Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200706943/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 29 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goirle (hierna: het college) [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen een termijn van acht weken de bouwwerken als bedoeld op bij dat besluit gevoegde genummerde overzichtstekening met de nummers 3, 5a, 5c, 6, 7, 8, 10 en 11 op het perceel [locatie] te Goirle (hierna: het perceel) geheel te verwijderen dan wel te doen verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706943/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Goirle,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/97 van de rechtbank Breda van 22 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goirle.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 29 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goirle (hierna: het college) [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen een termijn van acht weken de bouwwerken als bedoeld op bij dat besluit gevoegde genummerde overzichtstekening met de nummers 3, 5a, 5c, 6, 7, 8, 10 en 11 op het perceel [locatie] te Goirle (hierna: het perceel) geheel te verwijderen dan wel te doen verwijderen.

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], niet-ontvankelijk en, voor zover ingesteld door [appellant a] en [appellant c], ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2008, waar [appellant a en c], in persoon, bijgestaan door C. Troost, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Schmidt, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten het hoger beroep beperkt, in die zin dat het niet langer betrekking heeft op de bouwwerken als bedoeld op de bij het besluit van 29 maart 2006 gevoegde genummerde overzichtstekening met de nummers 3 en 8.

2.2. Het betoog dat de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, slaagt.

[appellant b] is bij brief van 29 maart 2006 aangeschreven. Dit besluit vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van [appellant b] plaatsvindt. [appellant b] is derhalve als belanghebbende bij het besluit van 5 december 2006, waarbij het besluit van 29 maart 2006 in stand is gelaten, aan te merken. Dat zij ten tijde van de aangevallen uitspraak niet meer op het perceel woonde, betekent niet dat zij geen belang meer had bij beoordeling van het besluit van 5 december 2006. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2.1. Het hoger beroep tegen voormeld onderdeel van de aangevallen uitspraak is gegrond.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bijgebouw, in de aanschrijving aangeduid als bijgebouw nummer 11 (hierna: het gebouw nr. 11) onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" valt. Daartoe voeren zij aan dat dit bijgebouw in 1986 is opgericht en dus op de peildatum van het overgangsrecht van dit bestemmingsplan op het perceel aanwezig was.

2.3.1. Voor zover hiermee wordt betoogd dat het gebouw nr. 11 legaal is, faalt dit betoog. Niet in geschil is dat voor dit gebouw geen bouwvergunning is verleend. Ook als zou worden aangenomen dat het gebouw nr. 11 op de peildatum van het overgangsrecht aanwezig was, laat dit onverlet dat het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschaft of anderszins de bouw legaliseert.

2.4. Ten aanzien van de overige bouwwerken waarop de aanzegging bestuursdwang betrekking heeft, is niet in geschil dat deze zonder de vereiste bouwvergunning zijn opgericht.

2.5. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestond. Daartoe voeren zij aan dat het college bevoegd is met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen en dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het daartoe niet bereid is, temeer nu het college bij brief van 12 november 2007 [appellant a] heeft medegedeeld dat volgens het voorontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" aan het chalet de bestemming "wonen" met de aanduiding "afwijkende bebouwingsmogelijkheden" wordt toegekend en dat het hoofdgebouw (chalet) ter plaatse van deze aanduiding met maximaal 10% mag worden vergroot.

2.6.1. Het college heeft in het besluit op bezwaar, gelezen in samenhang met het besluit in primo, vermeld reeds jarenlang vrij terughoudend om te gaan met het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO. Voorts heeft het college vermeld dat het uitgangspunt van het bestemmingsplan "Buitengebied" is dat mede de natuurwaarden en landschappelijke waarden van het gebied waarin het perceel is gelegen, dienen te blijven beschermd en dat een bepaalde mate van openheid dient te blijven gewaarborgd. Tot slot heeft het college vermeld dat precedentwerking dient te worden voorkomen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200702722/1&verdict_id=18876&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200702722/1&utm_term=200702722/1">200702722/1</a>), volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is vrijstelling te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van concreet zicht op legalisatie geen sprake is. Aan de brief van het college van 12 november 2007 komt in dit verband geen betekenis toe, reeds omdat deze brief dateert van na het besluit op bezwaar.

2.7. Appellanten betogen dat de rechtbank hun beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Daartoe voeren zij aan dat met de brief van het college van 1 maart 2005 bij hen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat met handhaving zou worden gewacht totdat de inhoud van het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" voldoende duidelijk was zodat handhaving materieel daarop zou kunnen worden afgestemd. Voorts voeren zij daartoe aan dat het college tegen het gebouw nr. 11 lange tijd niet heeft opgetreden.

2.7.1. In zijn brief van 1 maart 2005 heeft het college [appellant a] medegedeeld dat het heeft besloten op het perceel toelaatbare bebouwing en gebruik in het kader van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor het buitengebied opnieuw te beoordelen en dat handhaving dan materieel zal kunnen worden afgestemd op de inhoud van dit bestemmingsplan. Voorts heeft het college vermeld [appellant a] nader te zullen informeren, wanneer het voorontwerp van dit bestemmingsplan gereed is en dat het op dat moment een beslissing zal nemen omtrent het uitvaardigen van een aanschrijving in verband met het bouwen zonder bouwvergunning en het illegale gebruik van gronden en opstallen op het perceel.

Deze brief behelst, gezien de inhoud daarvan, geen toezegging dat de volledige procedure van het nieuwe bestemmingsplan zal worden afgewacht alvorens een besluit met betrekking tot handhaving genomen zal worden. De rechtbank heeft in deze brief derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat daarmee gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat door het nemen van het in het geding zijnde bestuursdwangbesluit is geschonden.

2.7.2. Voorts kan het enkele achterwege blijven van handhaving geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat de overtreding ook in de toekomst ongemoeid zal worden gelaten. Aangezien het college nooit heeft aangegeven dat niet tegen de illegale bouwwerken zou worden opgetreden, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de rechtszekerheid zich tegen handhaving verzet.

2.8. Voorts betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de formulering van de te nemen maatregelen ruimer is dan nodig is voor beëindiging van de overtreding. Daartoe voeren zij aan dat het college had moeten onderzoeken of het kon volstaan met hen te gelasten de bouwwerken te verwijderen, voor zover deze niet op grond van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), vergunningsvrij mochten worden opgericht.

2.8.1. Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, van de Awb wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

2.8.2. Appellanten stellen terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op dit betoog. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het verwijderen van enkele van de bouwwerken waarvoor is aangeschreven niet ertoe kan leiden dat de overige van die bouwwerken als bouwvergunningvrije bouwwerken kunnen worden aangemerkt. Vanwege de diepte dan wel de bruto-oppervlakte zou geen van de voor dit geding van belang zijnde bouwwerken waarvoor is aangeschreven op zichzelf als vergunningvrij kunnen worden aangemerkt. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de door de aangeschrevenen te nemen maatregelen aldus had moeten omschrijven.

2.9. Het hoger beroep is voor zover dat geen betrekking heeft op het hiervoor onder 2.2.1. bedoelde onderdeel daarvan ongegrond. De aangevallen uitspraak dient voor zover daarbij het beroep van [appellant b] niet-ontvankelijk is verklaard te worden vernietigd en voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de door [appellant b] tegen het besluit van 5 december 2006 aangedragen beroepsgronden dezelfde zijn als de door [appellanten a en c] zijn aangevoerd. Naar volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen treffen die beroepsgronden geen doel. De Afdeling zal het beroep van [appellant b] tegen het besluit van 5 december 2006 derhalve ongegrond verklaren.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

2.11. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant b] betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover betrekking hebbend op de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellant b], gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 augustus 2007 in zaak nr. 07/97, wat betreft het onder I genoemde onderdeel daarvan;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het door [appellant b] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State het door [appellant b] voor de behandeling van haar hoger beroep betaalde griffierecht, ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro), terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

190-499.