Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200707261/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 334
Milieurecht Totaal 2008/844
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/658
JAF 2008/52 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2008/707
OGR-Updates.nl 1001646
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707261/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Tubbergen,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Tubbergen,

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Tubbergen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2007, en [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2008, waar [appellanten sub 2], van wie een vijftal in persoon, bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door S.A.J. Scheepers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord [partij], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] de beroepsgrond met betrekking tot het Lozingenbesluit bodembescherming ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

[appellanten], die behoren tot de groep appellanten van [appellanten sub 2], wonen op meer dan 500 meter afstand van de inrichting. Het is niet aannemelijk dat zij ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen ondervinden. Gelet hierop zijn zij geen belanghebbende, zodat het beroep van [appellanten sub 2] voor zover dat door bovengenoemde personen is ingesteld niet-ontvankelijk is.

2.3. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

[appellanten sub 1] hebben geen zienswijze naar voren gebracht met betrekking tot de emissie van zwevende deeltjes (PM10). Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijze naar voren is gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

Bevoegd gezag

2.4. [appellanten sub 2] betogen dat de capaciteit van de van buiten de inrichting afkomstige te mengen afvalstoffen meer dan 15.000 ton per jaar bedraagt. Verder stellen zij dat er binnen de inrichting meer dan 1.000 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen. Gelet hierop is volgens hen het college van gedeputeerde staten van Overijssel het bevoegde gezag.

2.4.1. Ingevolge categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 6, van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb), voor zover van belang, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van andere dan de onder sub 1 tot en met 5 genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer.

Ingevolge categorie 28.4, aanhef en onder c, sub 1, van bijlage I van het Ivb, voor zover van belang, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor onder meer het mengen van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.4.2. In de inrichting worden van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zogenaamde natte bijproducten, gemengd tot brijvoer. Uit de aanvraag om vergunning volgt dat er op jaarbasis 13.900 ton van deze afvalstoffen in de inrichting worden doorgezet. Aangezien categorie 28.4, onder c, sub 1, van het Ivb betrekking heeft op de hoeveelheid van van buiten de inrichting afkomstige te verwerken afvalstoffen moeten, anders dan [appellanten sub 2] stellen, de aangevraagde hoeveelheden mengvoer en natte bijproducten niet bij elkaar worden opgeteld. Uitsluitend de natte bijproducten die voor het brijvoer worden gebruikt moeten immers als van van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden aangemerkt. De capaciteit van 15.000 ton wordt dan ook niet overschreden. Verder volgt uit de aanvraag dat met betrekking tot de opslag van natte bijproducten een opslagcapaciteit van 300 m3, verdeeld over zes silo's, is aangevraagd. Het is niet aannemelijk geworden dat de bunkers, die op de bij de aanvraag behorende tekening met nummer 14 zijn aangegeven, worden gebruikt voor de opslag van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zodat in de inrichting niet meer dan 1.000 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen.

Nu binnen de inrichting de in categorie 28.4, onder a, sub 6, en onder c, sub 1, van het Ivb genoemde capaciteiten voor onderscheidenlijk het opslaan en mengen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen niet worden overschreden is het college het voor vergunningverlening bevoegd gezag. De beroepsgrond faalt.

Procedure

2.5. [appellanten sub 1] betogen dat zij door de burgemeester van Tubbergen onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunt naar voren te brengen.

Het bestreden besluit is met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. Dit houdt in dat een ieder de mogelijkheid heeft om schriftelijk of mondeling zijn zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. [appellanten sub 1] zijn aldus in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen over het ontwerp naar voren te brengen, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. De beroepsgrond faalt.

Milieu-effectrapport

2.6. [appellanten sub 2] betogen dat het college bij de totstandkoming van het milieu-effectrapport (hierna: het mer) ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan artikel 7.11b van de Wet milieubeheer. Volgens hen hadden de provincie en het waterschap bij de mer-procedure moeten worden betrokken.

2.6.1. In artikel 7.11b van de Wet milieubeheer is bepaald dat het bevoegd gezag, alvorens het milieu-effectrapport op te stellen, de bestuursorganen raadpleegt die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.10 in het milieu-effectrapport moet worden opgenomen.

2.6.2. Niet in geschil is dat het mer is opgesteld bij de voorbereiding van zowel de milieuvergunning als de uitbreiding van het bestaande bouwblok. In het kader van de onderhavige procedure is het mer uitsluitend van belang voor zover het is opgesteld bij de voorbereiding van de bij het bestreden besluit verleende milieuvergunning. Artikel 7.11b van de Wet milieubeheer is van toepassing op een mer dat betrekking heeft op een plan, derhalve op een mer dat moet worden gemaakt bij de voorbereiding van een plan. De bij het bestreden besluit verleende vergunning is niet een dergelijk plan. Voor zover het mer is opgesteld bij de voorbereiding van het bestreden besluit, is het mer dan ook niet een dergelijk mer. Het college behoefde bij de voorbereiding van het bestreden besluit dan ook geen gevolg te geven aan artikel 7.11b van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt.

Aanvraag

2.7. [appellanten sub 2] betogen dat de aanvraag na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is gewijzigd, waardoor belangen van derden kunnen zijn geschaad. Hiertoe voeren zij aan dat de gewijzigde grens van de inrichting dichter bij de nabijgelegen woningen is gelegen, waardoor de bedrijfsactiviteiten op kortere afstand van de nabijgelegen woningen kunnen plaatshebben.

2.7.1. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na deze terinzagelegging is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen, tenzij vaststaat dat daardoor geen derden zijn benadeeld.

2.7.2. Vaststaat dat de aanvraag - naar aanleiding van door [appellanten sub 2] naar voren gebrachte zienswijzen - is gewijzigd. De wijziging heeft onder meer betrekking op het wijzigen van de grens van de inrichting. Door deze wijziging zijn de infiltratievoorzieningen en de bodemwarmtewisselaar binnen de grens van de inrichting gebracht. Het gebruik van deze infiltratievoorzieningen en een bodemwarmtewisselaar waren in de oorspronkelijke aanvraag reeds aangevraagd, zodat door het wijzigen van de grens van de inrichting de vergunde activiteiten ten opzichte van het ontwerp van het besluit niet zijn gewijzigd. Gelet hierop zijn de belangen van derden dan ook niet geschaad. De beroepsgrond faalt.

Vergunde situatie

2.8. [appellanten sub 2] betogen dat onduidelijk is wat is vergund nu - als gevolg van de wijziging van de aanvraag - tegenstrijdige aanvraagstukken deel uitmaken van de vergunning.

Uit het dictum van het besluit blijkt dat de aanvraag en de daarbij overgelegde bescheiden deel uitmaken van de vergunning. Voor zover door de wijziging van de aanvraag al tegenstrijdigheden zijn ontstaan, is het naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat bedoeld is de situatie conform de gewijzigde aanvraag te vergunnen. De beroepsgrond faalt.

Wet verontreiniging oppervlaktewateren

2.9. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) noodzakelijk is, nu het hemelwater dat in de infiltratievijver wordt opgevangen als oppervlaktewater moet worden aangemerkt. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat naar hun mening de aanvraag om een vergunning krachtens de Wvo gecoördineerd behandeld had moeten worden met de aanvraag om de hier aan de orde zijnde vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Indien dit het geval is, heeft het college volgens [appellanten sub 2] ten onrechte niet beoordeeld of in zoverre de beste beschikbare technieken worden toegepast.

Het college heeft betoogd dat door het waterschap Regge en Dinkel is meegedeeld dat voor de activiteiten waarop het bestreden besluit ziet geen Wvo-vergunning nodig is. Niet aannemelijk is geworden dat het college niet mocht uitgaan van de juistheid van dat bericht. Het college heeft daarom de coördinatiebepalingen van artikel 7b van de Wvo terecht niet van toepassing geacht. Aan de grond inzake het toepassen van de beste beschikbare technieken op dit punt wordt derhalve niet toegekomen. De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

2.10. [appellanten sub 2] voeren aan dat in strijd met artikel 8.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer geen grenswaarde voor ammoniakemissie is gesteld.

2.10.1. In artikel 8.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij de voorschriften van een vergunning emissiegrenswaarden moeten worden gesteld voor stoffen die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

In artikel 8.12a, eerste lid, is, voor zover hier van belang, bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen.

In artikel 8.12a, tweede lid, is bepaald dat wanneer voorschriften als bedoeld in het eerste lid worden gesteld in plaats van emissiegrenswaarden als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu moeten leiden.

Gezien deze bepalingen, in samenhang gelezen, hoeft geen emissiegrenswaarde te worden gesteld wanneer is voorgeschreven dat technische maatregelen die tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu leiden, moeten worden getroffen.

2.10.2. De ammoniakemissie is in dit geval begrensd met het in de vergunning vastleggen van het aantal te houden dieren en van het toe te passen stalsysteem. Daarmede zijn aan de vergunning voorschriften inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen in de zin van artikel 8.12a, eerste lid, van de Wet milieubeheer verbonden. Nu dit tot een gelijkwaardige bescherming leidt, behoefde geen emissiegrenswaarde voor ammoniak te worden gesteld. De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.11. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.12. In artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

Stank

2.13. [appellanten sub 1], alsmede [appellanten sub 3] vrezen stankhinder te zullen ondervinden van de vanuit de varkensstallen afkomstige emissies.

2.13.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de in dit geval van toepassing zijnde Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden niet aan vergunningverlening in de weg staat. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] hebben dit niet bestreden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgronden falen.

2.14. [appellanten sub 2] betogen dat het college wat betreft de twee stallen bestaande uit twee verdiepingen niet van de chemische luchtwassers als emissiepunten heeft kunnen uitgaan. Volgens hen staat niet vast dat de lucht van de onderste verdiepingen de stallen via de luchtwassers zal verlaten. Dit betekent verder volgens [appellanten sub 2] dat niet vast staat dat de op de onderste verdiepingen gehouden dieren emissiearm zullen worden gehouden, zodat evenmin vast staat of deze dieren overeenkomstig de beste beschikbare technieken worden gehouden.

2.14.1. De aanvraag, welke deel uitmaakt van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, bevat een beschrijving van het stalsysteem van de door [appellanten sub 2] genoemde stallen. Uit een bij deze aanvraag behorende tekening volgt dat de stallucht van de benedenverdiepingen door middel van kokers wordt afgevoerd naar een luchtafvoerkanaal dat uitmondt bij de luchtwassers. In de paragrafen 11.1 en 11.2 van de vergunningvoorschriften zijn voorwaarden gesteld waaraan het vergunde stalsysteem met chemische luchtwasser moet voldoen. Hierin is onder meer bepaald dat de stallen met een chemische luchtwasser overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekeningen en bijlagen moeten zijn uitgevoerd. Verder moet het chemische luchtwassysteem zodanig zijn gedimensioneerd, geïnstalleerd en worden onderhouden dat de goede werking daarvan altijd is gewaarborgd. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de vergunde luchtwassers niet naar behoren zullen functioneren. Dit betekent dat aan de grond dat niet vast staat dat de op de onderste verdiepingen gehouden dieren niet overeenkomstig de beste beschikbare technieken zullen worden gehouden niet wordt toegekomen. De beroepsgrond faalt.

2.15. [appellanten sub 2] betogen dat het college onvoldoende voorschriften aan de vergunning heeft verbonden om stankhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting verder te beperken. Hiertoe voeren zij aan dat naast de emissies vanuit de stallen ook emissies vanwege de brijvoederinstallatie, de mestopslag en het afvoeren van mest optreden. [appellanten sub 3] vrezen stankhinder van de aan te voeren natte bijproducten te zullen ondervinden. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] aangevoerd dat ten aanzien van de brijvoederinstallatie ten onrechte geen voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn gesteld.

2.15.1. Het college heeft gesteld dat de mest van de varkens vanuit de kelders onder de stallen per stal via een rioleringssysteem naar een dieper gelegen stortput net buiten de stallen stroomt. Van de in totaal aanwezige vier putten wordt de meest oostelijk gelegen put gebruikt voor het afvoeren en laden van de mest. Via een persleiding wordt de mest vanuit de andere drie putten naar deze put gepompt. De put van waaruit de mest wordt afgevoerd is voorzien van een vaste afsluitbare aansluiting waarop de mesttank wordt gekoppeld. Gezien dit gesloten systeem zijn er volgens het college, anders dan [appellanten sub 2] stellen, tijdens het afvoeren van mest dan ook geen piekemissies. Verder heeft het college gesteld dat het lossen van de bijproducten ten behoeve van brijvoer inpandig plaatsvindt. Via een geheel gesloten buissysteem worden de natte bijproducten naar de silo's, waar zij worden opgeslagen, afgevoerd. Het mengen ten behoeve van brijvoer en het transport van het brijvoer naar de stallen geschiedt eveneens door middel van een gesloten systeem, aldus het college. De afstand van de opslag tot de omliggende woningen van derden bedraagt volgens het college minimaal 200 meter.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat stankhinder als gevolg van de opslag van mest en brijvoer wordt voorkomen dan wel in voldoende mate wordt beperkt en dat geen nadere voorschriften aan de vergunning behoeven te worden verbonden. Voor zover [appellanten sub 2] ter zitting hebben aangevoerd dat ten aanzien van de brijvoederinstallatie ten onrechte geen voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn gesteld, overweegt de Afdeling dat aan de vergunning ten aanzien van deze installatie geen voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer in het kader van het aspect stankhinder zijn verbonden. Toepassing van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is dan ook niet aan de orde. De beroepsgronden falen.

2.16. [appellanten sub 1] zijn bevreesd voor stankhinder als gevolg van de nabij hun woning gelegen infiltratievijver die volgens hen dient als zuivering voor het afvalwater van het riool en de luchtwassers. In dit verband voeren zij aan dat het college is uitgegaan van een onjuiste afstand nu de afstand op de plattegrondtekening van de inrichting niet in overeenstemming is met de werkelijkheid.

2.16.1. Niet aannemelijk is geworden dat de afstand op de door [appellanten sub 1] genoemde plattegrondtekening niet in overeenstemming is met de werkelijkheid en dat het college is uitgegaan van een verkeerde afstand van de vijver tot hun woning. Het betoog mist in zoverre feitelijk grondslag. Anders dan [appellanten sub 1] stellen wordt het infiltratiebed niet gebruikt voor het afvalwater dat afkomstig is van de luchtwassers. Uit de aanvulling op de aanvraag volgt onder meer dat het spoelwater uit de ontijzeringsinstallatie en het afvalwater van huishoudelijke aard onderscheidenlijk wordt geloosd op een bezinkput om de ijzerverbindingen te laten bezinken en wordt gezuiverd door middel van een zogenoemd zuiveringssysteem voor Individuele Behandeling van Afvalwater, alvorens dit afvalwater te lozen op het infiltratiebed. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geuroverlast als gevolg van het infiltratiebed wordt voorkomen dan wel in voldoende mate wordt beperkt. De beroepsgrond faalt.

Geluid

2.17. [appellanten sub 2] stellen dat onduidelijk is of de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Hiertoe voeren zij aan dat het rapport van 14 november 2006, opgesteld door Alcedo B.V. (hierna: het geluidrapport) op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. In dit verband stellen zij dat in het geluidrapport bij het verladen van varkens en mest is uitgegaan van te lage bronvermogens voor de maximale geluidniveaus en voeren zij aan dat de in het geluidrapport gehanteerde tijd voor het verladen van varkens niet realistisch is. Daarnaast stellen zij dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat tijdens warme dagen de ventilatoren op vol vermogen moeten draaien. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] aangevoerd dat ten onrechte geen voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning zijn verbonden.

2.17.1. Uit het geluidrapport, dat het college ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, volgt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

In de niet nader onderbouwde stelling van [appellanten sub 2] dat in het geluidrapport is uitgegaan van te lage bronvermogens voor het laden van varkens en mest ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidrapport in zoverre op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd.

Vaststaat dat de varkens zich, voordat zij in de vrachtwagen worden geladen, in een afleverruimte bevinden. Ter zitting heeft [vergunninghouder] verklaard dat de varkens vanuit de afleverruimte in een half uur in een vrachtwagen worden geladen. Nu in het geluidrapport ervan is uitgegaan dat het verladen van varkens twee keer 90 minuten in beslag neemt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in het geluidrapport gehanteerde tijd voor het verladen van varkens niet realistisch is.

In het geluidrapport is verder vermeld dat er rekening mee is gehouden dat de ventilatoren volledig temperatuursafhankelijk worden geregeld. Tevens is rekening gehouden met de capaciteit van de ventilatoren overeenkomstig het dimensioneringsplan, zoals opgenomen in bijlage L bij het mer. Voorts is ter zitting vastgesteld dat de ventilatoren inpandig zijn opgesteld. In hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidrapport wat betreft de ventilatoren van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.17.2. Ten aanzien van het voorschrijven van voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling dat de in hoofdstuk 7 aan de vergunning verbonden voorschriften waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld moeten worden aangemerkt als doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Bij die verplichting bestaat - zoals de Afdeling in de uitspraak van 20 december 2006, in zaak nr. 200605039/1 heeft overwogen - geen ruimte voor een afweging voor het bevoegd gezag. Het vorenstaande betekent dat het college een voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden, inhoudende dat op een daarbij aan te geven wijze moet worden bepaald of aan de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden wordt voldaan. Nu het college dit heeft nagelaten is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond slaagt.

2.18. [appellanten sub 3] vrezen voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting.

2.18.1. Volgens het geluidrapport voldoet de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting, voor zover dit aan de inrichting kan worden toegerekend, aan de door het college tot uitgangspunt genomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Van onjuistheid van deze conclusie is niet gebleken. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden gevreesd. Deze beroepsgrond faalt.

Overige gronden

2.19. [appellanten sub 3] zijn bevreesd voor overlast van ongedierte als gevolg van de opslag van natte bijproducten.

Ingevolge vergunningvoorschrift 1.1.3 moet het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is om overlast van ongedierte te voorkomen, dan wel voldoende te beperken. De beroepsgrond faalt.

2.20. [appellanten sub 1] stellen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor hun gezondheid nu zij hartproblemen en luchtwegontstekingen hebben en astmatisch zijn.

Bij de beoordeling of sprake is van onaanvaardbare nadelige gevolgen voor het milieu kan geen rekening worden gehouden met de bijzondere gevoeligheid van personen met betrekking tot hun gezondheid. De beroepsgrond faalt.

2.21. [appellanten sub 3] voeren aan voor visuele hinder te vrezen.

De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. De beroepsgrond faalt.

2.22. [appellanten sub 1] voeren aan dat door de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de inrichting het voor hen in de toekomst onmogelijk wordt om een tweede bedrijfswoning binnen hun bouwblok te bouwen.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer en faalt om die reden.

2.23. Voor zover [appellanten sub 3] aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond faalt.

2.24. [appellanten sub 3] voeren aan dat zij door de bij het bestreden besluit verleende milieuvergunning worden aangetast in hun woongenot en dat de waarde van hun woning zal dalen. Verder voeren zij aan dat de wegen rondom de inrichting niet berekend zijn op het vrachtverkeer van en naar de inrichting. Deze gronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer en falen reeds hierom.

2.25. Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 1] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 2] is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij geen voorschrift is gesteld ter controle van de geluidgrenswaarden. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.26. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 3], alsmede [appellanten sub 1], bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2], voor zover het beroep is ingesteld door [appellanten] voor zover dat betrekking heeft op zwevende deeltjes (PM10) niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen van 25 september 2007, kenmerk Afdeling RME, nr. 06-9044, voor zover aan de vergunning geen voorschrift is verbonden als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer ter controle van de geluidgrenswaarden;

VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 685,18 (zegge: zeshonderdvijfentachtig euro en achttien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tubbergen aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de gemeente Tubbergen aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

407-517.