Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200707069/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden (hierna: de raad) bij besluit van 16 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Binnenstad II" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 306 met annotatie van A.A.J. de Gier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707069/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Leiden e.a.,

2. de stichting "Stichting Arent van 's-Gravesande", gevestigd te Leiden,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden (hierna: de raad) bij besluit van 16 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Binnenstad II" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de raad e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2007, de stichting "Stichting Arent van 's-Gravesande" (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2007, en [appellant sub 3] (hierna: [appellant sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Stab) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 maart 2008. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2008, waar de raad e.a., vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en mr. G.C. Schramm, de stichting, vertegenwoordigd door W. Kuyper, en [appellant sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Rotterdam, en ing. Schepers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op een deel van de (historische) binnenstad van Leiden. Het plangebied bestaat uit de deelgebieden Academiegebouw/ d'Oude Morsch, De Camp/Maredorp, Pancras-Oost en Levendaal-West. Het plan is in hoofdzaak consoliderend van aard, maar kent daarnaast 16 ontwikkelingslocaties. Een nieuwe ontwikkeling is onder meer het Lightrailtraject (RijnGouweLijn) (hierna: de RGL). Het plan maakt de aanleg van het tracé van de RGL-Oost, dat door het plangebied loopt, mogelijk. De plankaart bestaat uit vijf kaartbladen. Op vier van de vijf kaartbladen zijn per deelgebied de bestemmingen aangegeven. Op kaartblad 5 zijn aan gronden de medebestemmingen met betrekking tot cultuurhistorische waarden aangegeven, zoals de archeologische (verwachtings)waarden en het beschermde stadsgezicht. Op kaartblad 5 staan ook aanduidingen zoals "waardevolle boom".

RGL

2.3. De RGL is een project van de provincie Zuid-Holland om een hoogwaardige openbaarvervoerlijn met lightrailvoertuigen aan te leggen tussen Gouda, via Waddinxveen, Boskoop, Alphen aan den Rijn, Leiden en de kust bij Katwijk en Noordwijk. Het project bestaat uit twee delen. Het oostelijk deel tussen Gouda en het transferium van Leiden bij de A44 zal het eerst aangelegd worden. Een groot deel van het tracé hiervan bestaat al lange tijd. Op het tracé Gouda-Alphen aan den Rijn rijden inmiddels lightvoertuigen op het in 1934 aangelegde spoor. Het tracé van de RGL zal in de toekomst in westelijke richting de bestaande spoorlijn tussen Alphen aan den Rijn en Leiden-Lammenschans volgen.

2.4. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de voorschriften van het plan zijn de op de kaart voor "Verkeersdoeleinden (V)" aangewezen gronden bestemd voor gemotoriseerd verkeer, openbaar verkeer en langzaam verkeer, met de daarbij behorende voorzieningen zoals wegen, busbanen, een lightrailtraject ter plaatse van de Korevaarstraat, Kort Rapenburg, Prinsessekade, Blauwpoortsbrug, Steenstraat, Turfmarkt en Nieuwe Beestenmarkt, voetpaden en fietspaden, trottoirs, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, fietsenstallingen en leidingen.

In artikel 30, lid 7, van de voorschriften van het plan, met als kopje RGL, is bepaald dat de raad bevoegd is de plankaart en de voorschriften te wijzigen indien vaststaat dat de uitvoering van het lightrailproject (RGL) conform het bestemmingsplan geen doorgang zal vinden. De aan te brengen wijzigingen zijn gedetailleerd opgesomd in lid 7.

In artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften, met als kopje procedure wijziging, is bepaald dat alvorens burgemeester en wethouders, respectievelijk de raad beslissen over het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in dit artikel, de in artikel 32 voorgeschreven procedure wordt gevolgd.

2.5. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften, met als kopje RGL, omdat hij dit artikel in strijd acht met het provinciale planologische beleid en met de afspraken die zijn gemaakt in de op 21 april 2005 gesloten bestuursovereenkomst, die is getekend door de gemeente Leiden, de overige aan dit tracédeel gelegen gemeenten en de provincie Zuid-Holland. In deze bestuursovereenkomst is overeengekomen dat tussen partijen overeenstemming bestaat over het nut en noodzaak van een hoogwaardige vorm van openbaar vervoer tussen Gouda en de kust en dat partijen om die reden zo spoedig mogelijk de RGL wensen aan te leggen. Het college heeft overwogen onder ogen te hebben gezien dat de bevolking van Leiden zich inmiddels in een referendum heeft uitgesproken tegen de aanleg van de RGL en dat het gemeentebestuur van Leiden zich beraadt over eventuele vervolgstappen, maar stelt zich op het standpunt dat het op dit moment allerminst zeker is dat die eventuele vervolgstappen zullen leiden tot een wijziging van de bestuursovereenkomst van 21 april 2005 en dat daarom onverkort dient te worden vastgehouden aan de afspraken over de aanleg van de RGL-Oost. Met een eventuele goedkeuring van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 30, lid 7, van de voorschriften van het plan zou, aldus het college, worden ingestemd met het schrappen van de RGL in het plangebied.

Bovendien is goedkeuring onthouden aan artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften, met als kopje procedure wijziging, onder meer omdat ook dit artikelonderdeel de aanduiding "lid 7" heeft gekregen en om verwarring daarover uit te sluiten.

2.6. De raad e.a. stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 30, lid 7, met als kopje RGL, van de planvoorschriften. Zij betogen dat de bestuursovereenkomst waar het college op heeft gewezen - een privaatrechtelijke overeenkomst - geen aanleiding kan vormen tot publiekrechtelijke onthouding van goedkeuring. Als die overeenkomst al in aanmerking mocht worden genomen, dan heeft het college ten onrechte het standpunt ingenomen dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met deze bestuursovereenkomst. Bovendien is het college er ten onrechte vanuit gegaan dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het regionale en provinciale planologische beleid.

2.7. De stichting keert zich eveneens tegen het onthouden van goedkeuring aan artikel 30, lid 7, met als kopje RGL, van de planvoorschriften. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat zij pleit voor een handhaving van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 30, lid 7.

2.8. In het streekplan Zuid-Holland Oost, dat provinciale staten op 12 november 2003 hebben vastgesteld, is de RGL opgenomen als een zogenaamd kernpunt (K27). Volgens het streekplan vormen de kernpunten de schakel tussen de streekplandoelstellingen en de concrete uitvoering van het beleid. De provincie gebruikt de kernpunten om de doorwerking van het streekplan in bestemmingsplannen te waarborgen. Ook in het verkeer- en vervoerplan van de provincie Zuid-Holland voor de periode 2002-2020 komt de RGL voor.

2.9. Ingevolge artikel 11 van de WRO kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij één van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. In dit geval heeft de raad de bevoegdheid tot wijziging aan zichzelf voorbehouden.

2.10. Blijkens het bestreden besluit heeft het college wegens het reeds bestaan van een lid 7 goedkeuring onthouden aan het tweede in artikel 30 opgenomen lid 7, met als kopje procedure wijziging, zodat dit artikellid dient te worden hernummerd. De Afdeling is echter van oordeel dat het tweemaal opnemen van een zevende lid in artikel 30 op zichzelf niet voldoende reden geeft om daarom goedkeuring aan beide leden 7 van artikel 30 te onthouden. Daarbij overweegt zij dat in dit geval mede als gevolg van verschillende opschriften geen gevaar voor verwarring kan bestaan.

2.11. Anders dan van de zijde van het college ter zitting is gesteld acht de Afdeling de in artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet onverenigbaar met artikel 11 van de WRO. De wijzigingen van de plankaart en voorschriften die ingevolge artikel 30, lid 7, mogelijk worden gemaakt betreffen naar het oordeel van de Afdeling niet zodanige wijzigingen dat deze de grenzen van artikel 11 van de WRO te buiten gaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de mogelijke wijzigingen nauwkeurig zijn omschreven en voldoende is bepaald in welke gevallen tot de wijzigingen mag worden overgegaan.

2.12. Daargelaten of de bestuursovereenkomst waar het college op heeft gewezen aanleiding kan vormen tot onthouding van goedkeuring aan het plan, is de Afdeling van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid niet in strijd is met de door het college bedoelde bestuursovereenkomst noch met het provinciaal planologisch beleid. Met de in artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid is beoogd flexibiliteit mogelijk te maken, zodat het plan niet in zijn geheel dient te worden herzien indien de RGL niet door zou gaan op de in het plan voorziene wijze. Anders dan het college heeft overwogen is de wijzigingsbevoegdheid niet opgenomen om de komst van de RGL-Oost te frustreren, maar zal daarvan blijkens de bewoordingen van het voorschrift alleen gebruik kunnen worden gemaakt indien vaststaat dat de uitvoering van het lightrailproject (RGL) conform het bestemmingsplan geen doorgang zal vinden. De bestuursovereenkomst laat de mogelijkheid open dat in een aantal in de overeenkomst genoemde situaties een of meer partijen bij de overeenkomst de overeenkomst kunnen ontbinden.

2.13. De conclusie is dat hetgeen de raad e.a. en de stichting hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat aan artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften, met als kopje RGL, goedkeuring dient te worden onthouden. Door niettemin goedkeuring aan artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28 van de WRO. De beroepen van de raad e.a. en van de stichting zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 30, lid 7, met als kopje RGL, van de planvoorschriften dient te worden vernietigd.

2.14. Nu niet is gebleken dat artikel 30, lid 7, van de planvoorschriften, met als kopje RGL, zich niet verdraagt met het recht of met een goede ruimtelijke ordening en uit het vorenstaande volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om alsnog goedkeuring te verlenen aan dit plandeel.

Goothoogte

2.15. De stichting stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2 van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op de wijze van meten van de goothoogte, aangezien de gevelwand daardoor veel hoger kan worden dan de goothoogte. Zij verwijst hierbij naar het deskundigenbericht dat is opgesteld ten behoeve van de zaak 200405083/1 (stadsvernieuwingsplan "Aalmarkt e.o." van de gemeente Leiden.

2.16. In artikel 2 (bepaling over het meten), lid 1 (wijze van meten), sub d, van de planvoorschriften is bepaald wat onder goothoogte van een gebouw wordt verstaan:

1. indien een gebouw wordt afgedekt met een kap: vanaf het peil tot de hoogst gelegen horizontale snijlijn van het gevelvlak en het hellende dakvlak;

2. indien een gebouw plat wordt afgedekt: vanaf het peil tot de bovenkant van het boeibord van het platte dak.

In artikel 2, lid 1, sub a, van de voorschriften wordt "peil" gedefinieerd als:

1. voor gebouwen waarvan de hoofdingang aan de weg grenst: de hoogte van de afgewerkte begane grondvloer ter plaatse van de hoofdingang; de hoogte is 20 mm boven de aan de hoofdtoegang aansluitende definitieve verharding;

2. voor de overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

2.17. Door de goothoogte te meten vanaf het peil tot de hoogst gelegen horizontale snijlijn van het gevelvlak en het hellend dakvlak bestaat weliswaar de mogelijkheid - zoals de stichting heeft aangevoerd - van een gevelwand die hoger is dan de goothoogte, maar de vrees van de stichting dat gevels zullen worden gebouwd die veel hoger zijn dan de goothoogte, acht de Afdeling niet reëel. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het uiterlijk van een bouwwerk ingevolge artikel 44, eerste lid, onder d, van de Woningwet niet in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand.

2.18. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen de stichting aanvoert omtrent de goothoogte geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat goedkeuring dient te worden verleend aan de besproken onderdelen van artikel 2 van de planvoorschriften.

Zichtlijnen

2.19. Het beroep van de stichting en [appellant sub 3] richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" ter plaatse van de percelen aan de Dolhuissteeg en het Vrouwenkerkhof met betrekking tot de goot- en bouwhoogte aldaar. Zij voeren aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel omdat de zichtlijnen vanuit de Haarlemmerstraat naar de Marekerk ten gevolge van de goot- en bouwhoogte verloren gaan.

2.20. Het college heeft de ingebrachte bedenkingen ten aanzien van de zichtlijnen ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het zicht op de Marekerk vanaf de Haarlemmerstraat door de Vrouwenkerksteeg gelet op de onderlinge afstands- en hoogteverhoudingen ten gevolge van het plan circa 9 centimeter minder zal zijn. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het college er daarbij vanuit gegaan dat als gevolg van de toegestane hoogte van de bebouwing aan het Vrouwenkerkhof ingevolge het voor het plan geldende bestemmingsplan "de Camp" - waarbij is uitgegaan van de maximale bouwhoogte van 11,5 meter - het zicht op de Marekerk vanaf de Haarlemmerstraat over de Vrouwenkerksteeg zal worden beperkt tot een hoogte van 24 meter. Als gevolg van de ingevolge het plan toegestane hoogte van bebouwing aan de Dolhuissteeg - waarbij is uitgegaan van de maximale bouwhoogte van 12,5 meter - zal het zicht op de Marekerk vanaf de Haarlemmerstraat over de Vrouwenkerksteeg, aldus het college, worden beperkt tot een hoogte van 24,09 meter.

2.21. Volgens het deskundigenbericht zal het zicht op de Marekerk vanaf de Haarlemmerstraat over de Vrouwenkerksteeg gelet op de onderlinge afstands- en hoogteverhoudingen ten gevolge van het plan met 11 meter worden gereduceerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de zichtlijn door de Vrouwenkerksteeg op de Marekerk vooral mogelijk is, omdat de bebouwing op de Vrouwenkerkhof 2 tamelijk laag is en het perceel erachter onbebouwd. Het plan maakt ter plaatse van Vrouwenkerkhof 2 11,5 meter hoge bebouwing mogelijk, terwijl de bouwhoogte van het bestaande pand ongeveer 8,5 meter is. Op het onbebouwde perceel wordt 12,5 meter hoge bebouwing mogelijk gemaakt. In de huidige situatie kan, aldus het deskundigenrapport, de voetganger in de Haarlemmerstraat de bovenste 23 meter van de 43 meter hoge Marekerk zien. Bij gebruikmaking van de maximale bouwhoogten zoals die in het plan worden mogelijk gemaakt zijn alleen de bovenste 12 meter van de Marekerk te zien, een reductie van de zichtlijn met 11 meter. De 1 meter hogere goothoogte voor Dolhuissteeg 16 ten opzichte van die voor Vrouwenkerkhof 2 heeft, aldus het deskundigenrapport, een vermindering van enkele decimeters van het zicht op de Marekerk tot gevolg.

2.22. Bij de vergelijking van de zichtlijnen is het college uitgegaan van de ingevolge het bestemmingsplan "de Camp" toegestane bouwhoogte. In het deskundigenbericht is voor het bepalen of de zichtlijnen ten gevolge van het plan verloren gaan, uitgegaan van de bestaande bouwhoogte aan de Vrouwenkerkhof en die zijn vergeleken met de zichtlijnen zoals die ontstaan na de ingevolge het plan toegestane bouwhoogten. Ter zitting is van de zijde van het college aangegeven dat dit verschil in uitgangspunten een verklaring vormt voor de uiteenlopende uitkomsten in het bestreden besluit en het deskundigenbericht van meer dan 10 meter. Naar het oordeel van de Afdeling is in het deskundigenrapport van een juist uitgangspunt uitgegaan door uit te gaan van de bestaande bouw- en goothoogte. De maximaal toegestane bouwhoogten van het bestemmingsplan "de Camp" zijn immers niet gerealiseerd. Niet valt in te zien dat bij de beoordeling van de vraag of de door het plan toegestane bouwhoogten die de zichtlijnen op de Marekerk zullen aantasten, aanvaardbaar zijn, uitsluitend in aanmerking hoeft te worden genomen in hoeverre de toegestane bouwhoogten afwijken van de volgens het vorige plan maximaal toelaatbare bouwhoogten, ofschoon die maximale hoogten niet gerealiseerd zijn. Hieruit volgt dat het college bij de beantwoording van de vraag of aan de in geding zijnde bouw- en goothoogte goedkeuring kan worden verleend, is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de gevolgen daarvan voor het zicht op de Marekerk en is aldus uitgegaan van een aanmerkelijk geringere vermindering van dat zicht dan waarvan in werkelijkheid sprake is.

2.23. De conclusie is dat hetgeen de stichting en [appellant sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gevolgen van het plan voor de zichtlijnen vanuit de Haarlemmerstraat naar de Marekerk, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen die betrekking hebben op het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" ter plaatse van de percelen aan de Dolhuissteeg en het Vrouwenkerkhof met betrekking tot de goothoogte en bouwhoogte aldaar zijn gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" ter plaatse van de percelen aan de Dolhuissteeg 16 en het Vrouwenkerkhof 2 wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beschermd stadsgezicht

2.24. De stichting betoogt dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan het beschermd stadsgezicht.

2.25. Het plangebied maakt deel uit van het beschermde stadsgezicht van Leiden binnen de singels. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 stelt de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd stadsgezicht een plan vast.

2.26. In het plan worden binnen het beschermd stadsgezicht drie zones onderscheiden. Deze zones komen in alle delen van het plangebied voor. Uit kaartblad 5 volgt dat alle gronden van het plangebied de medebestemming "Beschermd stadsgezicht" hebben. In artikel 21, lid 1, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de kaart voor beschermd stadsgezicht aangewezen gronden mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij de beoordeling van aanvragen voor aanlegvergunningen, het verlenen van vrijstellingen, het toepassen van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, en wijzigingsbevoegdheden en de verplichting tot uitwerking geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden.

Op kaartblad 5 staan de rijksmonumenten, de gemeentelijke monumenten en de beeldbepalende panden aangegeven. Voor de beeldbepalende panden zijn bepalingen opgenomen in artikel 4 van de planvoorschriften. De bescherming die op grond van de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht dient te worden geboden, komt verder voor in artikel 3 (kappen), de artikelen 3, 4, 5 en 6 (beeldkwaliteit), artikel 6 (aanlegvergunningsstelsel dat toeziet op de bescherming van waardevolle bomen), artikel 7 (algemene bevoegdheid om mede in het belang van het beschermde stadsgezicht, nadere eisen te stellen ten aanzien van tal van zaken).

2.27. Voor zover de stichting aanvoert dat geen recht wordt gedaan aan het beschermd stadsgezicht, omdat bepalingen in het plan ten aanzien van wegprofielen, zichtassen, kappen en op de vlucht bouwen ontbreken, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij de mate van gedetailleerdheid van het plan. Het plan bevat tal van bepalingen die in het licht van het beschermd stadsgezicht van belang zijn.

2.28. De stichting wijst in verband met het beschermde stadsgezicht ook nog op volgens haar onwenselijke zaken als terrasboten, het behoud van een (voormalig) universiteitsgebouw aan de Kaiserstraat en het wegbestemmen van een universiteitsgebouw aan de Kaiserstraat/Sterrewachtlaan.

2.29. Alleen een terrasboot die in het water langs de Prinsekade (tussen de Haarlemmerstraat en Stille Rijn) ligt heeft een horecabestemming met categorieaanduiding III gekregen. Uit de stukken is gebleken dat deze boot er reeds lang ligt en ten behoeve van horeca wordt gebruikt. Nieuwe boten met een horecabestemming zijn niet toegestaan.

2.30. Uit de toelichting op het plan blijkt dat de universiteitsgebouwen waar de stichting op doelt binnenkort hun functie zullen verliezen. Dit betreft onder meer het gebouw dat langs het water van de singel ligt en het 30 m hoge torengebouw. In het plan is de herontwikkeling planologisch geregeld in de ontwikkelingslocatie Kaiserstraat/Sterrewachtlaan. De gronden waarop het torengebouw staat, hebben de bestemming "Woondoeleinden" gekregen.

Niet valt in te zien dat het college niet in redelijkheid met de ontwikkelingslocatie heeft kunnen instemmen, nu de universiteitsgebouwen hun functie verliezen.

2.31. De conclusie is dat niet staande kan worden gehouden dat het college gelet op hetgeen de stichting heeft aangevoerd omtrent het beschermd stadsgezicht zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoende bescherming biedt aan het beschermde stadsgezicht.

Horeca

2.32. Het beroep van [appellant sub 3] en de stichting richt zich verder tegen de goedkeuring door het college aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok dat is ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg (hierna: het bouwblok).

2.33. De stichting en [appellant sub 3] maken in dit verband bezwaar tegen het ontbreken in de legenda van kaartblad 2 van een verklaring van de onderbroken lijnen zoals die ingevolge kaartblad 2 voorkomen in het bouwblok. Zij voeren aan dat dit tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid leidt en tot gevolg heeft dat er op meer locaties binnen het bouwblok horeca en bedrijven mogelijk worden gemaakt dan is beoogd met het plan.

2.34. [appellant sub 3] voert verder aan dat het college heeft miskend dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de planvoorschriften en de plankaart voor wat betreft de horeca-aanduiding op de gronden van Vrouwenkerkhof 2 tot en met 14 en Dolhuissteeg 10 tot en met 18. Ook maakt [appellant sub 3] bezwaar tegen het toestaan van horeca op het perceel Vrouwenkerkkoorstraat/Lange Mare 71. [appellant sub 3] maakt voorts bezwaar tegen de bestemming die rust op perceel Vrouwenkerkhof 2 omdat dat geen woonbestemming is. Ten slotte wenst [appellant sub 3] dat de mogelijkheid van uitbreiding van het aantal terrassen in het plan wordt uitgesloten.

2.35. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan met betrekking tot horeca op het perceel achter Lange Mare 71/Vrouwenkerkkoorstraat 2 consoliderend van aard is. Geen zicht bestaat op beëindiging van de bestaande horecafunctie. Dat perceel heeft daarom, aldus het college, terecht een horecabestemming gekregen.

Het college overweegt verder dat het plan daarnaast de vestiging toelaat van één nieuwe horecazaak uit maximaal horecacategorie III (restaurants, eetcafé, café-restaurant, grand-cafes) met een brutovloeroppervlakte van maximaal 200 m2. De gemeente beoogt op deze wijze onder meer het her in te richten Vrouwenkerkhof te verlevendigen. Het college kan zich vinden in de motivering van de raad. Daarnaast merkt het college op dat eventuele overlast tegengegaan kan worden door handhaving van het plan, de Wet milieubeheer en de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente.

Verder merkt het college nog op dat op kaartblad 2 onderbroken lijnen zijn aangegeven. De betekenis van deze lijnen is noch in de legenda van kaartblad 2 noch in de planvoorschriften aangegeven. Aan de onderbroken lijnen kan dan ook geen betekenis worden toegekend. De begrenzing van het plandeel wordt daarom, aldus het college, bepaald door de ononderbroken lijn.

2.36. De gronden in het bouwblok aan het Vrouwenkerkhof hebben ingevolge het plan de bestemming "Gemengde doeleinden 5" de aanduiding "hIII" ("tevens horeca III") gekregen.

De gronden die zijn gelegen in het bouwblok aan de Dolhuissteeg (4 t/m 16) hebben ingevolge het plan alleen de bestemming "Gemengde doeleinden 5" gekregen.

De gronden die zijn gelegen in het bouwblok aan de Lange Mare (67 t/m 71a) en de Vrouwenkerkkoorstraat (2), hebben ingevolge het plan eveneens de bestemming "Gemengde doeleinden 5" met daarnaast de aanduidingen "hIII" de "b" ("tevens bedrijven").

Op kaartblad 2 zijn binnen het bouwblok ononderbroken en onderbroken lijnen ingetekend. Blijkens de legenda bij kaartblad 2 betreffen de ononderbroken lijnen de aanduiding "grensaanduiding functies".

In het bouwblok zijn op basis van de bestemming "Gemengde doeleinden 5" de functies wonen, detailhandel, ateliers, publieksgerichte dienstverlening en maatschappelijke doeleinden toegestaan.

Ingevolge artikel 9, lid 1, sub b, onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden - uitsluitend waar dat op de kaart is aangegeven - mede bestemd voor de voorziening bedrijven (aanduiding b).

Ingevolge artikel 9, lid 1, sub b, onder 3, zijn de gronden - uitsluitend waar dat op de kaart is aangegeven - mede bestemd voor de voorziening horeca (aanduiding h).

Ingevolge artikel 9, lid 2, sub c, van de planvoorschriften geldt voor niet-woonfuncties (anders dan horeca) dat uitsluitend activiteiten uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 9, lid 2, sub d, van de planvoorschriften geldt voor de mede voor horeca bestemde gronden dat uitsluitend horeca-activiteiten zijn toegestaan binnen de categorie zoals op de kaart is aangegeven en als bedoeld in artikel 1 lid 36.

In artikel 9, lid 2, sub e, van de planvoorschriften is ten aanzien van horeca op Vrouwenkerkhof 2 tot en met 14/Dolhuissteeg 10 tot en met 18 (kaartblad 2) bepaald dat ten hoogste 1 horecavestiging is toegestaan, met een brutovloeroppervlak van niet meer dan 200 m2.

Ingevolge artikel 19, lid 1, sub c, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Verblijfsgebied Vb"

- uitsluitend waar dat op de kaart is aangegeven - mede bestemd voor een evenementenplein, alsmede terrassen ten behoeve van de aangrenzende horecabedrijven (aanduiding e).

2.37. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat de mogelijkheid van de uitbreiding van het aantal terrassen planologisch dient te worden uitgesloten, merkt de Afdeling op dat de aanduiding e, zoals vermeld in artikel 19, lid 1, van de planvoorschriften nergens is opgenomen op kaartblad 2, zodat terrassen in het bouwblok op grond van het plan - behoudens overgangsrecht - niet mogelijk zijn. Dit betoog faalt dan ook.

2.38. Het betoog van [appellant sub 3] dat het college heeft miskend dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de planvoorschriften en de plankaart voor wat betreft de horeca-aanduiding op de gronden van Vrouwenkerkhof 2 tot en met 14 en Dolhuissteeg 10 tot en met 18, treft doel. Op grond van artikel 9, lid 1, sub b, onder 3, juncto artikel 9, lid 2, sub d, juncto artikel 9, lid 2, sub e, van de voorschriften is op de percelen Vrouwenkerkhof 2 t/m 14 één horecavestiging in categorie I, II of III toegestaan met een maximaal brutovloeroppervlak van 200 m2. Horeca I, II en III betreffen de lichtere vormen van horeca, zoals omschreven in artikel 1, lid 36, van de voorschriften. In artikel 9, lid 2, sub e, van de voorschriften staat vermeld dat die ene horecagelegenheid ook aan "de Dolhuissteeg" kan komen. Blijkens kaartblad 2 heeft de aanduiding "hIII" gezien de "grensaanduiding functies" (de ononderbroken lijn) alleen betrekking op Vrouwenkerkhof 2 tot en met 14. De planvoorschriften maken derhalve ook horeca aan de Dolhuissteeg mogelijk, maar kaartblad 2 niet. Plankaart en planvoorschriften zijn dan ook niet met elkaar in overeenstemming.

2.39. Ten aanzien van het betoog van de stichting en [appellant sub 3] dat ten onrechte in de legenda van kaartblad 2 een verklaring van de onderbroken lijnen zoals die op kaartblad 2 in het bouwblok voorkomen, ontbreekt, overweegt de Afdeling het volgende.

De onderbroken lijnen in het bouwblok aangegeven op kaartblad 2 komen niet voor op de legenda bij kaartblad 2 noch in de planvoorschriften. Gelijk het college heeft overwogen betekent dit dat aan deze lijnen daarom geen betekenis toekomt.

Naar het oordeel van de Afdeling strookt dit echter niet met de bedoeling van de planwetgever.

Het college stelt zich immers in navolging van de raad op het standpunt dat het plan horeca mogelijk maakt op het perceel achter Lange Mare 71/Vrouwenkerkkoorstraat 2 en dat het plan daarnaast de vestiging toelaat van één nieuwe horecazaak uit maximaal horecacategorie III. Uit de stukken kan voorts worden afgeleid dat bedrijven alleen op het perceel Lange Mare 69 toegelaten dienen te worden.

Nu geen betekenis toekomt aan de onderbroken lijnen zijn (op grond van artikel 9, lid 1, sub b, onder 3, juncto artikel 9, lid 2, sub d, juncto artikel 9, lid 2, sub e, van de voorschriften en artikel 9, lid 1, sub b, onder 1, juncto artikel 9, lid 2, sub c, van de voorschriften op grond van de planvoorschriften op de percelen Vrouwenkerkkoorstraat 2, Lange Mare 67 t/m 71a horecavestigingen in categorie I, II en III toegestaan en zijn op de percelen Lange Mare 67 t/m 71a bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan.

Door het betekenisloos worden van de onderbroken lijnen, omdat deze niet voorkomen in de legenda noch in de planvoorschriften, zijn derhalve ruimere mogelijkheden geschapen voor horeca en bedrijven dan de planwetgever voor ogen heeft gehad.

2.40. Gelet op hetgeen in overweging 2.37 en 2.38 is overwogen komt de Afdeling tot de conclusie dat hetgeen de stichting en [appellant sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de stichting en [appellant sub 3] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de goedkeuring door het college van het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg, dient te worden vernietigd.

2.41. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg.

Platanen

2.42. Ten slotte richt het beroep van [appellant sub 3] zich tegen kaartblad 5 omdat de platanen op het Vrouwenkerkhof daarop ten onrechte niet de aanduiding "waardevolle boom" hebben gekregen. Dit betoog faalt op grond van de navolgende overwegingen.

2.43. Op het Vrouwenkerkhof staan zes platanen. Op kaartblad 5 hebben de gronden van het Vrouwenkerkhof met de bestemming "verblijfsgebied" de medebestemming "terrein van archeologische waarde" gekregen. Op deze kaart hebben de platanen niet de aanduiding "waardevolle boom" gekregen.

2.44. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de leeftijd van de bomen, het gaat om betrekkelijke jonge platanen, deze niet de aanduiding "waardevolle bomen" dienen te krijgen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op kaartblad 2 is te zien dat de zes platanen op het Vrouwenkerkhof de aanduiding "cwr" hebben. In artikel 19, lid 1, sub c, onder 3, van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden met deze aanduiding op de kaart mede bestemd zijn voor het behoud van de aldaar aanwezige cultuurhistorische waardevolle restanten. Bestemming, medebestemming en aanduiding sluiten de handhaving van de platanen ter plaatse niet uit.

2.45. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van de raad e.a. te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen van de stichting en [appellant sub 3], is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Leiden e.a. en de stichting "Stichting Arent van 's-Gravensande" voor zover gericht tegen artikel 30, lid 7, met als kopje RijnGouweLijn, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Binnenstad II" gegrond;

II. verklaart de beroepen van de stichting "Stichting Arent van 's-Gravensande " en [appellant sub 3] voor zover die betrekking hebben op het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" ter plaatse van de percelen aan de Dolhuissteeg 16 en het Vrouwenkerkhof 2 met betrekking tot de goothoogte en bouwhoogte aldaar gegrond;

III. verklaart de beroepen van de stichting "Stichting Arent van 's-Gravensande " en [appellant sub 3] voor zover die betrekking hebben op het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 juli 2007, kenmerk PZH-2007-247126, voor zover daarbij:

a. goedkeuring is onthouden aan artikel 30, lid 7, met als kopje RijnGouweLijn, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Binnenstad II";

b. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" ter plaatse van de percelen aan de Dolhuissteeg en het Vrouwenkerkhof;

c. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg;

V. verleent goedkeuring aan artikel 30, lid 7, met als kopje RijnGouweLijn, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Binnenstad II";

VI. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 5" dat betrekking heeft op de gronden binnen het bouwblok die zijn ingeklemd tussen Vrouwenkerkhof, Vrouwenkerkkoorstraat, Lange Mare, Dolhuissteeg en Vrouwenkerksteeg;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt, voor zover het betreft de onder V. en VI. genoemde planonderdelen;

VIII. verklaart de beroepen van de stichting "Stichting Arent van 's-Gravensande " en [appellant sub 3] voor het overige ongegrond;

IX. veroordeelt het college van Zuid-Holland tot vergoeding van de bij de raad van de gemeente Leiden e.a. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan de raad e.a. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

X. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de stichting "Stichting Arent van 's-Gravensande ", [appellant sub 3] en de raad van de gemeente Leiden e.a. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van respectievelijk € 285,00, € 143,00 en € 285,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kegge

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

224.