Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200800170/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen (hierna: het college) een verzoek van

[appellant A] en [appellant B] (hierna: appellanten) om het adres [locatie 1] te [plaats] weer in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op te nemen afgewezen en voorts geweigerd vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen om het pand [locatie 2] te [plaats] als twee afzonderlijke, zelfstandige woningen te mogen gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800170/1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 30 november 2007 in zaak nr. 07/445 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen (hierna: het college) een verzoek van

[appellant A] en [appellant B] (hierna: appellanten) om het adres [locatie 1] te [plaats] weer in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op te nemen afgewezen en voorts geweigerd vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen om het pand [locatie 2] te [plaats] als twee afzonderlijke, zelfstandige woningen te mogen gebruiken.

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door appellanten tegen de handhaving van de weigering van het college om het adres [locatie 1] weer in de GBA op te nemen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en dat tegen de handhaving van de weigering om vrijstelling te verlenen gegrond.

Bij uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200607732/1&verdict_id=16866&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200607732/1&utm_term=200607732/1">200607732/1</a> heeft de Afdeling die uitspraak van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij niet op het verzoek om vergoeding van de door appellanten als gevolg van de weigering vrijstelling te verlenen geleden schade is beslist en de zaak in zoverre naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 30 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het desbetreffende verzoek afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2008, waar [appellant B], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van Huut en A. Rotscheid, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Cromstrijen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten verhuurden het pand [locatie 2] te [plaats] in 2005 aan [bedrijf] die in het pand nachtverblijf ter beschikking stelde aan buitenlandse arbeidskrachten. Het college heeft [bedrijf] bij besluit van 10 juni 2005 op straffe van een dwangsom gelast dit gebruik wegens strijd met het bestemmingsplan te beëindigen.

2.2. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de gestelde schade is veroorzaakt door de ten onrechte geweigerde vrijstelling, omdat de last, die de leegstand heeft veroorzaakt, niet zou zijn opgelegd als dadelijk vrijstelling zou zijn verleend.

2.2.1. Dit betoog faalt. De gevraagde vrijstelling betrof niet het gebruik waarop de last zag. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het college deze niet zou hebben opgelegd, indien het de gevraagde vrijstelling dadelijk zou hebben verleend.

2.3. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de lange duur van de leegstand is veroorzaakt door de ten onrechte geweigerde vrijstelling, nu het pand niet als één woning verhuurbaar bleek en zij het wel onmiddellijk als twee woningen hebben kunnen verhuren.

2.3.1. Ook dat betoog faalt. Appellanten hebben met hun enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat het pand niet als één woning verhuurbaar was en evenmin dat bij dadelijke verlening van vrijstelling het pand onmiddellijk als twee woningen verhuurd zou hebben kunnen worden.

2.4. Appellanten betogen tenslotte evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de in de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2006 opgenomen proceskostenveroordeling onvoldoende is om de bij hen opgekomen kosten te vergoeden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat voor een vergoeding van proceskosten krachtens artikel 8:73 van de Awb geen plaats is naast artikel 8:75 van die wet. De uitspraak van de rechtbank van 15 september 2006 staat voorts thans niet ter beoordeling.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Rop

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008

417.