Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9932

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200706085/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Katwijk (hierna: de raad) bij besluit van

30 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Kleipetten Zuid".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 9
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 305 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2008/689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706085/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, te [plaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Katwijk (hierna: de raad) bij besluit van

30 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Kleipetten Zuid".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellant sub 2] en anderen (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, [appellant sub 3] en anderen (hierna: [appellanten sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, en

[appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellant sub 4] zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op

8 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], de raad en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Voor afloop van het vooronderzoek heeft de raad de op het plan betrekking hebbende exploitatieopzet aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de raad medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 28 januari 2008 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is met betrekking tot bepaalde passages van het stuk en de overige partijen gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze toestemming is verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2008, waar [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2] en [naam een der appellanten], [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. M.J.E. Boudesteijn, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest en bijgestaan door ir. E.R. Hooglander, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, eveneens vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet onder meer door middel van de uit te werken bestemming "Woondoeleinden uit te werken (WU)" in een woningbouwlocatie voor 220 woningen in de kern Rijnsburg. Het college heeft het plan goedgekeurd. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] richten zich hier in beroep tegen.

Procedurele aspecten en uitvoerbaarheid

2.3. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge het tweede lid is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob, voor zover hier van belang, blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

b. de economische of financiële belangen van publiekrechtelijke lichamen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke of rechtspersonen dan wel derden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) verrichten burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

Ingevolge het tweede lid heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan. Blijkens de Nota van toelichting op dit Besluit betreft het daarbij in het bijzonder onder meer de financiële uitvoerbaarheid.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek, voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft, zijn neergelegd.

2.3.1. Het betoog van [appellanten sub 3] dat de exploitatieopzet en de Rapportage luchtkwaliteit 2005 ten onrechte niet met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen, faalt.

Ten aanzien van voormelde Rapportage wordt overwogen dat deze niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerp van het bestemmingsplan betrekking hebbend stuk, dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Daarbij is van belang dat deze Rapportage een algemeen overzicht geeft van de luchtkwaliteit in de gehele gemeente Katwijk en geen betrekking heeft op de gevolgen van dit bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit.

Ten aanzien van de exploitatieopzet wordt overwogen dat in overeenstemming met de artikelen 9, tweede lid, en 12, tweede lid, onder a, van het Bro 1985 in de plantoelichting de uitkomsten van het exploitatieonderzoek beknopt zijn opgenomen. Het exploitatieonderzoek zelf is echter ingevolge artikel 3:11, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de Wob, gelet op de financiële belangen van de gemeente, niet met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Gelet op de inhoud van de exploitatieopzet, waar de Afdeling, na toestemming van de partijen, kennis van heeft genomen, wordt het niet ter inzage leggen van dit stuk, gelet op artikel 10, tweede lid, van de Wob, gerechtvaardigd geacht.

2.3.2. Het betoog van [appellanten sub 3] dat het plan niet financieel uitvoerbaar zou zijn, faalt eveneens. Uit voormelde exploitatieopzet blijkt dat met onder meer de kosten van de verwerving van de benodigde gronden rekening is gehouden en de Afdeling is niet gebleken dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de daarvoor gereserveerde middelen toereikend zullen zijn.

Verkeer

2.4. Een aantal door de raad en het college ingediende stukken, waaronder het onderzoek "Wachttijdonderzoek Rijnzichtweg/A44 te Oegstgeest" van 9 juni 2008, is pas op 24 juni 2008 bij de Raad van State ingekomen. Gelet op de aard en omvang van deze stukken wordt overwogen, dat deze met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het voor appellanten zo kort voor de zitting niet meer mogelijk was om op deze omvangrijke stukken op een passende wijze te reageren, zoals door middel van het laten beoordelen van deze stukken door een verkeersdeskundige. Als gevolg hiervan valt niet uit te sluiten dat de procespositie van appellanten hierdoor zou kunnen worden geschaad. Voorts hebben de raad en het college geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij deze stukken niet eerder hebben laten opstellen en in deze procedure naar voren hebben gebracht. Dit klemt te meer nu uit de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007, zaaknrs <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200605099/1&verdict_id=18107&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200605099/1%20en%20200605858/1&utm_term=200605099/1">200605099/1 en 200605858/1</a> inzake de twee bestemmingsplannen "Frederiksoord Zuid" van de gemeenten Oegstgeest en Rijnsburg (thans Katwijk) reeds is af te leiden dat naar de verkeerssituatie in Rijnsburg nader onderzoek was geboden.

2.4.1. Appellanten betogen dat de verschillende onderzoeken met betrekking tot de verkeerssituatie in Katwijk en de verkeersgevolgen van de voorziene woonwijk onvolledig dan wel ondeugdelijk zijn en zij vrezen ernstige verkeersproblemen als gevolg hiervan. In dit verband wijzen zij onder meer op voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007. Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] aan dat de Valkenburgerweg ongeschikt is als ontsluitingsweg voor de voorziene woonwijk en [appellant sub 4] voert aan dat als gevolg van de voorziene doorsteek tussen de Kleipettenlaan en de Christinalaan, gelet op het reeds overbelaste wegennet, sluipverkeer zal ontstaan.

2.4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de verkeerssituatie in en rond het plangebied, gelet op de reeds bestaande hoge verkeersintensiteit, thans weliswaar problematisch is, maar dat de bijdrage van de voorziene woonwijk hieraan zeer beperkt is en dat de oplossing van de huidige verkeersproblemen in Rijnsburg in aanpassingen van de regionale infrastructuur, zoals de aanleg van de Rijnlandroute, moet worden gezocht.

2.4.3. In de plantoelichting staat dat voor het verkeersonderzoek gebruik is gemaakt van de expertise van het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng, dat binnen de regio al meerdere onderzoeken heeft uitgevoerd voor verschillende plannen. Er is onderzoek gedaan naar de invloed van de forse ruimtelijke ontwikkelingen in de regio Leiden en de kleinere woningbouwopgaven in Rijnsburg op de mobiliteitsgroei in de regio. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het onderzoek "Verkeersonderzoek Kleipetten Zuid" van 13 maart 2006, het aanvullende onderzoek "Aanvullende notitie Kleipetten Zuid" van 28 september 2006 en het onderzoek "Bereikbaarheid van de kern Rijnsburg, Doorkijk duurzame hoofdstructuur" van 13 oktober 2006.

2.4.4. In het onderzoek van 13 maart 2006 wordt uitgegaan van een ontsluiting van het plangebied door middel van twee aansluitingen. Voorts wordt uitgegaan van een toename van 1.300 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mtv/etm) als gevolg van het plan.

2.4.5. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het aanvullende onderzoek van 28 september 2006 opgesteld. Het aanvullende onderzoek gaat uit van een toename van 1.200 mvt/etm als gevolg van het plan en van een gelijkmatige verdeling van het verkeer over de drie genoemde routes. In dit onderzoek worden drie ontsluitingsvarianten tegen elkaar afgewogen. De conclusie luidt dat het voor de hand ligt om voor de ontsluiting van het plangebied aan te sluiten bij de bestaande wegenstructuur en dat dit zou betekenen dat de wijk dient te worden ontsloten via de Valkenburgerweg, de Kleipettenlaan en de Nassaulaan/Christinalaan.

Ten aanzien van dit onderzoek staat in het deskundigenbericht dat de cijfermatige gegevens over de al dan niet uitgevoerde verkeerstellingen en de wijze waarop de toedeling op het wegennet is vastgesteld ontbreken.

2.4.6. In het onderzoek van 13 oktober 2006 staat dat de bereikbaarheid en de leefbaarheid van Rijnsburg onder druk staan vanwege de verschillende lokale en regionale ontwikkelingen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen binnen Rijnsburg en buiten deze kern. Binnen Rijnsburg betreft het de plannen voor onder andere woningbouw op de locaties "De Horn", "Kleipetten Zuid", "Oude Flora" en "Middelmors". Geconcludeerd wordt dat de autonome groei en de regionale ontwikkelingen veel verkeer zullen genereren, waardoor een verkeerstoename van 40 tot 80% zal optreden ten opzichte van de huidige situatie. Om deze verkeersdruk het hoofd te kunnen bieden, zal op regionaal niveau een oplossing gezocht moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van de aanleg van de zogenoemde Rijnlandroute dan wel een verdubbeling van het aantal rijstroken van de N206. Met deze maatregelen wordt een verlaging van de verkeersdruk op de routes door Rijnsburg verwacht. De lokale ontwikkelingen hebben een beperkt effect op de verkeersdruk. De ontwikkeling van de genoemde plannen, waaronder De Kleipetten Zuid, kan leiden tot een toename van 5% van het verkeer, aldus het onderzoek van 13 oktober 2006.

2.4.7. In voormelde uitspraak van 5 september 2007, waarbij onder meer het onderzoek van 13 oktober 2006 aan de orde is geweest, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

"Uit de bestreden besluiten blijkt dat verweerder erkent dat sprake is van aanzienlijke verkeersdruk en capaciteitsproblemen op de betrokken wegen waarop de voorziene woningen worden ontsloten. Bij de goedkeuring van de plannen heeft verweerder echter bepalend geacht dat de verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de voorziene woningbouw gelet op de omvang daarvan in verhouding tot de totale omvang van de verkeersstroom slechts een beperkte invloed zullen hebben op de reeds bestaande problematiek. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat een toename van het verkeer, hoe gering ook, in een overbelaste situatie als de onderhavige tot gevolg kan hebben dat de grens van wat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht, wordt overschreden. Daarbij moet de vraag welke mate van doorstroming, congestiekans en wachttijden aanvaardbaar zijn, worden beantwoord. Bij de beantwoording van deze vraag moeten deze factoren worden genormeerd. Verweerder mocht er derhalve niet zonder deugdelijk onderzoek van uitgaan dat de negatieve invloed van de toename van het verkeer ten gevolge van de voorziene woningbouw op de betrokken wegen verwaarloosbaar is. Voorts getuigt de opmerking van verweerder in de bestreden besluiten, dat binnen afzienbare tijd op een hoger schaalniveau maatregelen zullen moeten worden getroffen om een oplossing te bieden voor de toenemende verkeersdruk op de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg en dat hij er van uitgaat dat de onderhavige verkeersproblematiek in een groter verband binnen afzienbare termijn zal worden opgepakt, van een te beperkte opvatting van de taak van verweerder om te bezien of de onderhavige bestemmingsplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

(….)

In het na het bestreden besluit verschenen rapport "Bereikbaarheid kern Rijnsburg, Doorkijk duurzame hoofdstructuur" worden diverse lokale en regionale ruimtelijke ontwikkelingen en het oplossend vermogen van verschillende maatregelen, zoals de Rijnlandroute, beschreven. Geconcludeerd wordt dat de lokale ontwikkelingen, waaronder de onderhavige plannen moeten worden begrepen, een beperkt effect hebben op de verkeersdruk. Hoewel dit rapport kan worden beschouwd als een aanvulling op eerdere onderzoeken en een nadere onderbouwing van reeds eerder ingenomen standpunten betreft het ook hier een enkele stelling, waarmee onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat de onderhavige bestemmingsplannen voorzien in een toereikende afwikkeling van verkeer ten gevolge van de voorziene woonwijk."

2.4.8. De Afdeling ziet, evenals in haar uitspraak van heden, in zaaknr 200706142/1, met betrekking tot het bestemmingsplan "De Horn", geen aanleiding om ten opzichte van voormelde uitspraak van 5 september 2007 tot een andersluidend oordeel te komen ten aanzien van het standpunt van het college inzake de verkeerssituatie. Daarbij wordt betrokken dat het onderzoek van 13 maart 2006, dat overigens in afwijking van het plan uitgaat van twee ontsluitingswegen in plaats van drie, en het onderzoek van 28 september 2006 evenmin inzichtelijk maken dat als gevolg van het plan de reeds bestaande en door het college erkende verkeersproblematiek in Rijnsburg niet zodanig kan verslechteren dat de grens van wat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht, zal worden overschreden. Het college heeft het vorenstaande bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring niet onderkend en heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het plan slechts een beperkte toename van het verkeer zal veroorzaken en derhalve in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is immers dat de oplossing van de bestaande en erkende verkeersproblematiek ter plaatse hoofdzakelijk zal zijn gelegen in een aanpassing van de regionale infrastructuur, zoals de mogelijke aanleg van de Rijnlandroute. Onder deze omstandigheid had het college dit bestemmingplan, dat voorziet in een toename van de verkeersintensiteit op een aantal wegen in Rijnsburg, zoals de Valkenburgerweg, de Nassaulaan en de Kleipettenlaan, uitsluitend mogen goedkeuren indien bedoelde regionale aanpassing ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concreet was dat van de verwezenlijking hiervan redelijkerwijs kon worden uitgegaan en dat zekerheid bestond over de vraag of de lokale infrastructuur het verkeersaanbod op een aanvaardbare wijze zou kunnen verwerken. Deze situatie heeft zich, anders dan de raad en het college betogen, hier niet voorgedaan, aangezien ten behoeve van de aanleg van de Rijnlandroute nog geen planologische besluitvorming heeft plaatsgevonden. Dat hiervoor reeds een zogenoemde kosten-batenanalyse is gemaakt, dat tussen de gemeente en de provincie afspraken zijn gemaakt omtrent de financiering van de route en dat het voornemen bestaat een milieueffectrapport te laten opstellen ten behoeve van deze route, maakt dat niet anders.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering.

Luchtkwaliteit

2.5. [appellanten sub 3] betogen dat de gevolgen van de voorziene woonwijk voor de luchtkwaliteit onvoldoende zijn onderzocht aangezien uitsluitend onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit ter hoogte van de Floralaan.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) zich niet voordoet.

2.5.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

2.5.3. In de plantoelichting staat dat naar aanleiding van het nieuwe verkeersmodel van Goudappel Coffeng in het aanvullende onderzoek van 28 september 2006 nogmaals is gekeken naar de noodzaak voor een luchtkwaliteitsonderzoek. Als het aantal motorvoertuigen onder de 5000 per etmaal blijft, blijft de in het plan als bijlage opgenomen notitie over luchtkwaliteit (Beoordeling luchtkwaliteit; vrijstelling voor het uitvoeren van nader onderzoek) van kracht, aldus de toelichting. Uit recente tellingen (september 2006) is gebleken dat het gemiddelde aantal voertuigen per etmaal op een werkdag op de Floralaan 4391 mvt/etm bedraagt. Uit het aanvullende onderzoek is gebleken dat bij de voorkeursvariant van het verkeersmodel de verkeersintensiteit bij de Floralaan boven de 5000 mvt/etm komt. Deze toename wordt veroorzaakt door de autonome groei en de ontwikkeling van De Kleipetten Zuid. Aangezien de Floralaan het drukste ontsluitingspunt is, is alleen voor de Floralaan alsnog een toets gedaan om te beoordelen of de normen voor de luchtkwaliteit als gevolg van de realisatie van dit plan worden overschreden, aldus de toelichting. Uit deze toets volgt dat in de Floralaan de grenswaarden van het Blk 2005 niet worden overschreden.

2.5.4. In de notitie "Beoordeling luchtkwaliteit; vrijstelling voor het uitvoeren van nader onderzoek" van 30 maart 2006 van de gemeente Katwijk staat dat uit onderzoek blijkt dat wanneer de verkeersbelasting van een 30 kilometerweg ten hoogste 5000 mvt/etm is, de grenswaarden van het Blk 2005 niet worden overschreden. Wel moet volgens deze notitie aan de volgende criteria worden voldaan: de weg is aangewezen als een 30 kilometerweg, een etmaalintensiteit van ten hoogste 5000 motorvoertuigen, slechts één weg is bepalend voor de luchtkwaliteit, er is geen sprake van een doorgaand verkeerroute, er is geen busroute over de te beoordelen weg en er is geen significant afwijkend percentage vrachtverkeer over de te beoordelen weg. Als aan deze criteria wordt voldaan, is het niet nodig om voor elk ruimtelijke plan een ander onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit, aldus voormelde notitie.

2.5.5. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 5 juli 2006, zaaknr <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200509032/1&verdict_id=14253&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200509032/1&utm_term=200509032/1">200509032/1</a>, mag een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit slechts achterwege blijven indien een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit redelijkerwijs is uit te sluiten. Daargelaten de vraag of voormelde notitie verenigbaar is met het bepaalde in het Blk 2005, is in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld om de notitie toe te passen. Door uitsluitend onderzoek te doen naar de gevolgen van de voorziene woonwijk voor de luchtkwaliteit bij de Floralaan, is miskend dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (WU)" een toename van de verkeersintensiteit op de verschillende omliggende wegen tot gevolg zal hebben. Derhalve is niet aannemelijk dat in dit geval slechts één weg bepalend zou zijn voor de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Dat de verkeersintensiteit volgens het aanvullende rapport als gevolg van het plan alleen op de Floralaan zal toenemen tot meer dan 5000 mvt/etm, betekent immers niet dat de andere omliggende wegen, waar de verkeersintensiteit tevens zal toenemen, bij het onderzoek naar de gevolgen van de voorziene woonwijk voor de luchtkwaliteit buiten beschouwing hadden mogen blijven. Voorts is niet aangetoond dat er in deze omgeving geen sprake is van een significant afwijkend percentage vrachtverkeer op de wegen en dit klemt te meer nu niet uit te sluiten is dat de aanwezigheid van de bloemenveiling in deze omgeving betrekkelijk veel vrachtverkeer met zich brengt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit zodanige gebreken vertoont, dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt eveneens is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Conclusie

2.6. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (WU)". De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft voormeld plandeel. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.5.8. en 2.6.5. behoeft hetgeen overigens is aangevoerd thans geen behandeling.

Proceskosten

2.7. Het college dient ten aanzien van de beroepen van [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van 17 juli 2007, kenmerk PZH-2007-253038, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (WU)";

III. veroordeelt het college tot vergoeding van de bij [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten (€ 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro voor [appellanten sub 3] en € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro voor [appellant sub 4]), deze bedragen zijn geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt (€143,00 (zegge: honderddrieenveertig euro) voor [appellant sub 1], €143,00 (zegge: honderddrieenveertig euro) voor [appellanten sub 2], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellanten sub 3], €143,00 (zegge: honderddrieenveertig euro) voor [appellant sub 4]).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

459.