Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200707039/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Oegstgeest (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707039/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Oegstgeest,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/5040 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2007 in het geding tussen:

de regionaal inspecteur van de VROM-inspectie Regio Zuid-West

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Oegstgeest (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het college het door de regionaal inspecteur van de VROM-inspectie Regio Zuid-West (hierna: de inspecteur) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2007, verzonden op 24 augustus 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door de inspecteur daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 mei 2007 vernietigd en het besluit van 9 januari 2007 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, bijgestaan door [directeur van appellant], de inspecteur, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kerssemakers, ambtenaar in dienst van het rijk, het college, vertegenwoordigd door M.J. de Jongh, ambtenaar in dienst van de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal of nationaal ruimtelijk beleid.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een bedrijfswoning met een inhoud van 800 m³ op het perceel. Dit bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Morsebel". Het college heeft krachtens artikel 15 van de WRO in samenhang met artikel 7, zesde lid, van de planvoorschriften vrijstelling verleend.

Voor het gebied, waarin het perceel is gelegen, is, voordat de aanvraag om bouwvergunning is ingekomen, met ingang van 14 april 2005 een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking getreden, zodat de aanvraag om bouwvergunning, nu er geen grond was de vergunning te weigeren, op grond van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet moest worden aangehouden. Het college heeft evenwel met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet bouwvergunning verleend. Daarbij heeft het college onder meer overwogen dat is voldaan aan de in dat artikellid opgenomen voorwaarden aangezien er geen sprake is van strijd met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Bedrijventerrein MEOB".

2.3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college de aanhoudingsplicht niet had mogen doorbreken omdat het college ten tijde van het besluit op bezwaar er van uit had moeten gaan dat het bestemmingsplan "Bedrijventerrein MEOB" in strijd is met het provinciale planologische beleid. [appellante] bestrijdt dit oordeel. Hij voert daartoe aan dat, anders dan waarvan de voorzieningenrechter uit is gegaan, geen wettelijk voorschrift zich er tegen verzet dat de aanhoudingsplicht met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet wordt doorbroken, alvorens de Afdeling een uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het goedkeuringsbesluit omtrent het bestemmingsplan "Bedrijventerrein MEOB".

2.3.1. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring onthouden aan het gedeelte van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein MEOB" waarin het perceel is gelegen. Gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WRO was met ingang van 24 april 2007 voor het perceel het bestemmingsplan "Bedrijventerrein MEOB" in voorbereiding zoals dat met inachtneming van voormeld besluit zou moeten worden vastgesteld. Met dat bestemmingsplan is het bouwplan in strijd. Derhalve kon het college niet met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet bouwvergunning verlenen. De voorzieningenrechter is terecht tot dezelfde conclusie gekomen, zij het dat hij daarbij niet heeft onderkend dat aan de vraag of het bouwplan in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid niet wordt toegekomen.

2.4. Verder betoogt [appellante] terecht dat geen grond bestond voor toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, nu zich niet de situatie voordeed dat na vernietiging van het besluit op bezwaar rechtens nog maar één beslissing mogelijk was. Het is aan het college te onderzoeken of zich bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog de mogelijkheid voordoet om op de voet van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet bouwvergunning te verlenen in afwijking van het eerste lid van dat artikel.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter daarbij het besluit van 9 januari 2007 heeft herroepen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2007 in zaak nr. 07/5040, voor zover de voorzieningenrechter het besluit van 9 januari 2007 heeft herroepen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oegstgeest aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Oegstgeest aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

190-499.