Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200708594/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit verzonden op 8 december 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast om de beheerderswoning en andere bouwwerken van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708594/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Rhenen,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/2324 en 07/2697 van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen.

1. Procesverloop

Bij besluit verzonden op 8 december 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast om de beheerderswoning en andere bouwwerken van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2007, verzonden op 1 november 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en W. ter Haar, en het college, vertegenwoordigd door W.M. van der Burgt, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de beheerderswoning kan worden gelegaliseerd, althans dat de jarenlange aanwezigheid van een gebouw aan handhavend optreden in de weg staat.

2.2. Dit betoog faalt. Dat de beheerderswoning, als gesteld, kan worden gelegaliseerd, betekent op zichzelf niet dat concreet zicht op legalisatie bestaat, nu het college niet aan legalisering wil meewerken. De beheerderswoning is ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) gedeeltelijk gelegen op gronden met de bestemming "Natuurgebied". Het door gemeente en provincie gevoerde beleid staat aan vrijstellingverlening in de weg. Ook indien de afstand van de beheerderswoning tot het hoofdgebouw op de door [appellante] voorgestane wijze op de plankaart wordt weergegeven, ligt een deel van de beheerderswoning op gronden met die bestemming. Dat in het verleden, als gesteld, krachtens artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wel vrijstelling is verleend en het bestemmingsplan reeds 28 jaar oud is, brengt niet mee dat het college niet meer handhavend mocht optreden, als het heeft gedaan.

De voorzieningenrechter heeft in de gestelde omstandigheid dat op de plaats van de beheerderswoning in het verleden een schuur heeft gestaan terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Die omstandigheid brengt niet mee dat de beheerderswoning thans voor de opslag van goederen gebruikt mag worden.

Voor zover [appellante] een beroep doet op de "Beleidsnota mantelzorgwoningen", is die na het besluit van 27 juni 2007 door het college vastgesteld, zodat die nota reeds daarom niet kan leiden tot het door haar beoogde resultaat.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

17-313-560.