Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200705083/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam (hierna: het college) aan Woningstichting Hardinxveld-Giessendam vergunning verleend voor het slopen van de woningen Venusstraat 1 tot en met 47 en Peulenlaan 155 tot en met 203a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705083/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hardinxveld Giessendam,

tegen de uitspraak in zaak nrs. AWB 07/211 en AWB 07/99 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 5 april 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam (hierna: het college) aan Woningstichting Hardinxveld-Giessendam vergunning verleend voor het slopen van de woningen Venusstraat 1 tot en met 47 en Peulenlaan 155 tot en met 203a.

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2007, verzonden op 12 juni 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. Lanser en B. van Bommel, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als partij gehoord de woningstichting Omnivera (voorheen de Woningstichting Hardinxveld-Giessendam), vertegenwoordigd door R.P.W. van Smaalen en C. de Vreede.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning van 10 juli 2006 is verleend voor het slopen van een aantal woningen aan de Venusstraat en de Peulenlaan. Op het vrijkomende terrein wordt een woon-/zorgcentrum gebouwd, waarvoor een bouwvergunning is verleend.

2.2. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Gemeente Hardinxveld-Giessendam (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.1.6 van de bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de sloopvergunning te vroeg is verleend, aangezien de bouwvergunning voor het woon-/zorgcentrum nog niet onherroepelijk was. Daardoor kan de sloopvergunning nog niet worden uitgevoerd. [appellant] verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 juni 2004 (LJN: AR 3231). Voorts voert hij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en geen juiste belangenafweging heeft gemaakt.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 december 2005 in zaak nrs. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200502035/1%20en%20200502104/1&verdict_id=12314&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200502035/1%20en%20200502104/1&utm_term=200502035/1%20en%20200502104/1">200502035/1 en 200502104/1</a> kan en moet een sloopvergunning alleen dan worden geweigerd, indien zich één van de in artikel 8.1.6. van de bouwverordening genoemde weigeringsgronden voordoet. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat zich geen weigeringsgronden als hier bedoeld voordeden. Dat de bouwvergunningen voor de bouw van het bejaardencomplex nog niet alle onherroepelijk zijn, is niet een dergelijke weigeringsgrond. Vanwege het limitatief en imperatief karakter van artikel 8.1.6 van de bouwverordening was bij het nemen van de beslissing op de aanvraag om sloopvergunning voorts geen ruimte voor een belangenafweging. De voorzieningenrechter heeft het door [appellant] gestelde belang bij het niet slopen van de woningen voordat de bouwvergunningen onherroepelijk zijn geworden dan ook terecht niet in zijn overwegingen betrokken. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het college gehouden was de sloopvergunning te verlenen.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 18 juni 2004, waarnaar [appellant] verwijst, is overwogen dat zich geen gronden voordoen om de sloopvergunning te weigeren, maar dat, omdat de bouwvergunning is geschorst, aanleiding bestaat ook de sloopvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de situatie die zich in die uitspraak voordoet een andere is dan de situatie in de thans voorliggende zaak. Voor zover [appellant] een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, faalt dit dan ook.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

164.