Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200706783/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Putten (hierna: de raad) bij besluit van 1 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Noord" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706783/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

[appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Putten (hierna: de raad) bij besluit van 1 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Noord" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2007, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, en [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. G.J. Vooren en E.M. Oskam, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Beroep van [appellant sub 1]

2.1. [appellant sub 1] heeft buiten de termijn waarbinnen zienswijzen tegen het ontwerpplan naar voren konden worden gebracht een zienswijze bij de raad naar voren gebracht. De Afdeling overweegt in dit verband nog dat de raad de op 22 april, 26 april, 12 mei, en 20 mei 2006 door [appellant sub 1] verstuurde e-mails niet heeft hoeven aanmerken als pro forma zienswijze. Deze e-mails, die tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan "Kom Noord" door [appellant sub 1] aan het gemeentebestuur zijn verstuurd, hebben betrekking op een brief van [appellant sub 1] van 20 februari 2006 gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Putten met een verzoek om daarop te reageren. Uit deze brief, de e-mails en een brief van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2006 waarin wordt gereageerd op de brief van [appellant sub 1] van 20 februari 2006, blijkt dat [appellant sub 1] het gemeentebestuur gedurende meerdere jaren benadert heeft en benadert met vragen over een strook grond gelegen in het verlengde van de Meinwerkstraat, ter hoogte van de percelen [locaties]. Hierbij ging het echter uitsluitend om de eigendomssituatie van de desbetreffende strook grond en de vraag of die strook al dan niet een openbare bestemming in de zin van de Wegenverkeerswet heeft.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk.

Beroep van [appellanten sub 2]

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het beroep van [appellanten sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat betrekking heeft op de achtertuin van het perceel [locatie] aan de zijde van de Larikstraat. [appellanten sub 2] stellen zich op het standpunt dat ten onrechte op dit perceel wordt voorzien in een extra woningbouwmogelijkheid. Zij betogen dat de keus om op deze locatie tot een extra woningbouwmogelijkheid te komen niet is voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing en in strijd is met de Inbreidingsnota voor de bebouwde kom van Putten (hierna: de Inbreidingsnota). De bouw van een woning op het onderhavige perceel doet, aldus [appellanten sub 2], afbreuk aan het straatbeeld van de Larikstraat en is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.4. Naar aanleiding van gelijkluidende bij de raad ingebrachte zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan, heeft de raad besloten de maximale toegestane nok- en goothoogte van woningen aan de Larikstraat, waaronder het desbetreffende perceel te verlagen. Hiermee sluiten, aldus het college in het bestreden besluit, de hoogtematen aan bij de nokhoogten van de andere woningen. Het college heeft verder aangegeven dat het zich kan vinden in de wijze waarop de raad de zienswijze heeft behandeld en stelt zich op het standpunt dat de bedenkingen niet kunnen leiden tot onthouding van goedkeuring aan het plan.

2.5. In de toelichting op het plan is aangegeven dat de Inbreidingsnota een van de onderleggers van het plan vormt. De Inbreidingsnota biedt een overzicht van mogelijke inbreidingslocaties in de gemeente Putten. De locatie in de achtertuin van [locatie] wordt niet vermeld als mogelijke inbreidingslocatie. In de toelichting op het plan is verder aangegeven dat in aanvulling op de locaties die afkomstig zijn uit de Inbreidingsnota, weinig mogelijkheden tot nieuwbouw zijn. In de toelichting is ten slotte nog aangegeven dat er drie locaties zijn waar in de toekomst een woningbouwontwikkeling aan bod kan komen. De locatie in de achtertuin van de [locatie] is hier niet vermeld. In het besluit van de raad van 1 maart 2007, waarbij het plan is vastgesteld, is onder het kopje actualisering Inbreidingsnota, aangegeven dat de Inbreidingsnota de afgelopen jaren nog niets aan waarde heeft ingeboet.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in het kader van de besluitvorming over de Inbreidingsnota de raad naar aanleiding van een verzoek van de eigenaar van het perceel [locatie] uitdrukkelijk heeft besloten dat de bouw van een woning op het perceelsgedeelte in de achtertuin van zijn perceel aan de [locatie] uit planologisch oogpunt niet wenselijk is. In het kort komen de overwegingen er op neer dat de bouw van een woning op gespannen voet staat met het beleid om de transparantie binnen de lindbebouwing en de doorzichten naar de gebieden daarachter zo goed mogelijk in stand te houden.

De motivering die de raad heeft aangedragen om thans wel mee te werken aan de inbreidingslocatie, is dat als gevolg van gewijzigde planologische inzichten besloten is om aan de [locatie] een extra woningbestemming in het bestemmingsplan op te nemen.

2.6. De Afdeling acht de door de raad aangedragen motivering in het licht van de hiervoor weergeven omstandigheden onvoldoende.

2.7. Gelet op deze omstandigheden komt de Afdeling tot de conclusie dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat betrekking heeft op de achtertuin van het perceel [locatie] aan de zijde van de Larikstraat is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat betrekking heeft op de achtertuin van het perceel [locatie] aan de zijde van de Larikstraat, dient te worden vernietigd.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat betrekking heeft op de achtertuin van het perceel [locatie] aan de zijde van de Larikstraat.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 augustus 2007 voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat rust op de achtertuin van het perceel [locatie] aan de zijde van de Larikstraat;

IV. onthoudt goedkeuring aan dit plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de goedkeuring voor zover die is vernietigd;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderdrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kegge

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

224.