Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BE8814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
200706268/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Coevorden (hierna: de raad) bij besluit van 10 februari 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Coevorden centrum, Markt en omgeving" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2008/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706268/1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden, gevestigd te Coevorden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Coevorden (hierna: de raad) bij besluit van 10 februari 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Coevorden centrum, Markt en omgeving" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007, en de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden (hierna: de VVC) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon, bijgestaan door A.J.M. Assen, de VVC, vertegenwoordigd door J. Halfwerk, en het college, vertegenwoordigd door A.R. Klaucke, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de raad, vertegenwoordigd door G.H. Braam, wethouder en H.A. Gortmaker, ambtenaar in dienst van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet voor het centrum van Coevorden, voor zover hier van belang, in een planologische regeling voor het bebouwen van het oostelijk deel van de Markt en het aanleggen van een ondergrondse parkeervoorziening ter plaatse van de Markt en omgeving. Voorts wordt beoogd de bovengrondse parkeerplaatsen op de Weeshuisweide te laten verdwijnen.

2.3. Bij uitspraak van 6 juli 2005, in zaak no. 200408781/1, heeft de Afdeling het eerste besluit omtrent goedkeuring van 31 augustus 2004 vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" die betrekking hebben op het oostelijk deel van de Markt;

b. het plandeel met de bestemming "Groen en archeologisch waardevol terrein" dat betrekking heeft op het parkeerterrein aan de Weeshuisstraat;

c. de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening" en de zinsnede "met dien verstande dat ondergronds bouwen alleen is toegestaan op de gronden op de plankaart aangeduid als "gebouwde parkeervoorziening" tot een bouwdiepte van 6 m, gerekend ten opzichte van het maaiveld" in artikel 8, tweede lid, onder a.1, en in artikel 12, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften.

Voor het overige is het eerste besluit omtrent goedkeuring door de Afdeling in stand gelaten.

2.3.1. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk, voor zover het zich richt tegen de vergroting van de haven. Het plandeel met de bestemming "Groen en water" dat deze vergroting planologisch mogelijk maakt is immers door de uitspraak van 6 juli 2005 in rechte onaantastbaar geworden.

2.4. [appellant sub 1] stelt dat de raad het plan ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld. Volgens hem had vanwege de wijziging van de locatie van de gebouwde ondergrondse parkeervoorziening een nieuw ontwerp van het plan ter inzage gelegd moeten worden opdat door een ieder opnieuw zienswijzen ingediend konden worden.

2.4.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen, waaronder de locatie van de beoogde gebouwde ondergrondse parkeervoorziening. In het ontwerp van het plan was de gebouwde ondergrondse parkeervoorziening voorzien onder de Weeshuisweide. In het vastgestelde plan wordt deze voorzien onder de Markt en omgeving. Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het plan gewijzigd kon worden vastgesteld omdat de hoofdstructuur van het plan bij de vaststelling in stand is gebleven.

2.5. [appellant sub 1] stelt verder dat de bestemmingsplanprocedure onjuist is verlopen omdat de Klankbordgroep ten onrechte alleen mag aanhoren en niet mag meebeslissen. Verder is volgens [appellant sub 1] de beoogde gebouwde ondergrondse parkeervoorziening veel onvriendelijker in het gebruik dan de bestaande bovengrondse parkeervoorzieningen.

2.5.1. Deze aspecten zijn ook aan de orde gesteld in het beroep tegen het eerste besluit omtrent de goedkeuring maar deze aspecten hebben niet geleid tot de gedeeltelijke vernietiging daarvan. [appellant sub 1] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan niet meer kan worden uitgegaan van hetgeen in de eerste uitspraak van 6 juli 2005 ten aanzien van deze aspecten is overwogen.

2.6. [appellant sub 1] stelt verder dat valt te vrezen dat betaald parkeren voor het hele centrum wordt ingevoerd en dat een aanvaardbare verkeerscirculatie niet gewaarborgd is als het centrum autoluw wordt gemaakt en het autoverkeer naar de ondergrondse parkeervoorziening over de straat Kasteel moet.

2.6.1. De Afdeling overweegt met betrekking tot deze beroepsgronden dat de regulering van de verkeersstromen geschiedt door het nemen van verkeersbesluiten. Ook betaald parkeren wordt niet geregeld in het bestemmingsplan. Deze aspecten kunnen daarom in deze procedure niet aan de orde komen.

Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" en de aanduiding "afwijkende goot- en bouwhoogte"

2.7. Het college heeft goedkeuring onthouden aan een plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" en de aanduiding "afwijkende goot- en bouwhoogte", dat tegenover het aan [appellant sub 2] toebehorende

[hotel-café-restaurant] is gelegen.

[appellant sub 2] stelt dat de motivering van de onthouding van goedkeuring ten onrechte niet uitsluit dat de raad bij de vaststelling van een nieuw plan voor dit plandeel alsnog een bestemming kiest die ter plaatse bebouwing mogelijk maakt. Hij voert daartoe aan dat bebouwing op de Markt tegenover zijn pand de herkenbaarheid, de naam en de positie van zijn bedrijf ernstig aantast. Hij vreest met name voor verlies van lichtinval en uitzicht.

2.7.1. Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 2] zijn gericht, is in zoverre aan diens beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling voorheen in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep, voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" en de aanduiding "afwijkende goot- en bouwhoogte" ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008 komen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat de bezwaren van [appellant sub 2] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan voor dat plandeel onder de Wro.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

De beroepen, voor zover gericht tegen bebouwing op het oostelijk deel van de Markt

2.8. [appellant sub 2] stelt dat het college, vanwege zijn belangen als hiervoor in rechtsoverweging 2.7. genoemd, aan een groter deel van het meest zuid-oostelijk gelegen bouwvlak met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" goedkeuring had moeten onthouden. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zich in dit verband op het standpunt gesteld dat het college, om aan zijn bezwaren tegemoet te kunnen komen, niet aan een 8 meter, maar aan een 16 meter breed plandeel goedkeuring had moeten onthouden.

2.8.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Hetgeen [appellant sub 2] op dit punt heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college aan de belangen van [appellant sub 2] onvoldoende gewicht heeft toegekend door de onthouding van goedkeuring te beperken tot een plandeel van 8 meter breed.

2.9. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC stellen dat de cultuurhistorische meerwaarde van bebouwing op de Markt niet is aangetoond en dat deze bebouwing onherstelbare schade toebrengt aan het vier eeuwen oude centrum. Het toestaan van bebouwing op de Markt is volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC in strijd met de toelichting bij het bestemmingsplan en het Provinciaal omgevingsplan Drenthe (hierna: POP II). Ook is volgens hen niet aangetoond dat de doelstellingen bevordering van het cultureel leven en bevordering van gezelligheid, door bebouwing bereikt kan worden. De voorziene bebouwing op het oostelijk deel van de Markt neemt bovendien ten onrechte het zicht op de haven weg, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC.

De VVC heeft in dit verband verder aangevoerd dat in de plantoelichting te weinig aandacht wordt besteed aan de specifieke cultuurhistorische (structuur)kenmerken van het plangebied.

Volgens [appellant sub 1] past hoge bebouwing op de Markt niet bij het stadsbeeld en het monumentale karakter van de Markt.

2.9.1. In de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005 is de eerdere goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2", die betrekking hebben op het oostelijk deel van de Markt, vernietigd wegens een gebrekkige motivering. Het was aan het college om in het bestreden besluit, voor zover het goedkeuring wilde verlenen, opnieuw te motiveren waarom de desbetreffende plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" aanvaardbaar zijn.

2.9.2. Het college stelt zich op het standpunt dat in het plan aan het verleden een zodanige interpretatie wordt gegeven dat de historische kenmerkende kwaliteiten van Coevorden worden versterkt. Het college wijst er daartoe op dat de bebouwingsmogelijkheden van de Markt in het verleden werden beperkt door het vrij te houden schootsveld vanaf de citadel en dat het westelijk deel van de Markt altijd een burgerlijke functie heeft gehad als openbaar plein. De militaire functie is verdwenen, de burgerlijke niet. Daarom is volgens het college het oostelijk deel van de Markt, waaronder de Boompjesmarkt, niet meer functioneel als open ruimte. Door bebouwing op het oostelijk deel van de Markt toe te staan worden volgens het college de gebruiksmogelijkheden van het oostelijk deel van de Markt verbeterd. Verder acht het college een kleinere Markt meer passend bij de huidige structuur van Coevorden. Door een betere begrenzing van de openbare ruimte door middel van situering van een aantal relatief hoge bebouwingselementen aan de Markt kan de ruimte beter benut worden en meer sfeer krijgen, aldus het college. Als een van de doelstellingen voor de Markt is volgens het college opgenomen dat horeca en openbare functies worden gestimuleerd. Door de nieuwe inrichting van de Markt ontstaat volgens het college een nieuwe beleving en wordt de structuur als vestingplaats versterkt door het benadrukken van de zichtlijnen. In het bestreden besluit wordt de instemming met de bebouwing van het oostelijk deel van de Markt tot een hoogte van 12 meter verder onderbouwd met de aanwijzing van Coevorden in het POP II als "substreekcentrum", welke aanwijzing op groeimogelijkheden duidt.

Wat het uitzicht op de haven betreft is door de raad ter zitting gesteld dat door de zichtlijnen die het plan mogelijk maakt, het zicht op de haven ten dele behouden blijft en dat de raad met name van belang heeft geacht dat het zicht op het aan de haven gelegen arsenaal vanuit verschillende punten gewaarborgd blijft.

Het college wijst er verder op dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft aangegeven dat de cultuurhistorische waarde - als gevolg van de over het geheel genomen lage beeldkwaliteit van de bebouwing en enkele structurele aantastingen van het stratenpatroon - als te laag beoordeeld wordt voor aanwijzing van de Markt als beschermd stadsgezicht.

2.9.3. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de Markt een zodanige hedendaagse interpretatie wordt gegeven dat de historische kenmerkende kwaliteiten van Coevorden worden versterkt. Het college heeft daarbij, mede gelet op het standpunt van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, in voldoende mate rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de Markt. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat horeca- en openbare functies door bebouwing op de Markt zullen worden gestimuleerd. Voor het oordeel dat bebouwing op de Markt in strijd met de plantoelichting of het POP II moet worden geacht, bestaat geen aanleiding.

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC voeren voorts aan dat bij bebouwing van het oostelijk deel van de Markt te weinig ruimte over blijft voor de op de Markt gehouden markten en andere activiteiten die daar nu plaats vinden.

2.10.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat uit overleg met de organisatoren van twee grootschalige evenementen, de jaarlijkse Ganzemarkt en Pikiesmarkt, is gebleken dat zij geen onoverkomelijke problemen zien, dat alleen voor de grotere kermisattracties mogelijk ruimtegebrek ontstaat, maar daarvoor alternatieve locaties voor handen zijn. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan kleinere geschakelde pleintjes mogelijk maakt en dat daar voldoende ruimte is voor evenementen.

2.11. Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de VVC aanvoeren dat bij bebouwing van het oostelijk deel van de Markt ten onrechte de daar van oudsher aanwezige bomen verdwijnen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het behoud van de bomen op de Markt geen doorslaggevende betekenis toekomt omdat deze niet voorkomen op een gemeentelijke of provinciale lijst van waardevolle bomen en er bovendien ruimte wordt gereserveerd voor nieuw aan te brengen beplantingen op de Markt.

2.12. [appellant sub 1] voert verder aan dat zijn panden als gevolg van bebouwing van het oostelijk deel van de Markt in waarde dalen en dat hij schade lijdt bij het gelijktijdig realiseren van het hele plan. Hij vreest in dit verband bovendien schade aan zijn panden als gevolg van bouwwerkzaamheden op de Markt.

2.12.1. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen grond voor de verwachting dat de door hem gestelde waardevermindering en schade zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

De wijze van uitvoering van het plan kan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.13. [appellant sub 1] voert verder aan dat onduidelijk is of het plan voor het oostelijk deel van de Markt kantoren, winkels of appartementen mogelijk maakt.

2.13.1. In het plan is aan de desbetreffende plandelen de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" toegekend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor wonen, aan huis gebonden beroep of bedrijf, publieksgerichte dienstverlening, horecavoorzieningen, detailhandel en kantoren.

2.13.2. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen.

Het systeem van de WRO brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt.

Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd is met de rechtszekerheid.

2.14. [appellant sub 2] en de VVC voeren verder met betrekking tot de voorziene bebouwing van het oostelijk deel van de Markt aan dat uit paragraaf 3.1 van de plantoelichting blijkt dat er voldoende woningen gebouwd kunnen worden op andere plaatsen in het centrum van Coevorden, waaronder de locaties van de voormalige melkfabriek en van de voormalige gasfabriek en dat, gezien de leegstand van winkels en kantoorpanden, bebouwing op het oostelijk deel van de Markt niet noodzakelijk is.

2.14.1. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het voorgaande is van dergelijke ernstige bezwaren op dit punt niet gebleken. Bovendien hebben [appellant sub 2] en de VVC niet aannemelijk gemaakt dat in Coevorden sprake is van een ernstige mate van leegstand van winkels en kantoorpanden.

2.15. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de VVC hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2", die betrekking hebben op het oostelijk deel van de Markt, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1] en de VVC, voor zover gericht tegen de ondergrondse parkeervoorziening ter plaatse van de Markt en omgeving

2.16. [appellant sub 1] en de VVC stellen dat de aanleg van een gebouwde ondergrondse parkeervoorziening onder de Markt en omgeving zich niet verdraagt met de hoge archeologische waarde van het terrein. [appellant sub 1] stelt in dit verband bovendien dat ten onrechte onzeker is gebleven of in het centrum van Coevorden voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Daar is volgens hem onvoldoende onderzoek naar gedaan.

2.16.1. Bij de vernietiging van het eerste besluit omtrent de goedkeuring heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat het college zich er in dat besluit geen rekenschap van heeft gegeven dat niet valt uit te sluiten dat de ter plaatse aanwezige archeologische waarden in de weg zullen staan aan de aanleg van de parkeergarage en dat niet is overwogen of in dat geval voldoende beschikbare parkeerplaatsen aanwezig zijn ten behoeve van het centrum. Gelet op deze overweging van de Afdeling diende het college bij het nemen van het bestreden besluit te onderzoeken of het waarborgen van de bescherming van eventuele aanwezige archeologische waarden is te verenigen met het garanderen van het behoud van een aanvaardbaar aantal parkeerplaatsen in het centrum.

2.16.2. Het college stelt dat de realisering van de gebouwde ondergrondse parkeervoorziening onder de Markt en omgeving voldoende verzekerd is. De archeologische waarden zijn volgens het college voldoende onderzocht en beschermd gezien de conclusies van het nadere archeologische onderzoek, waarbij proefboringen zijn gedaan en waarvan verslag is gedaan in RAAP-notitie 1181 van juli 2005 (hierna: het nadere archeologische onderzoek) en het opstellen van het Plan van aanpak van september 2006, waarin aangegeven wordt dat voorafgaand aan de ingreep een proefsleuvenonderzoek op de Markt geboden is. In de fasering van het proefsleuvenonderzoek in het Plan van aanpak is volgens het college een selectiebesluit opgenomen ten aanzien van de archeologische waarden en daarna een "go/no go moment" voor het realiseren van de gebouwde ondergrondse parkeervoorziening.

2.16.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef, onder h, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Centrumvoorzieningen 2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor een gebouwde parkeervoorziening, voor zover de plankaart is voorzien van de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening". Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef, onder a, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van gebouwen dat ondergronds bouwen alleen is toegestaan op de gronden op de plankaart aangeduid als "gebouwde parkeervoorziening", tot een diepte van 6 meter, gerekend ten opzichte van het maaiveld.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, zijn de op de plankaart voor verblijfsgebied aangewezen gronden tevens bestemd voor een gebouwde parkeervoorziening, voor zover de plankaart is voorzien van de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening". Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder a, is op of in deze gronden ondergronds bouwen alleen toegestaan op de gronden aangeduid als "gebouwde parkeervoorziening" tot een bouwdiepte van 6 meter, gerekend ten opzichte van het maaiveld.

2.16.4. Het nadere archeologische onderzoek onderscheidt vier typen "belangrijke archeologische zone", in volgorde van de verwachte archeologische waarde van deze zones, waarbij voor de "belangrijke archeologische zone 1" de verwachtingen het hoogst zijn. De bedoelde zones zijn eerder vastgelegd op de Archeologische advieskaart bij de Cultuurhistorische inventarisatie Centrum Coevorden, behorende bij RAAP-rapport 968 van januari 2004 (hierna: de Archeologische advieskaart). Het nadere archeologische onderzoek adviseert voor de "belangrijke archeologische zone 1" het behoud in de huidige staat na te streven door middel van planinpassing en beveelt aan geen bodemingrepen uit te voeren die de aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. Het nadere archeologische onderzoek adviseert verder deze zone in het bestemmingsplan op te nemen als "Archeologisch waardevol terrein". Tevens wordt aanbevolen het terrein voor te dragen voor bescherming krachtens de Monumentenwet 1988.

Ter zitting is door het college bevestigd dat niet is beoogd medewerking te verlenen aan de aanleg van een gebouwde ondergrondse parkeervoorziening binnen de "belangrijke archeologische zone 1". Uit vergelijking van de Archeologische advieskaart met de plankaart blijkt evenwel dat de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening" deels, namelijk ter hoogte van de hoek van de straat Kasteel en de Weeshuisstraat, ook is toegekend aan gronden binnen de "belangrijke archeologische zone 1". Het college heeft dit niet onderkend. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.16.5. Ter zitting is door het college toegelicht dat het in het Plan van aanpak genoemde "go/no go moment" zo begrepen moet worden dat niet uitgesloten kan worden dat uit het proefsleuvenonderzoek afgeleid moet worden dat de archeologische waarden ter plaatse zo hoog te waarderen zijn dat verstoring van het bodemarchief ten behoeve van de bouw van een gebouwde ondergrondse parkeervoorziening ter plaatse niet toelaatbaar geacht kan worden. Daarmee staat niet alleen vast dat een voorafgaand proefsleuvenonderzoek noodzakelijk geacht wordt maar ook dat de uitkomsten daarvan bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de ondergrondse parkeervoorziening ter plaatse kan worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het proefsleuvenonderzoek nog niet is verricht omdat er al veel andere werkzaamheden zijn in het centrum van Coevorden en dat de raad het besluit van het college en de uitspraak van de Afdeling heeft willen afwachten. Het gevolg hiervan is echter dat niet is verzekerd dat de ondergrondse parkeervoorziening daadwerkelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Daarbij komt dat ook thans niet is onderzocht of ingeval de gebouwde ondergrondse parkeervoorziening niet gerealiseerd kan worden, in het centrum voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. In dit verband is van belang dat geen inzicht bestaat in het minimaal aantal benodigde parkeerplaatsen in relatie tot de mogelijke capaciteit van de parkeergarage. Voorts is van belang dat het gedeelte van de aanduiding "gebouwde parkeervoorzieningen", zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 2.15.4, ten onrechte is voorzien binnen de "belangrijke archeologische zone 1", en dat bovendien ten behoeve van de nieuwe bebouwing op de Markt en de omgeving parkeerplaatsen nodig zullen zijn.

2.17. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en de VVC hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening" en de zinsnede "met dien verstande dat ondergronds bouwen alleen is toegestaan op de gronden op de plankaart aangeduid als "gebouwde parkeervoorziening" tot een bouwdiepte van 6 m, gerekend ten opzichte van het maaiveld" in artikel 8, tweede lid, onder a.1, en in artikel 12, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

De beroepen van [appellant sub 1] en de VVC zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 1] en de VVC overigens hebben aangevoerd tegen de goedkeuring van de bestemming van gronden voor een gebouwde ondergrondse parkeervoorziening geen bespreking.

2.18. De conclusie is voorts dat, gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen het hiervoor genoemde planonderdeel en de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" die betrekking hebben op het oostelijk deel van de Markt en het plandeel met de bestemming "Groen en archeologisch waardevol terrein" dat betrekking heeft op het parkeerterrein aan de Weeshuisstraat, aanleiding bestaat het bestreden besluit ook te vernietigen voor zover het betreft de goedkeuring van deze plandelen.

2.19. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 1] en de VVC is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" en de aanduiding "afwijkende goot- en bouwhoogte";

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen en water";

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 3 juli 2007, kenmerk 5.2/200707601, voor zover goedkeuring is verleend aan:

a. de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen 2" die betrekking hebben op het oostelijk deel van de Markt;

b. het plandeel met de bestemming "Groen en archeologisch waardevol terrein" dat betrekking heeft op het parkeerterrein aan de Weeshuisstraat;

c. de aanduiding "gebouwde parkeervoorziening" en de zinsnede "met dien verstande dat ondergronds bouwen alleen is toegestaan op de gronden op de plankaart aangeduid als "gebouwde parkeervoorziening" tot een bouwdiepte van 6 m, gerekend ten opzichte van het maaiveld" in artikel 8, tweede lid, onder a.1, en in artikel 12, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften.;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Drenthe aan [appellant sub 1] en de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 1] en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de vereniging Vereniging Vestingstad Coevorden vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008

410-547.