Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200706142/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Katwijk (hierna: de raad) bij besluit van 30 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Horn".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706142/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3 A] en anderen, wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Katwijk (hierna: de raad) bij besluit van 30 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Horn".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2007, [appellant sub 3 A] en anderen (hierna: [appellanten sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2007, [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellanten sub 3] zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 5], het college en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.C.V. Mans, advocaat te Leiden, [appellanten sub 2], bij monde van [appellante sub 2], [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. R.E. Gerritsen, advocaat te Aalsmeer, [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door mr. S.N. Mulder, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. E.C. van Lent, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, eveneens vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellanten sub 3] is mede ingediend namens [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E], [appellant sub 3 F] en [appellant sub 3 G]. Zij hebben geen zienswijzen tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebracht. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep is niet gericht tegen een bij de vaststelling van het bestemmingsplan gewijzigd onderdeel en niet is gebleken dat [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E], [appellant sub 3 F] en [appellant sub 3 G] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht. Het beroep van [appellanten sub 3] is, voor zover ingediend namens [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E], [appellant sub 3 F] en [appellant sub 3 G] niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet onder meer door middel van de uit te werken bestemming "Woondoeleinden (uit te werken)(WU)" in een woningbouwlocatie voor maximaal 410 woningen in de kern Rijnsburg.

Bestemming "Woondoeleinden (uit te werken) (WU)"

2.4. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] betogen dat de bestemming "Woondoeleinden (uit te werken) (WU)" en de daarbij horende uitwerkingsregels in strijd met artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) onvoldoende inzicht bieden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied, hetgeen tot een rechtsonzekere situatie zou leiden.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voormelde bestemming en de daarbij horende uitwerkingsregels voldoende inzicht geven in de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.

2.4.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Bro 1985 geeft een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de wet geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, aan waarop de uitwerkingsverplichting betrekking heeft.

Ingevolge het tweede lid geeft een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bovendien op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.

2.4.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Wonen (uit te werken)(WU)" bestemd voor:

a. het wonen al dan niet met beroepsmatige en kleinschalige activiteiten in de woning of bijgebouwen;

d. wegen met een functie voor verblijf alsmede ter ontsluiting van de nabijgelegen gronden, voet- en fietspaden, met dien verstande dat: binnen een afstand van 50 meter uit de op de kaart gegeven aanduiding "Hoofdontsluiting" de gronden in ieder geval bestemd zijn voor hoofdontsluitingswegen.

Ingevolge het tweede lid, onder b, voor zover hier van belang, bedraagt het maximum aantal te bouwen woningen minimaal 350 en maximaal 410 woningen;

Ingevolge het derde lid, onder a, werken burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

a. als hoofddoelstelling geldt het realiseren van een hoogwaardig woongebied, behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden in het gebied (waarbij historie aanknopingspunt is voor een karakteristieke ruimtelijke inrichting van het gebied gericht op het zichtbaar maken van het archeologische monument en de fundamenten van als Rijksmonument aangegeven molenfundamenten alsmede het herstel van de oude loop van de Vliet);

2.4.4. Hoewel de bestemming "Wonen (uit te werken) (WU)" en de daarbij horende uitwerkingsregels globaal zijn en het college van burgemeester en wethouders hierdoor bij de uitwerking veel beleidsvrijheid bij de invulling van het gebied zullen hebben, overweegt de Afdeling dat evenwel voldoende inzicht bestaat in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied. Daarbij wordt betrokken dat in de uitwerkingsregels is vastgelegd dat ter plaatse een woongebied voor maximaal 410 woningen zal worden verwezenlijkt en dat de ontsluitingsstructuur globaal is vastgelegd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bestemming "Woondoeleinden (uit te werken) (WU)" en de daarbij horende uitwerkingsregels niet in strijd zijn met artikel 13, tweede lid, van het Bro 1985 of met het beginsel van de rechtszekerheid.

Verkeer

2.5. Een aantal door de raad en het college ingediende stukken, waaronder het onderzoek "Wachttijdonderzoek Rijnzichtweg/A44 te Oegstgeest" van 9 juni 2008, is pas op 24 juni 2008 bij de Raad van State ingekomen. Gelet op de aard en omvang van deze stukken wordt overwogen, dat deze met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het voor appellanten zo kort voor de zitting niet meer mogelijk was om op deze omvangrijke stukken op een passende wijze te reageren, zoals door middel van het laten beoordelen van deze stukken door een verkeersdeskundige. Als gevolg hiervan valt niet uit te sluiten dat de procespositie van appellanten hierdoor zou kunnen worden geschaad. Voorts hebben de raad en het college geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij deze stukken niet eerder hebben laten opstellen en in deze procedure naar voren hebben gebracht. Dit klemt te meer nu uit de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007, zaaknrs <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200605099/1&verdict_id=18107&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200605099/1%20en%20200605858/1&utm_term=200605099/1">200605099/1 en 200605858/1</a> inzake de twee bestemmingsplannen "Frederiksoord Zuid" van de gemeenten Oegstgeest en Rijnsburg (thans Katwijk) reeds is af te leiden dat naar de verkeerssituatie in Rijnsburg nader onderzoek geboden was.

2.5.1. [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], en [appellant sub 5] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)". Daartoe voeren zij aan dat verschillende onderzoeken met betrekking tot de bestaande verkeerssituatie en de gevolgen van voormelde plandelen onvolledig dan wel ondeugdelijk zijn. Zij vrezen ernstige verkeersproblemen als gevolg van de voorziene woonwijk. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 4] voeren in dit verband aan dat de Oegstgeesterweg ongeschikt is om te dienen als ontsluitingsweg voor de voorziene woonwijk. Voorts wordt door hen gewezen op voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007.

2.5.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de verkeerssituatie in en rond het plangebied, gelet op de reeds bestaande hoge verkeersintensiteit, thans weliswaar problematisch is, maar dat de bijdrage van de voorziene woonwijk hieraan zeer beperkt is en dat de oplossing van de huidige verkeersproblemen in Rijnsburg in aanpassingen van de regionale infrastructuur, zoals de aanleg van de Rijnlandroute, moet worden gezocht.

2.5.3. In de plantoelichting staat dat de ontsluiting van het nieuwe woongebied hoofdzakelijk verloopt via de Oegstgeesterweg. Het ontwerp van de ontsluitingsstructuur is gebaseerd op de ruimtelijke en verkeerskundige mogelijkheden van het bestaande wegennet. Rekening houdend met een programma van circa 350-410 woningen in het nieuwbouwgebied en het verkeer van en naar de school zal de toename van de verkeersbelasting op de Oegstgeesterweg circa 240 motorvoertuigen in het spitsuur bedragen (thans 150 motorvoertuigen per uur), hetgeen in totaal 390 motorvoertuigen betekent.

In de plantoelichting staat voorts dat in de regio diverse ontwikkelingen gaande zijn welke van invloed zijn op de regionale verkeersstructuur. Voor wat betreft de gemeente Katwijk gaat het met name om de groei van FloraHolland, de bouw van ongeveer 1.000-1.100 woningen in Frederiksoord-Zuid, De Horn en De Kleipetten Zuid, waarbij de verkeersafwikkeling dient plaats te vinden via de Rijnsburgerweg-Rijnzichtweg, 5.000 tot 10.000 te realiseren woningen op de locatie van het marinevliegkamp Valkenburg, waarbij het verkeer afgewikkeld zal moeten worden op de N206 en de A44, de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Rijnfront met de afwikkeling van het verkeer via de Rijnzichtweg en de N206, woningbouw in Katwijk en Noordwijk met enkele honderden woningen, waarbij het verkeer geheel of gedeeltelijk moet worden afgewikkeld op de N206 en de ontwikkeling van bedrijfsterreinen in het gebied Vinkenwegzone, Klei-Oost en Klei-Oost Zuid met verkeersafwikkelig via de N206 en de kern. Door deze toekomstige bebouwing en de aanleg van bedrijventerreinen zal de verkeersdruk in de regio verder worden vergroot. Voorts staat in de plantoelichting dat de bijdrage van het plan aan de verkeersgroei beperkt is. De noodzakelijke nieuwe regionale infrastructuur die de verkeersgroei grotendeels kan terugbrengen betreft evenwel maatregelen die buiten het werkingsgebied van het onderhavige plan vallen. De gemeente zet in regionaal verband alle middelen in om tot een snelle oplossing van de knelpunten te komen, aldus de toelichting.

2.5.4. In het deskundigenbericht staat dat de kern Rijnsburg ingeklemd ligt tussen de rijksweg A44 aan de oostzijde en de provinciale weg N206 aan de westzijde. Voor de hoofdontsluitingen van de kern van Rijnsburg op het hoofwegennet voorziet de Rijnsburgerweg ten zuidoosten van Rijnsburg in een aansluiting op de A44. De Brouwerstraat/Noordwijkerstraat voorziet ten noorden van Rijnsburg in een aansluiting op de N206. De Sandtlaan/Oegstgeesterweg voorzien eveneens in een aansluiting op de N206 door middel van een aantakking ten westen van Rijnsburg. De huidige wegenstructuur binnen Rijnsburg kent een opmerkelijk hoge verkeersbelasting, aldus het deskundigenbericht. Daarbij wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat de verkeersdruk op het lokale wegennet zich niet beperkt tot de spitsperioden maar dat gedurende de gehele dagperiode sprake is van intensief gebruik.

2.5.5. Aan het plan zijn verschillende verkeersonderzoeken van het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng ten grondslag gelegd. Dit betreft het onderzoek "Dynamisch verkeersmodel Oegstgeest: Rijnzichtweg-Rijnsburgerweg" van 5 april 2005, het onderzoek "Verkeersonderzoek De Horn" van 13 maart 2006, het onderzoek "Bereikbaarheid kern Rijnsburg, Doorkijk duurzame hoofdstructuur" van 13 oktober 2006 en het onderzoek "Aanvullende rapportage betreffende verkeersintensiteiten Oegstgeesterweg na realisering De Horn" van 16 november 2006.

2.5.6. In het onderzoek "Dynamisch verkeersmodel Oegstgeest: Rijnzichtweg-Rijnsburgerweg" van 5 april 2005 staat dat als gevolg van autonome ontwikkelingen en realisatie van nieuwbouwprojecten het verkeersaanbod in 2015 fors toeneemt.

2.5.7. In het onderzoek van 13 maart 2006 staat dat de verkeersmodelberekeningen voor het prognosejaar 2020 een groei laten zien van de verkeersintensiteiten op de ontsluitende wegen in de omgeving van de nieuwbouwlocatie Den Horn ten opzichte van de huidige situatie. Analyse van het aandeel verkeer als gevolg van de nieuwbouw in Den Horn laat echter zien dat de bijdrage van Den Horn beperkt is. De groei op de doorgaande (ontsluitende) wegen is voor het grootste deel toe te schrijven aan de autonome groei over de periode, in combinatie met de ontwikkeling van een aantal woningbouw- en bedrijfsterreinlocaties in Rijnsburg en de directe omgeving van Rijnsburg.

2.5.8. In het onderzoek van 13 oktober 2006 staat dat de bereikbaarheid en de leefbaarheid van Rijnsburg onder druk staan vanwege de verschillende lokale en regionale ontwikkelingen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen binnen de kern Rijnsburg en buiten deze kern. Binnen Rijnsburg betreft het de plannen voor onder andere woningbouw op de locaties "De Horn", "Kleipetten Zuid", "Oude Flora" en "Middelmors". Geconcludeerd wordt dat de autonome groei en de regionale ontwikkelingen veel verkeer zullen genereren, waardoor een verkeerstoename van 40 tot 80% zal optreden ten opzichte van de huidige situatie. Om deze verkeersdruk het hoofd te kunnen bieden, zal op regionaal niveau een oplossing gezocht moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van de aanleg van de zogenoemde Rijnlandroute dan wel een verdubbeling van het aantal rijstroken van de N206. Met deze maatregelen wordt een verlaging van de verkeersdruk op de routes door Rijnsburg verwacht. De lokale ontwikkelingen hebben een beperkt effect op de verkeersdruk. De ontwikkeling van de genoemde plannen, waaronder De Kleipetten Zuid, kan leiden tot een toename van 5% van het verkeer, aldus het onderzoek van 13 oktober 2006.

2.5.9. Het onderzoek van 16 november 2006 heeft uitsluitend betrekking op de te verwachten verkeersintensiteit als gevolg van het plan op de Oegstgeesterweg. Geconcludeerd wordt dat aannemelijk is dat wordt gekozen voor een ontsluitingsvariant waarbij niet alle woningen worden ontsloten via de Oegstgeesterweg, maar drie kwart via de Oegstgeesterweg en één kwart via de Korte Voorhouterweg. Uit het onderzoek blijkt dat bij deze variant voldaan wordt aan richtlijnen van het CROW, Handleiding Startporgramma Duurzaam Veilig, ten aanzien van verkeersintensiteiten op erftoegangswegen.

2.5.10. In voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007 zijn de onderzoeken van 5 april 2005 en 13 oktober 2006 aan de orde geweest en de Afdeling heeft, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

"Uit de bestreden besluiten blijkt dat verweerder erkent dat sprake is van aanzienlijke verkeersdruk en capaciteitsproblemen op de betrokken wegen waarop de voorziene woningen worden ontsloten. Bij de goedkeuring van de plannen heeft verweerder echter bepalend geacht dat de verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de voorziene woningbouw gelet op de omvang daarvan in verhouding tot de totale omvang van de verkeersstroom slechts een beperkte invloed zullen hebben op de reeds bestaande problematiek. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat een toename van het verkeer, hoe gering ook, in een overbelaste situatie als de onderhavige tot gevolg kan hebben dat de grens van wat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht, wordt overschreden. Daarbij moet de vraag welke mate van doorstroming, congestiekans en wachttijden aanvaardbaar zijn, worden beantwoord. Bij de beantwoording van deze vraag moeten deze factoren worden genormeerd. Verweerder mocht er derhalve niet zonder deugdelijk onderzoek van uitgaan dat de negatieve invloed van de toename van het verkeer ten gevolge van de voorziene woningbouw op de betrokken wegen verwaarloosbaar is. Voorts getuigt de opmerking van verweerder in de bestreden besluiten, dat binnen afzienbare tijd op een hoger schaalniveau maatregelen zullen moeten worden getroffen om een oplossing te bieden voor de toenemende verkeersdruk op de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg en dat hij er van uitgaat dat de onderhavige verkeersproblematiek in een groter verband binnen afzienbare termijn zal worden opgepakt, van een te beperkte opvatting van de taak van verweerder om te bezien of de onderhavige bestemmingsplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

(….)

In het na het bestreden besluit verschenen rapport "Bereikbaarheid kern Rijnsburg, Doorkijk duurzame hoofdstructuur" worden diverse lokale en regionale ruimtelijke ontwikkelingen en het oplossend vermogen van verschillende maatregelen, zoals de Rijnlandroute, beschreven. Geconcludeerd wordt dat de lokale ontwikkelingen, waaronder de onderhavige plannen moeten worden begrepen, een beperkt effect hebben op de verkeersdruk. Hoewel dit rapport kan worden beschouwd als een aanvulling op eerdere onderzoeken en een nadere onderbouwing van reeds eerder ingenomen standpunten betreft het ook hier een enkele stelling, waarmee onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat de onderhavige bestemmingsplannen voorzien in een toereikende afwikkeling van verkeer ten gevolge van de voorziene woonwijk."

2.5.11. De Afdeling ziet, evenals in haar uitspraak van heden, in zaaknr 200706085/1, met betrekking tot het bestemmingsplan "De Kleipetten Zuid" geen aanleiding om ten opzichte van voormelde uitspraak tot een andersluidend oordeel te komen ten aanzien van het standpunt van het college inzake de verkeerssituatie. Daarbij wordt betrokken dat de onderzoeken van 13 maart 2006 en 16 november 2006 evenmin inzichtelijk maken dat als gevolg van het plan de reeds bestaande en door het college erkende verkeersproblematiek in Rijnsburg niet zodanig kan verslechteren dat de grens van wat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht, zal worden overschreden. Het college heeft het vorenstaande bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring niet onderkend en heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het plan slechts een beperkte toename van het verkeer zal veroorzaken en derhalve in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is immers dat de oplossing van de bestaande en erkende verkeersproblematiek ter plaatse hoofdzakelijk zal zijn gelegen in een aanpassing van de regionale infrastructuur, zoals de mogelijke aanleg van de Rijnlandroute. Onder deze omstandigheid had het college dit bestemmingplan, dat voorziet in een toename van de verkeersintensiteit op een aantal wegen in Rijnsburg, zoals de Oegstgeesterweg, uitsluitend mogen goedkeuren indien bedoelde regionale aanpassing ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concreet was dat van de verwezenlijking hiervan redelijkerwijs kon worden uitgegaan en dat zekerheid bestond over de vraag of de lokale infrastructuur het verkeersaanbod op een aanvaardbare wijze zou kunnen verwerken. Deze situatie heeft zich, anders dan de raad en het college betogen, hier niet voorgedaan, aangezien ten behoeve van de aanleg van de Rijnlandroute nog geen planologische besluitvorming heeft plaatsgevonden. Dat hiervoor reeds een zogenoemde kosten-batenanalyse is gemaakt, dat tussen de gemeente en de provincie afspraken zijn gemaakt omtrent de financiering van de route en dat het voornemen bestaat een milieueffectrapport te laten opstellen ten behoeve van deze route, maakt dat niet anders.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en op dit punt evenmin berust op een deugdelijke motivering.

Perceel [locatie 1]

2.6. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)", voor zover het betreft het perceel [locatie 1]. Zij vrezen dat zij als gevolg van de uit te werken bestemming een deel van hun achtertuin zullen verliezen en betogen in dit verband dat een onzorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Zij stellen dat de cultuurhistorische waarde van het zogenoemde Zandbergenensemble ernstig zal worden aangetast door voormelde bestemming.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de uitwerking van voormelde bestemming de invulling van het gebied zal worden bepaald en dat alsdan het belang van [appellanten sub 1] zal worden betrokken in de belangenafweging.

2.6.2. In het deskundigenbericht staat dat [appellanten sub 1] aan de [locatie 1] wonen in een voormalige bollenschuur. De woning is onderdeel van een open lintbebouwing en vormt met drie andere bollenschuren een cluster van bollenschuren, dat wordt aangemerkt als het zogenoemde Zandbergenensemble. Aan de achterzijde van de woning ligt een tuin met een diepte van circa 40 meter. Het gedeelte van het perceel met de uit te werken bestemming heeft een oppervlakte van circa 350 m² en zal aan het einde van een ontsluitingsweg komen te liggen. In het stedenbouwkundige plan is op het bedoelde perceelsgedeelte één woning voorzien. Een directe verbinding met de Vliet, zoals die nu nog in stand wordt gehouden langs de noordoostzijde van de aanwezige heg, zal worden verbroken.

2.6.3. Dat het plandeel met de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)" in een verplicht op te stellen uitwerkingsplan zijn concrete invulling zal moeten krijgen ontslaat het college, anders dan hij ter zitting heeft betoogd, niet van de plicht om de bij het toekennen van de uit te werken bestemming aan een deel van de achtertuin verrichte belangenafweging inzichtelijk te maken. Daarbij wordt betrokken dat [appellanten sub 1] waarschijnlijk als gevolg van het uit te werken plandeel een deel van hun achtertuin zullen verliezen ten behoeve van de bouw van één woning en dat deze woning een verstorend effect kan hebben op de cultuurhistorische waarde van het zogenoemde Zandbergenensemble. Het college heeft in dit geval niet inzichtelijk gemaakt of deze belangen bij de belangenafweging zijn betrokken en of is bezien dat het niet als zodanig bestemmen van een deel van de achtertuin van [appellanten sub 1] in overeenstemming kan worden geacht met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt evenmin berust op een deugdelijke motivering.

Overige gronden ten aanzien van de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)"

2.7. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.5.11 en 2.6.3 behoeft hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd ten aanzien van de plandelen met de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)" thans geen behandeling. Deze bezwaren kunnen ten volle aan de orde komen indien het college bij een nieuwe besluit omtrent goedkeuring aan deze plandelen goedkeuring verleend.

Perceel [locatie 2]

2.8. [appellant sub 5] betoogt dat de maximale bouwhoogte bij het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" niet deugdelijk is gemotiveerd en afwijkt van de omliggende percelen.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bouwhoogte is aangesloten bij de bestaande hoogte en dat deze in zoverre niet afwijkt van de omliggende percelen, waarbij eveneens is aangesloten bij de bestaande hoogte.

2.8.2. Ingevolge artikel 10, derde lid, onder b, van de planvoorschriften gelden voor woningen de op de plankaart aangegeven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte. Op de plankaart is bij de woning [locatie 2] een maximale bouwhoogte van 6 meter opgenomen.

2.8.3. Het betoog van [appellant sub 5] ten aanzien van de maximale bouwhoogte bij de woning [locatie 2] faalt, aangezien gebleken is dat deze hoogte overeenkomt met de bestaande hoogte van de woning. Ook bij de omliggende woningen is de bestaande hoogte bepalend geweest voor de maximale toegestane bouwhoogte. Het college heeft hiermee in redelijkheid kunnen instemmen.

Perceel [locatie 3]

2.9. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor zover het betreft het perceel [locatie 3]. Zij voeren daartoe aan dat hun bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten per abuis onder de werking van het gebruiksovergangsrecht zijn gebracht.

2.9.2. Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften geldt het in artikel 17, eerste lid, in relatie met het in de artikelen 4 tot en met 17 bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen.

2.9.3. In het deskundigenbericht staat dat in de woning de begane grond wordt gebruikt voor opslag ten behoeve van ambulante handel en er zijn voorzieningen aanwezig voor de opslag van onder meer frisdranken en melk. Het bedrijf is ter plaatse al 23 jaar aanwezig. Het betreft kleinschalige bedrijfsactiviteiten, die in het voorheen geldende bestemmingsplan niet als zodanig waren bestemd.

2.9.4. Ten aanzien van het niet als zodanig bestemmen van de bedrijfsactiviteiten op de begane grond van de woning van [appellanten sub 2] hebben de raad en het college zich op het standpunt gesteld dat het gebruik onder de werking van het gebruiksovergangsrecht valt en dat hiervoor een vrijstelling kan worden verleend. Ter zitting is door de raad en het college bevestigd dat zij geen ruimtelijke bezwaren hebben tegen het als zodanig bestemmen van het huidige gebruik en het niet de bedoeling is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het gebruik in dit geval ten onrechte onder de werking van het gebruiksovergangsrecht is gebracht, hetgeen in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

Eindconclusie

2.10. Uit hetgeen in 2.5.11. en 2.6.3. is overwogen volgt dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen (uit te werken) (WU)", is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en in zoverre evenmin berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 1], het beroep van [appellanten sub 3], voor zover ontvankelijk, het beroep van [appellanten sub 4] en het beroep van [appellant sub 5] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb dienen te worden vernietigd, voor zover het betreft voormelde plandelen.

Het beroep van [appellanten sub 2] is eveneens gegrond en geeft aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor zover het betreft het perceel [locatie 3] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Uit het vorenstaande volgt dat in zoverre rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor zover het betreft het perceel [locatie 3].

Proceskosten

2.11. Verweerder dient ten aanzien van de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. Verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk, voor zover dit is ingediend namens [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E], [appellant sub 3 F] en [appellant sub 3 G];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 juli 2007, kenmerk PZH-2007-249504, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen (uit te werken)(WU)" en het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor zover het betreft het perceel [locatie 3];

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor zover het betreft het perceel [locatie 3];

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder III. genoemde besluit, voor het betreft het onder IV. genoemde plandeel;

VI. veroordeelt het college tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten; € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) voor [appellanten sub 1], € 118,75 (zegge: honderdachttien euro en vijfenzeventig cent) voor [appellanten sub 2], € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) voor [appellanten sub 3], € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [appellanten sub 4] en € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) voor [appellant sub 5]; de genoemde bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt (€ 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1], € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 2], € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 3], € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 4] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

459.