Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
200800651/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten tijde van het nemen van het besluit inmiddels meerderjarige amv / TBV 2003/37

Omdat de vreemdeling ten tijde van het nemen van het besluit van 21 november 2006, waarbij de minister heeft gesteld dat er vanaf 28 september 2003 adequate opvang is, reeds de meerderjarige leeftijd had bereikt, kon het beleid dat niet reeds ten tijde van het besluit een concrete opvangplaats geregeld hoeft te zijn, maar dat dit geregeld moet zijn op het moment waarop de feitelijke terugkeer van een minderjarige wordt gerealiseerd, tenzij het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat aan de verplichting om een concrete opvangplaats te regelen kan worden voldaan, in dit geval geen toepassing meer vinden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800651/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/61466 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 19 december 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) geweigerd om [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 7 november 2001, geldig tot 7 november 2002 en onder gelijktijdige verlenging tot 28 september 2003. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 december 2007, verzonden op 27 december 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris komt in zijn grief op tegen de overweging van de rechtbank dat, juist nu de minister met terugwerkende kracht heeft gesteld dat er adequate opvang is, uit het besluit van 21 november 2006 kenbaar moet zijn dat in de besluitvorming de vraag is betrokken of bij feitelijke terugkeer een concrete opvangplaats voorhanden is totdat de vreemdeling de meerderjarige leeftijd heeft bereikt en dat, nu dat niet kenbaar is, het besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004, in zaak nr. 200401880/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) betoogt de staatssecretaris dat van een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering geen sprake is, nu de minister op basis van adequate informatie mag oordelen dat sprake is van adequate opvang in een bepaald land en dat niet reeds ten tijde van het besluit een concrete opvangplaats geregeld hoeft te zijn, maar dat dit geregeld moet zijn op het moment waarop de feitelijke terugkeer van een minderjarige wordt gerealiseerd, tenzij het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat aan de verplichting om een concrete opvangplaats te regelen kan worden voldaan. Volgens de staatssecretaris kan in het licht van opeenvolgende ambtsberichten niet worden aangenomen dat het op voorhand onmogelijk was te achten dat de minister zou kunnen voldoen aan de verplichting een opvangplaats te regelen. Niet valt in te zien waarom de vreemdeling, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook al heeft zij eerst bij het gehoor door de ambtelijke commissie vernomen dat zij tot 28 september 2003 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning, niet in staat zou zijn met kracht van argumenten te betogen dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat een opvangplaats wordt geregeld. De enkele verwijzing naar latere ambtsberichten waarin is vermeld dat er een tekort aan opvangplaatsen bestaat, is in dit verband niet voldoende, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. Ingevolge artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is voor toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), vereist dat naar het oordeel van de minister voor de alleenstaande minderjarige vreemdeling, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, ontbreekt.

In Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2003/37 (hierna: TBV 2003/37), is, voor zover thans van belang, vermeld dat in Iran een goed functionerend opvangsysteem bestaat voor kinderen die geen ouders meer hebben. Kinderen worden in eerste instantie opgevangen door familieleden. Minderjarigen die om een of andere reden niet langer bij familieleden kunnen verblijven, kunnen worden ondergebracht in opvangtehuizen of pleeggezinnen. Het Bureau for Residential and Foster Care van Behzisti, de welzijnsorganisatie van de Iraanse regering, is verantwoordelijk voor de plaatsing van de kinderen. Hierom kan worden geconcludeerd dat adequate opvang voor minderjarigen aanwezig is. Minderjarigen van Iraanse nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, aldus het TBV.

2.1.2. In het besluit van 21 november 2006 heeft de minister zich onder verwijzing naar TBV 2003/37 op het standpunt gesteld dat gebleken is dat voor de vreemdeling met ingang van 28 september 2003 adequate opvang in Iran beschikbaar is en dat de vreemdeling conform het specifieke beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen vanaf 28 september 2003 niet meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14, aanhef en onder e, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, van het Vb 2000.

2.1.3. Omdat de vreemdeling ten tijde van het nemen van het besluit van 21 november 2006, waarbij de minister heeft gesteld dat er vanaf 28 september 2003 adequate opvang is, reeds de meerderjarige leeftijd had bereikt, kon het beleid dat niet reeds ten tijde van het besluit een concrete opvangplaats geregeld hoeft te zijn, maar dat dit geregeld moet zijn op het moment waarop de feitelijke terugkeer van een minderjarige wordt gerealiseerd, tenzij het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat aan de verplichting om een concrete opvangplaats te regelen kan worden voldaan, in dit geval geen toepassing meer vinden. De klacht treft in zoverre geen doel.

De staatssecretaris betoogt evenwel terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 21 november 2006 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Uit het besluit is immers kenbaar dat de minister in zijn besluitvorming wel de vraag heeft betrokken of bij feitelijke terugkeer een concrete opvangplaats voorhanden zou zijn geweest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 oktober 2003 in zaak nr. 200305039/1, JV 2003/562), is het aan de desbetreffende vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, tegenover de minister aannemelijk te maken dat adequate opvang in zijn geval niet mogelijk is.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan niet worden aangenomen dat, reeds omdat de vreemdeling eerst ten tijde van de hoorzitting op 25 september 2006 heeft vernomen dat zij tot 28 september 2003 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning onder de beperking "alleenstaande minderjarige vreemdeling", dit voor haar niet mogelijk was. Met de enkele stelling dat uit de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Iran van augustus 2006 en juni 2007 blijkt dat een structureel tekort bestaat aan plaatsen, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar geen adequate opvang beschikbaar zou zijn geweest. Onder deze omstandigheden hoefde de minister voor een nader onderzoek en een verdergaande motivering van zijn standpunt inzake adequate opvang dan ook geen aanleiding te zien.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit van 21 november 2006 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zij door de lange duur van de procedure sterke banden met Nederland heeft opgebouwd en zo ver verwijderd is geraakt van de Iraanse cultuur, dat van haar niet kan worden verlangd om terug te keren naar Iran.

De omstandigheid dat de vreemdeling gedurende de procedure in Nederland heeft verbleven en hier te lande is geïntegreerd, heeft de minister terecht niet aangemerkt als een omstandigheid die niet geacht kan worden bij de vaststelling van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen te zijn betrokken en zo bijzonder is dat die tot afwijking van dat beleid zou nopen.

2.4. In de enkele stelling van de vreemdeling dat de gestelde opvangmogelijkheden in Iran, gelet op haar maatschappelijke en culturele ontwikkeling niet als passend kunnen worden aangemerkt, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat vanaf 28 september 2003 voor de vreemdeling geen adequate opvang beschikbaar was.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 19 december 2007 in zaak nr. 06/61466;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2008

91-473.

Verzonden: 30 juli 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak