Besluit onder de verantwoordelijkheid van de minister tot stand is gekomen en de stichting niet in haar belangen is geschaad. Aan hetgeen de stichting verder heeft betoogd, onder meer over het erkenningsvereiste en de totstandkoming en de toepassing van de beleidsregels, komt de Afdeling niet meer toe, aangezien dit ziet op de inhoud van het besluit op bezwaar. Het is aan de minister als het terzake bevoegde bestuursorgaan om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 3 augustus 2006 vernietigen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2007 in zaak nr. 06/3924;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van 3 augustus 2006;

V. gelast dat de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch aan de stichting het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van totaal € 709,-- (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

18-(506).