Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200708535/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkens- en geitenhouderij aan de [locatie A] en de [locatie B] te [plaats]. Dit besluit is op 31 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2588
JM 2008/106 met annotatie van Zigenhorn
JOM 2008/700
OGR-Updates.nl 1001661
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708535/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats] (Duitsland),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkens- en geitenhouderij aan de [locatie A] en de [locatie B] te [plaats]. Dit besluit is op 31 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2008, waar [appellant] en anderen, in persoon en bijgestaan door J.P.E. Baakman, en het college, vertegenwoordigd door P. Bovenmarsch, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van zienswijzen hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. (Uitspraak van 1 november 2006, in zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200602308/1&verdict_id=15363&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200602308/1&utm_term=200602308/1">200602308/1</a>, AB 2007, 95.).

Nu de beroepsgrond, dat het bestreden besluit geen stand kan houden omdat in de daaraan verbonden vergunningvoorschriften is verwezen naar regelgeving die niet vrij toegankelijk is en niet op wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, geen betrekking heeft op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 er niet aan in de weg dat deze grond eerst in beroep wordt aangevoerd. Anders dan het college stelt, bestaat dan ook geen grond het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2. Het college stelt dat het beroep niet- ontvankelijk is voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat hun stukken zijn toegestuurd die niet in het Duits zijn vertaald, terwijl zij de Duitse nationaliteit hebben. Dit betoog slaagt niet, omdat het geen aparte beroepsgrond betreft. Nu [appellant] en anderen dit hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun betoog, dat zij naar aanleiding van hun zienswijze hadden moeten worden gehoord, kan het niet worden aangemerkt als een eerst in beroep aangevoerde grond. Anders dan het college stelt, bestaat reeds hierom geen reden het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat van het ontwerp van het besluit ten onrechte niet in een Duitse krant mededeling is gedaan. Voorts betogen zij dat zij ten onrechte geen persoonlijke kennisgeving van het ontwerp van het besluit hebben ontvangen.

2.3.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

2.3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit hiervan kennis is gegeven op de gemeentelijke website en het Nederlandse huis-aan-huisblad 'Achterhoeks Nieuws'. Voorts is volgens het college aan omwonenden in een straal van 200 meter van het bedrijf aan de [locatie A], waaronder [appellant] en anderen, een kopie van de publicatie toegezonden.

2.3.3. Vast staat dat de kennisgeving van het ontwerp van het besluit heeft plaatsgevonden op de gemeentelijke website en in het genoemde huis- aan-huisblad. Voorts acht de Afdeling aannemelijk dat het college, in overeenstemming met zijn beleid dienaangaande, niet op naam gestelde kennisgevingen van het ontwerp van het besluit heeft verzonden, waaronder aan [appellant] en anderen. In de enkele stelling van [appellant] en anderen dat zij deze kennisgeving niet hebben ontvangen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het college niet op de juiste wijze van het ontwerp van het besluit kennis heeft gegeven.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat zij na het indienen van hun zienswijzen ten onrechte niet zijn gehoord, terwijl hiertoe wel aanleiding bestond vanwege hun Duitse nationaliteit en de omstandigheid dat de aan hen verzonden stukken niet naar het Duits zijn vertaald.

2.4.1. Het besluit is in overeenstemming met artikel 8.6 van de Wet milieubeheer voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Daarbij is door het college de mogelijkheid geboden om schriftelijke of mondelinge zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren te brengen. De procedure van afdeling 3.4 kent niet de verplichting voor het bevoegde gezag om degenen die zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, voorafgaande aan het nemen van het definitieve besluit te horen. Dat [appellant] en anderen de Duitse nationaliteit hebben en de gedingstukken in het Nederlands zijn opgesteld, maakt dit niet anders.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat in de vergunningvoorschriften is verwezen naar NEN-normen, AI-bladen en CPR-richtlijnen, zijnde wettelijke voorschriften, die niet op wettelijk voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en niet toegankelijk zijn zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Het besluit dient daarom volgens [appellant] en anderen te worden vernietigd.

2.5.1. Anders dan [appellant] en anderen betogen, zijn de NEN-normen, AI-bladen en CPR-richtlijnen waarnaar in de vergunningvoorschriften is verwezen, geen wettelijke voorschriften. Voor genoemde publicaties geldt geen wettelijk voorgeschreven bekendmaking. Voorts is het niet in strijd met enige rechtsregel dat het college een vergoeding vraagt voor het verstrekken van een afschrift van die publicaties die niet via openbare bronnen zijn te raadplegen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte de activiteiten aan de [locatie A] samen met de activiteiten aan de [locatie B] als één inrichting heeft aangemerkt. Daarbij is volgens [appellant] en anderen onder meer van belang dat de afstand tussen beide onderdelen te groot is.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.6.2. Ter zitting is gebleken dat circa 600 meter is gelegen tussen de [locatie A] en de [locatie B]. Gezien deze afstand kan niet worden gesproken van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de beide onderdelen niet tezamen als één inrichting worden aangemerkt.

Nu de activiteiten waarvoor vergunning is gevraagd niet tezamen als één inrichting kunnen worden aangemerkt, is vergunningverlening conform de aanvraag in strijd met artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland van 23 oktober 2007,

kenmerk Wm06-300;

III. weigert de gevraagde vergunning;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkelland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 685,38 (zegge: zeshonderdvijfentachtig euro en achtendertig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Berkelland aan [appellant] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de gemeente Berkelland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

373-491.