Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200707371/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lingewaal (hierna: de raad) bij besluit van 31 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Asperen" (hierna: het bestemmingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707371/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lingewaal (hierna: de raad) bij besluit van 31 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Asperen" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna: [appellanten]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2007, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. A.F. van der Meer, en mr. S. Veenis, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol en P.G.A.L. Evers, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door L. de Weerd en C.G. Blom, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen 3" voor zover het betreft het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Zij betogen dat ten onrechte de bedenkingen inzake de bouwhoogte buiten beschouwing zijn gelaten.

2.3. Het beroep van [appellanten] betreffende de bouwhoogte steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. De wijzigingen van bouwhoogten in het bestemmingsplan hebben geen betrekking op het perceel. Gelet op het voorgaande heeft het college de bedenking inzake de bouwhoogte terecht buiten beschouwing gelaten. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de aan de woning gebouwde berging en hobbyruimte (hierna: de aanbouw) ten onrechte als bijgebouw en niet als een deel van het hoofdgebouw is aangemerkt en buiten het bouwvlak is gebracht en daarmee ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.4.1. Het perceel heeft de bestemming "Wonen 3" met gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" en voor het overige de aanduiding "achtertuin". Op het perceel bevindt zich de woning en de aanbouw. De aanbouw is via een corridor en een tussendeur bereikbaar vanuit de woning.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.14 van de planvoorschriften wordt in de planvoorschriften onder "bijgebouw" verstaan: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmeting ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 22.2.1. van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Wonen 3" hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ingevolge artikel 22.2.2. van de planvoorschriften mogen bijgebouwen uitsluitend in een bouwvlak en binnen de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "achtertuin" worden gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de aldaar genoemde voorwaarden.

2.4.3. Wat betreft het betoog dat de aanbouw ten onrechte als bijgebouw en niet als een deel van het hoofdgebouw is aangemerkt, overweegt de Afdeling dat, indien een bestemmingsplan voorziet in een begripsbepaling, deze doorslaggevend is. Voor de kwalificatie van de aanbouw moet daarom aansluiting worden gezocht bij de begripsbepaling van bijgebouw in artikel 1.14 van de planvoorschriften. Gelet op de in deze bepaling genoemde omschrijving, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bereikbaarheid via een tussendeur geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de aanbouw moet worden gekwalificeerd als hoofdgebouw of als bijgebouw.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat, gezien de constructie en de afmetingen van de aanbouw, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ondergeschiktheid van de aanbouw aan de woning. De aanbouw is derhalve terecht aangemerkt als bijgebouw en hoeft niet in het bebouwingsvlak te worden opgenomen.

2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat de aanbouw een oppervlakte heeft van 120 m2 , terwijl de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een hoofdgebouw op de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "achtertuin" ingevolge artikel 22.2.2, aanhef, onder c, van de planvoorschriften maximaal 50 m2 mag bedragen. Aldus is een deel van de aanbouw niet als zodanig bestemd en onder het overgangsrecht gebracht. Het college en de raad hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten onrechte de aanbouw niet in zijn geheel als zodanig is bestemd.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel is vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat rechtens slechts één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet goedkeuring te onthouden aan de aanduiding "achtertuin" op het plandeel met de bestemming "Wonen 3" voor zover het betreft het perceel [locatie].

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 augustus 2007, kenmerk 2007-010600 voor zover het betreft de aanduiding "achtertuin" op het plandeel met de bestemming "Wonen 3" voor zover het betreft het perceel [locatie];

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde planonderdeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 augustus 2007;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 669,68 (zegge: zeshonderdnegenenzestig euro en achtenzestig cent) waarvan een gedeelte, groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

410-573.