Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200800087/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 7 oktober 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over de subsidietijdvakken 1 juli 2003 tot 1 juli 2004, 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 herzien en nader vastgesteld op nihil, en de over deze tijdvakken uitbetaalde subsidies teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 1703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800087/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie),

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3465 van de rechtbank Alkmaar van 19 november 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 oktober 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over de subsidietijdvakken 1 juli 2003 tot 1 juli 2004, 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 herzien en nader vastgesteld op nihil, en de over deze tijdvakken uitbetaalde subsidies teruggevorderd.

Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2007, verzonden op 28 november 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 oktober 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft de minister het door [wederpartij] gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 maart 2008 heeft [wederpartij] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 17 april 2008 heeft de minister een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, en [wederpartij] in persoon en bijgestaan door mr. L.N. Hermes, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343, hierna: de Aanpassingswet) zijn onder meer de artikelen 10, 26, 29 en 36 van de Huursubsidiewet (Hierna: Hsw) komen te vervallen. De Aanpassingswet is op 1 september 2005 in werking getreden en geldt voor subsidietijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop voormelde besluiten zien, vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van de Hsw van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Hsw wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten verstaan onder medebewoner: persoon die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder, en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van de onderhuurder behoort.

Ingevolge artikel 10, aanhef en onder b, wordt huursubsidie slechts toegekend als degenen die op de peildatum medebewoner van de woning zijn:

1º. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, of

2º. vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van de artikelen 2, 3, eerste lid, en 4, eerste lid, bepaalde medebewoners buiten beschouwing laten.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, onderzoekt de minister de juistheid en volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden. Tevens onderzoekt de minister of de personen die in de aanvraag als bewoners van de woning worden vermeld, als zodanig staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, en of in die administratie geen andere personen als bewoner van de woning staan ingeschreven.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid kan aan besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak:

a. als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest,

b. als de artikelen 30a, vierde lid, of 33, tweede lid, niet worden nageleefd, of.

c. als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan, als het eerste lid toepassing vindt, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd.

2.3. In de - in bezwaar gehandhaafde - besluiten tot herziening van de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [de medebewoner] van [wederpartij], op de peildata 1 juli 2003, 1 juli 2004 en 1 juli 2005 geen geldige verblijfstatus had. Volgens de minister had [wederpartij] redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte was verleend.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld omdat de verblijfstatus van de medebewoner ten tijde van de peildata onvoldoende is komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gehandeld. De rechtbank heeft het besluit van de minister van 13 oktober 2006 om die reden vernietigd.

Daarnaast heeft de rechtbank aan de vernietiging van dit besluit ten grondslag gelegd dat naar haar oordeel aan [wederpartij] niet kan worden tegengeworpen dat zij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte is verleend. Volgens de rechtbank had [wederpartij] mogen verwachten dat de minister bij de controle van haar aanvraag ook de verblijfsrechtelijke status van haar medebewoner zou betrekken en mocht [wederpartij] er bij de definitieve toekenning van de huursubsidie van uitgaan dat die status er niet aan in de weg stond dat zij recht had op huursubsidie.

2.4.1. Ambtshalve oordeelt de Afdeling als volgt. Bij brief van 4 oktober 2006 heeft de gemachtigde van [wederpartij] aan de minister laten weten dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst haar heeft medegedeeld dat de medebewoner nooit een status heeft gehad zoals bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000. Voorts vermeldt de gemachtigde van [wederpartij] in die brief dat, gelet hierop, [wederpartij] bij nader inzien niet voldoet aan de eisen voor huursubsidie zoals gesteld in de wet. In haar beroepschrift noch in haar pleitnota bij de rechtbank heeft [wederpartij] betwist dat de medebewoner ten tijde van de peildata geen geldige verblijfstatus had. Gelet hierop is de rechtbank, door alsnog de verblijfstatus van de medebewoner ter discussie te stellen, buiten de omvang van het geding getreden.

2.4.2. De minister betoogt met recht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan [wederpartij] niet kan worden tegengeworpen dat zij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte is verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200706482/1&verdict_id=22763&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200706482/1&utm_term=200706482/1">200706482/1</a>) mag het in het algemeen bekend worden verondersteld dat vreemdelingen in Nederland over een verblijfsvergunning moeten beschikken om in aanmerking te komen voor sociale voorzieningen. Dit uitgangspunt is tot uitdrukking gebracht in de zogenoemde Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland; Stb. 1998, 203 en 204), welke uitgebreid aandacht heeft gekregen bij de invoering ervan. Het verband tussen de verblijfsstatus van de medebewoner en het recht op huursubsidie is naar het oordeel van de Afdeling in artikel 10, aanhef en onder b, van de Hsw voldoende duidelijk gelegd om het oordeel te rechtvaardigen dat [wederpartij] redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte was verleend.

Het betoog van de minister slaagt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, tweede lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van die wet, wordt het besluit van 9 januari 2008 geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dit besluit, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.7. De Afdeling zal de gronden van het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 13 oktober 2006, voor zover door de rechtbank nog niet besproken, zelf bespreken.

2.8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Voor zover [wederpartij] betoogt dat het niet de bedoeling van de Koppelingswet is geweest dat huurders die reeds recht op huursubsidie hadden, dit recht verliezen doordat zij zijn gaan samenwonen met een medebewoner zonder rechtmatig verblijf, wordt geoordeeld dat de tekst van artikel 10, aanhef en onder b van de Hsw duidelijk is en dat de uitleg van [wederpartij] hiermee in strijd is. Dat door de minister een onderscheid wordt gemaakt tussen rechtmatig en niet-rechtmatig in Nederland verblijvende personen, vloeit voort uit de Hsw en vindt rechtvaardiging in het uitgangspunt dat aan de Koppelingswet ten grondslag ligt.

2.9. Het beroep van [wederpartij] op de hardheidsclausule faalt evenzeer. De minister houdt als gedragslijn aan dat een medebewoner met toepassing van de hardheidsclausule slechts buiten beschouwing wordt gelaten in geval van een verzorgingssituatie of langdurig verblijf buitenshuis. Deze gedragslijn is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. [wederpartij] heeft geen feiten of argumenten aangevoerd op grond waarvan de minister - in afwijking daarvan - de hardheidsclausule behoorde toe te passen.

2.10. Het betoog van [wederpartij], inhoudende dat de minister ten onrechte de huursubsidie over de maanden oktober, november en december 2005 heeft herzien nu de medebewoner op 22 september 2005 Nederland heeft verlaten, faalt. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is bepalend voor het recht op huursubsidie de situatie ten tijde van de peildatum, te weten 1 juli 2005.

2.11. Het bij de rechtbank door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 13 oktober 2006 is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 november 2007 in zaak nr. 06/3465;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 januari 2008 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 januari 2008;

V. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.

176-512.