Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
200804914/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China/ zicht op uitzetting

Vaststaat dat de Chinese autoriteiten in het jaar 2007 en tot juni 2008 geen laissez-passer aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen hebben verstrekt. Dit neemt niet weg dat op de vreemdeling de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1), brengt dit mee dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat de vreemdeling vorenbedoelde medewerking heeft verleend. Hij heeft evenmin bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht concrete en verifieerbare gegevens betreffende zijn identiteit te verschaffen en met de hiervoor bedoelde documenten te staven. Voorts heeft de staatssecretaris gesteld dat de Chinese ambassade hier te lande de dossiers met de verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument voorlegt aan de autoriteiten in Peking en dat de afhandeling van die verzoeken moet worden verbeterd. Dit laatste gebeurt doordat de afhandeling van verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument op diplomatiek niveau ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten, zodat op dit moment de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen. De staatssecretaris heeft hierover op 9 mei 2008 met de meest betrokken bewindspersonen overleg gevoerd en het onderwerp is eveneens aan de orde gesteld tijdens een recent bezoek van de vice-minister van Justitie van China aan Nederland. Ook de vaste Kamercommissie heeft op 28 mei 2008 te kennen gegeven hierover met de ambassadeur van China in bespreking te willen. Weliswaar hebben deze activiteiten nog niet tot een concrete toezegging van de zijde van de Chinese autoriteiten geleid over de afgifte van laissez-passer, maar de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden en in de komende periode zullen, aldus de staatssecretaris, naar verwachting tot een veranderde houding leiden.

Onder deze omstandigheden bestaat thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804914/1.

Datum uitspraak: 28 juli 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/19354 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2008 is C.S. Su (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in grief 3 is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met dat oordeel volstaan.

2.2. In de grieven 1, 2 en 4 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu gedurende een termijn van dertien maanden geen laissez-passer door de Chinese autoriteiten aan Chinese vreemdelingen is verstrekt, thans hooguit sprake is van een theoretische kans op uitzetting hetgeen in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris miskend dat voor de beoordeling of zicht op uitzetting niet ontbreekt van belang is dat de vreemdeling actieve en volledige medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek noodzakelijk documenten. Voorts heeft zij in dat kader miskend dat de staatssecretaris de maximale inspanning levert door de afhandeling van verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument op diplomatiek niveau bij de Chinese autoriteiten ter sprake te brengen om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen, aldus de staatssecretaris.

2.2.1. Vaststaat dat de Chinese autoriteiten in het jaar 2007 en tot juni 2008 geen laissez-passer aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen hebben verstrekt.

Dit neemt niet weg dat op de vreemdeling de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1, www.raadvanstate.nl), brengt dit mee dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

Niet is gebleken dat de vreemdeling vorenbedoelde medewerking heeft verleend. Hij heeft evenmin bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht concrete en verifieerbare gegevens betreffende zijn identiteit te verschaffen en met de hiervoor bedoelde documenten te staven.

Voorts heeft de staatssecretaris gesteld dat de Chinese ambassade hier te lande de dossiers met de verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument voorlegt aan de autoriteiten in Peking en dat de afhandeling van die verzoeken moet worden verbeterd. Dit laatste gebeurt doordat de afhandeling van verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument op diplomatiek niveau ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten, zodat op dit moment de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen. De staatssecretaris heeft hierover op 9 mei 2008 met de meest betrokken bewindspersonen overleg gevoerd en het onderwerp is eveneens aan de orde gesteld tijdens een recent bezoek van de vice-minister van Justitie van China aan Nederland. Ook de vaste Kamercommissie heeft op 28 mei 2008 te kennen gegeven hierover met de ambassadeur van China in bespreking te willen. Weliswaar hebben deze activiteiten nog niet tot een concrete toezegging van de zijde van de Chinese autoriteiten geleid over de afgifte van laissez-passer, maar de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden en in de komende periode zullen, aldus de staatssecretaris, naar verwachting tot een veranderde houding leiden.

Onder deze omstandigheden bestaat thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 22 mei 2008 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling onrechtmatig is omdat, gelet op het ambtsbelofte opgemaakte en getekende proces verbaal van bevindingen van 22 mei 2008 (hierna: het proces verbaal), onvoldoende aanleiding bestaat om hem in bewaring te stellen. Volgens hem is dit proces-verbaal niet geheel juist en onvoldoende concreet en moet uit de hierin vermelde omstandigheid dat uit ervaringsgegevens bleek dat veel personen van Chinese nationaliteit na het uitreiken van het voornemen en voordat de beschikking kon worden uitgereikt met onbekende bestemming van het aanmeldcentrum Ter Apel vertrokken en wederom in de illegaliteit verdwenen, worden afgeleid dat sprake is een discriminatoir aspect ten aanzien van een groep Chinese vreemdelingen.

2.4.1. In het proces-verbaal is het volgende gerelateerd: "(…) Gelet op het feit dat betrokkene reeds langere tijd in Nederland illegaal heeft verbleven en reeds eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, werd betrokkene overgebracht naar een plaats van verhoor, daar ik voornemens was om hem in bewaring te stellen. Het voornemen tot de inbewaringstelling ontstond uit informatie uit de ons te dienste staande systemen en informatiebronnen. Tevens bleek uit ervaringsgegevens dat veel personen van de Chinese nationaliteit na het uitreiken van het voornemen en voordat de beschikking kon worden uitgereikt met onbekende bestemming van het aanmeldcentrum Ter Apel vertrokken en wederom in de illegaliteit verdwenen."

2.4.2. Gelet op het bovenstaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van de vreemdeling voldoende gronden in het belang van de openbare orde bestaan die het vermoeden rechtvaardigen dat hij zich, indien in vrijheid gesteld, aan de voorgenomen uitzetting zal onttrekken en heeft hij de vreemdeling in bewaring kunnen stellen. Dat in het proces-verbaal abusievelijk is vermeld dat de vreemdeling eerder in bewaring is gesteld, maakt dat niet anders. Van een discriminatoir aspect is geen sprake. De beroepsgrond faalt.

2.5. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 mei 2008 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008 in zaak nr. 08/19354;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2008

395.

Verzonden: 28 juli 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak