Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200708155/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast binnen tien weken de achter de percelen nrs. [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats] en resp. sectie […], […], […], […] en […] door middel van stelconplaten aangebrachte oppervlakteverharding te verwijderen en de opslag van stelconplaten, betonnen elementen en dergelijke te beëindigen en beëindigd te houden, alsmede de illegaal daar geplaatste zeecontainers te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708155/1.

Datum uitspraak:13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07-3226 van de rechtbank Haarlem van 16 oktober 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast binnen tien weken de achter de percelen nrs. [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats] en resp. sectie […], […], […], […] en […] door middel van stelconplaten aangebrachte oppervlakteverharding te verwijderen en de opslag van stelconplaten, betonnen elementen en dergelijke te beëindigen en beëindigd te houden, alsmede de illegaal daar geplaatste zeecontainers te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 30 maart 2007, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2004 gedeeltelijk herroepen, [appellante] op straffe van een dwangsom gelast binnen zes weken de achter de percelen nrs. [locatie 1], [locatie 2/3] en [locatie 4] te [plaats] door middel van stelconplaten aangebrachte oppervlakteverharding te verwijderen en verwijderd te houden en de opslag van stelconplaten, betonnen elementen, bestratingsmateriaal, keten, laadbakken, schaftwagens, kantoorunits, containers en trailers te beëindigen en beëindigd te houden en de percelen […] en […] vrij te maken van opgeslagen stelconplaten, betonnen elementen, bestratingsmateriaal en containers.

Bij uitspraak van 16 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G. Hilberink, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Woudenberg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen [...], [...] en [...] aan de achterzijde en [...] de bestemming "ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven", op de percelen [...] en [...] aan de voorzijde de bestemming "eengezinshuizen en bijbehorende tuinen en erven" en op de percelen [...] en [...] de bestemming "caravanhandel c.q. -opslag met bijbehorend terrein".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bb, van de bij het plan behorende voorschriften wordt daarin onder ambachtelijk en dienstverlenend bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen, alsmede op het verlenen van diensten.

Ingevolge artikel 5a, eerste lid, zijn de op de kaart voor "eengezinshuizen Ec" en bijbehorende tuinen en erven" aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven" aangewezen gronden bestemd voor ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder opslag-, los-, laad- en parkeerplaatsen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "caravanhandel c.q. -opslag (Ca)" aangewezen gronden bestemd voor de verkoop en opslag, waaronder stalling, alsmede laden en lossen en repareren van caravans.

Ingevolge het vierde lid wordt tot gebruik van gronden en opstallen strijdig met de bestemming, als bedoeld in artikel 49, eerste lid, in ieder geval het opslaan van goederen, stoffen of materialen, waarvan de aanwezigheid voor de bedrijfsvoering niet noodzakelijk is, gerekend.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, is het, behoudens het bepaalde in artikel 51, verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, op een wijze of tot een doel, strijdig met de in dit plan ter plaatse aangegeven bestemming.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, mogen gronden en bouwwerken, die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze in gebruik zijn dan in dit plan is bepaald, als zodanig in gebruik blijven; het is verboden het afwijkende gebruik naar de aard of omvang te vergroten, terwijl is toegestaan het strijdige gebruik te wijzigen, mits de afwijking van het in het plan bepaalde niet wordt vergroot.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu zij door middel van een overgelegde foto aannemelijk heeft gemaakt dat destijds transportbedrijf Markus Transport B.V. ter plaatse was gevestigd en de desbetreffende percelen voor opslag gebruikte, de opslag op de percelen [...], [...], [...], [...] en [...] onder het overgangsrecht is toegestaan.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende percelen ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan voor opslag werden gebruikt. Het betoog faalt.

2.3. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank, door te overwegen dat voor het plaatsen van de zeecontainers bouwvergunning is vereist, heeft miskend dat de zeecontainers steeds korter dan 31 dagen op één plaats aanwezig zijn, omdat zij voor vervoer zijn bestemd.

2.3.1. Ook dat betoog faalt. Het college heeft in het besluit op bezwaar als overtreding die aanleiding is geweest [appellante] te gelasten de zeecontainers te verwijderen en verwijderd te houden, zowel handelen in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, als met artikel 49, eerste lid, van de planvoorschriften vermeld. Het gebruik van de grond voor de opslag van zeecontainers ten behoeve van een transportonderneming is in elk geval in strijd met artikel 49, eerste lid, van de planvoorschriften. Het college kon [appellante] gelasten de zeecontainers deswege te verwijderen en verwijderd te houden.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft aangenomen dat de geconstateerde overtredingen kunnen worden gelegaliseerd, nu het gemeentebestuur een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding heeft en het in de rede ligt dat de bestemming "Caravanhandel c.q. -opslag met bijbehorend terrein" zal worden gewijzigd in een bedrijfsbestemming, omdat ter plaatse geen zinvol gebruik meer kan worden gemaakt van gronden met de bestemming "Caravanhandel c.q. -opslag met bijbehorend terrein".

2.4.1. Zelfs indien het bestemmingsplan dat in voorbereiding is in gebruik van de desbetreffende percelen ten behoeve van een transportonderneming voorziet, was de voorbereiding ten tijde van het besluit op bezwaar niet in een zodanig vergevorderd stadium gekomen, dat het college in verband daarmee moest aannemen dat concreet zicht op legalisatie bestond. Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellante] dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij op zoek is naar een ander bedrijventerrein om zich daar te vestigen.

2.5.1. De rechtbank heeft in de gestelde omstandigheid dat [appellante] op zoek is naar een ander bedrijventerrein om zich daar te vestigen terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan om die reden behoorde te worden afgezien. Daargelaten of en zo ja wanneer een verplaatsing van het bedrijf naar een andere bedrijventerrein zal worden gerealiseerd, heeft [appellante], door de desbetreffende gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken het risico aanvaard dat het college daartegen handhavend zou optreden en heeft het college de gevolgen daarvan voor haar rekening mogen laten, als het heeft gedaan.

2.6. [appellante] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college de begunstigingstermijn niet in redelijkheid op niet meer dan zes weken na het besluit op bezwaar heeft kunnen stellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gesteld dat [appellante] niet binnen deze termijn aan de last kon voldoen. Dat zij, naar gesteld, op zoek is naar een ander bedrijventerrein om zich daar te vestigen, is geen reden om de begunstigingstermijn te kort te achten. Ook de omstandigheid dat de oppervlakteverharding op het perceel [...], naar gesteld, slechts tijdelijk is in verband met de bouw van een woning op dit perceel is dat niet.

2.7. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde last verder strekt dan nodig is om de overtreding te beëindigen, aangezien slechts het gebruik van de gronden, waarop de oppervlakteverharding ligt, in strijd is met de bestemming en niet de verharding zelve.

2.7.1. Ook dat betoog faalt. De overtreding waarop de last ziet bestaat in het gebruik van de gronden in strijd met de bestemmingen "Ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven", en "Caravanhandel c.q. -opslag met bijbehorend terrein". De oppervlakteverharding is aangebracht ten behoeve van dat gebruik. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zijn bevoegdheid heeft overschreden door te gelasten dat [appellante] de aangebrachte stelconplaten dient te verwijderen en verwijderd te houden.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

207-499.