Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
200703157/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2007, kenmerk 2007/0131843, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college van gedeputeerde staten) krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twence B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het op het perceel Almelosestraat 3 te Zenderen oprichten en in werking hebben van een afvalverwerkingsinrichting (locatie Elhorst-Vloedbelt, gemeente Borne).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/4392
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2626
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4586
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1504
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4597
JAF 2008/49 met annotatie van Van der Meijden
JM 2008/96 met annotatie van Pieters
JBO 2008/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703157/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Borne,

2. het college van burgemeester en wethouders van Borne,

3. de stichting Stichting Behoud Elhorst/ Vloedbelt, gevestigd te Zenderen,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. de stichting Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen, gevestigd te Zenderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2007, kenmerk 2007/0131843, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college van gedeputeerde staten) krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twence B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het op het perceel Almelosestraat 3 te Zenderen oprichten en in werking hebben van een afvalverwerkingsinrichting (locatie Elhorst-Vloedbelt, gemeente Borne).

Tegen dit besluit hebben de raad van de gemeente Borne (hierna: de raad) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, het college van burgemeester en wethouders van Borne (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, de stichting Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, en de stichting Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, beroep ingesteld. Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2007, hebben de raad, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen de gronden van hun beroepen aangevuld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, het college van burgemeester en wethouders, de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen en het college van gedeputeerde staten hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2008, waar de raad, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, vertegenwoordigd door E.J.A. Mossel, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, ing. A. Pap-Schweiger en ing. J.J. Dop, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, mr. drs. R.J.H. van der Wal, mr. P.W.L. Horsthuis, J. Kroon, A. Snik en ing. Bouwmans.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en schriftelijk een vraag gesteld aan de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen. Deze stichting heeft naar aanleiding daarvan nader stukken in het geding gebracht. De andere partijen hebben hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 15 juli 2008, waar de raad, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, vertegenwoordigd door E.J.A. Mossel, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. T.K. Postma, advocaat te Zwolle, en ing. A. Pap-Schweiger, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

Algemeen

2.1. De inrichting is een stortplaats, waarvoor eerder bij besluit van 15 maart 1988, gewijzigd bij besluit van 7 september 1993 en 28 november 1995, krachtens de Afvalstoffenwet een vergunning voor een periode van tien jaar is verleend. Nadat deze vergunning is komen te vervallen, heeft het college van gedeputeerde staten op 25 februari 2003 aan vergunninghoudster een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Dit besluit heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 mei 2004 vernietigd (zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200302578/1&verdict_id=7306&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200302578/1&utm_term=200302578/1">200302578/1</a>).

Ontvankelijkheid

2.2. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat de doelstelling te algemeen is en niet specifiek ziet op milieubelangen.

2.2.1. De Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betoogt dat zij wel belanghebbende is bij het bestreden besluit. Daartoe wijst zij op de in het Dorpsplan Zenderen 2008 vermelde activiteiten en op het convenant ‘Bestuursconvenant Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen en de gemeente Borne’ van 26 februari 2002, alsmede op haar inzet voor de aanpassing van de Hoofdstraat te Zenderen en haar bemoeienis met de opzet en inrichting van de Groene Poort en het buitengebied van Zenderen.

2.2.2. Het bestreden besluit is gericht op de behartiging van milieubelangen. De Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen is opgericht op 6 april 1979. Blijkens artikel 2 van haar op 13 oktober 1989 gewijzigde statuten is haar doel: "Het bevorderen en behartigen van de belangen van de Zenderense gemeenschap op maatschappelijk, recreatief en cultureel gebied, zulks in de meest ruime zin van het woord". Het eerder genoemde convenant betreft een intentieverklaring over de wijze van samenwerken van het gemeentebestuur en de stichting op het gebied van planologie, straatnaamgeving, welzijn, sport, cultuur en onderwijs, openbare werken en verkeers- en vervoersvoorzieningen, teneinde tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in Zenderen te komen. Gelet hierop behartigt de stichting blijkens haar doel en haar feitelijke activiteiten in het bijzonder het belang van het woon- en leefklimaat van de leefgemeenschap Zenderen. Dit belang is voldoende gespecificeerd. Het omvat ook milieubelangen. Derhalve zijn de belangen van de stichting rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken, zodat zij belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Haar beroep is in zoverre ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

De raad heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van de raad is reeds hierom niet-ontvankelijk.

2.4. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders niet-ontvankelijk is voor zover het beroep betrekking heeft op de tijdelijkheid van de vergunning, de effecten van het verkeer buiten de inrichting op de luchtkwaliteit, het uitgevoerde geuronderzoek, het beperken van de acceptatie van (afval)stoffen behorende tot de stuifklassen S4 en S5, het toepassen van roetfilters op machines, evenals onderhoudsvoorschriften op dit punt en de voorschriften 4.2.2, 4.2.3 en 4.2.4 van de vergunning. Dit omdat deze beroepsgronden niet in overeenstemming zijn met de ingediende zienswijzen.

2.4.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. (uitspraak van de Afdeling van 1 november 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200602308/1&verdict_id=15363&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200602308/1&utm_term=200602308/1">200602308/1</a>, AB 2007, 95).

2.4.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft zienswijzen naar voren gebracht omtrent de tijdelijkheid van de vergunning, de aspecten geurhinder, luchtkwaliteit en stofhinder. De in rechtsoverweging 2.3 weergegeven beroepsgronden hebben daar mede betrekking op. In zoverre bestaat geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van dit beroep.

Het college van burgemeester en wethouders heeft daarentegen geen zienswijzen met betrekking tot het besluitonderdeel geluid naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit het college van burgemeester en wethouders redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders in zoverre niet-ontvankelijk is.

Toereikendheid aanvraag

2.5. De Afdeling begrijpt het beroep van het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen aldus dat zij van mening zijn dat de aanvraag niet toereikend is, omdat een exploitatie-, toezicht-, controle-, bestrijdings- en bedrijfsnoodplan ontbreekt. Daarnaast bevat de aanvraag huns inziens onvoldoende gegevens omtrent de bedrijfsprocessen, de bijbehorende installaties en aard en omvang van de milieubelasting om deze te kunnen beoordelen.

2.5.1. Gelet op voorschrift 1.1.1 van de vergunning maken de aanvraag en de genoemde bijlagen en aanvullende gegevens bij de aanvraag, behoudens het milieu-effectrapport uit 2001, onderdeel uit van het bestreden besluit. In deze stukken zijn de volgens artikel 5.1, eerste lid, van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) benodigde gegevens omtrent de bedrijfsprocessen, de bijbehorende installaties en aard en omvang van de milieubelasting vermeld.

Het Ivb schrijft niet voor dat een bestrijdingsplan of een bedrijfsnoodplan bij de aanvraag wordt overgelegd. Wel dienen ingevolge artikel 5.4, aanhef en onder a, van het Ivb bij de aanvraag gegevens te worden verstrekt over voorvallen als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer die redelijkerwijs zijn te verwachten. Op 11 augustus 2006 is de aanvraag met de desbetreffende informatie aangevuld.

Ingevolge artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder e, van het Ivb voegt de aanvrager bij de aanvraag exploitatie-, toezicht-, controleplannen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 7, onder f, van de richtlijn storten (EG-richtlijn 1999/31/EG). De gegevens die de desbetreffende plannen bevatten, dienen ingevolge de artikel 5.1 en 5.11 van het Ivb reeds met de aanvraag te zijn overgelegd. Niet bestreden is dat de aanvraag in zoverre de benodigde gegevens bevat. Anders dan artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder e, van het Ivb eist, zijn deze gegevens niet in planmatige vorm overgelegd. Desalniettemin heeft het college van gedeputeerde staten, gezien de in de aanvraag vermelde gegevens, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Gelet op artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college van gedeputeerde staten de aanvraag dan ook in redelijkheid in behandeling kunnen nemen. De beroepsgrond faalt.

Openbare kennisgeving/ terinzagelegging

2.6. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat ten onrechte niet bij alle bebouwde eigendommen rondom de inrichting niet op naam gestelde kennisgevingen zijn verspreid, zodat mogelijk daardoor belanghebbenden zijn benadeeld. Tevens is het ontwerp van het bestreden besluit met de daarop betrekking hebbende stukken niet ter inzage gelegd op het gemeentehuis van Almelo. Voorts zijn bepaalde stukken behorende bij het milieu-effectrapport uit 2001 volgens haar niet ter inzage gelegd. Daarnaast hebben zich onvolkomenheden voorgedaan bij de kennisgeving van het definitieve besluit, aldus de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt.

2.6.1. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

2.6.2. Niet in geschil is dat van het ontwerp van besluit kennis is gegeven in het Almelo’s weekblad. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten onverplicht onder gebruikers van gebouwde eigendommen binnen een straal van 500 meter rondom de grens van de inrichting niet op naam gestelde kennisgevingen verspreid. Tussen partijen is evenmin in geschil dat niet alle gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting een niet op naam gestelde kennisgeving hebben ontvangen.

2.6.3. Het bestreden besluit is overeenkomstig artikel 8.6 van de Wet milieubeheer voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college van gedeputeerde staten heeft, anders dan de Stichting behoud Elhorst/Vloedbelt meent, door kennis te geven van het ontwerp in het Almelo’s weekblad voldaan aan het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel kent niet de verplichting om niet op naam gestelde kennisgevingen in de directe omgeving van de inrichting te verspreiden, zoals wel het geval was ingevolge artikel 13.4 van de Wet milieubeheer, zoals dit artikel gold tot 1 juli 2005.

Wel brengt de zorgvuldigheid met zich dat, ook al zijn de niet op naam gestelde kennisgevingen onverplicht verspreid, deze aanvullende wijze van bekendmaken op de juiste wijze dient te geschieden. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten te kennen gegeven - hetgeen door de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt niet is weersproken - dat bij het verspreiden van de niet op naam gestelde kennisgevingen is uitgegaan van de door de gemeente Borne verstrekte gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Dat desondanks niet alle gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting een niet op naam gestelde kennisgeving hebben ontvangen, kan, gezien het onverplichte karakter van de wijze van kennis geven, niet tot het oordeel leiden dat het college van gedeputeerde staten daarmee niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht.

2.6.4. Met betrekking tot het betoog dat stukken behorende bij het milieu-effectrapport uit 2001 niet ter inzage zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten reeds in zijn reactie op de ingebrachte zienswijzen naar voren heeft gebracht dat deze stukken wel ter inzage zijn gelegd. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt heeft in haar beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.5. Voor zover de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat het ontwerp van het besluit met de bijhorende stukken ook ter inzage had moeten worden gelegd op gemeentehuis in Almelo, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 13.4 van de Wet milieubeheer de terinzagelegging in ieder geval geschiedt ter secretarie van de gemeente waar de inrichting is gelegen. De inrichting is niet gelegen op het grondgebied van de gemeente Almelo. De Algemene wet bestuursrecht noch de Wet milieubeheer verplicht dat de desbetreffende stukken anders dan ter secretarie van de gemeente Borne ter inzage hadden moeten worden gelegd.

2.6.6. Over het betoog van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt dat het bestreden besluit niet op juiste wijze is bekendgemaakt, overweegt de Afdeling dat, wat hier verder ook van zij, het hierbij gaat om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat het toevoegen en wijzigen van voorschriften en het weigeren van het storten van baggerspecie had moeten leiden tot het opnieuw ter inzage leggen van het ontwerp van het besluit, omdat deze wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde aanvraag.

2.7.1. De omstandigheid dat het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning verbindt dan wel activiteiten weigert, leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag gewijzigd is. Reeds hierom bestond in zoverre geen aanleiding om het ontwerp van het besluit wederom ter inzage te leggen.

Deze beroepsgrond faalt.

Vergunningverlening

2.8. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat het bestreden besluit ten aanzien van hetgeen is vergund innerlijk tegenstrijdig is. Dit leidt huns inziens tot rechtsonzekerheid. Tevens wordt volgens hen door in voorschrift 4.1.5 van de vergunning de opslag van sterk stuifgevoelige (afval)stoffen met de stuifklasse S1, S2 en S3 niet toe te staan binnen de inrichting, de grondslag van de aanvraag verlaten.

2.8.1. Het college van gedeputeerde staten heeft vergunning verleend voor het tot 1 april 2017 opslaan van (afval)stoffen en voor onbepaalde tijd voor het storten van afvalstoffen. Voor de opslag van baggerspecie is vergunning geweigerd. Anders dan het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen menen, is de overslag van (afval)stoffen niet aangevraagd en evenmin vergund. Dat in het bij de aanvraag behorende inrichtingsplan - dat in zoverre onderdeel uitmaakt van de vergunning - naar de overslag in de overslaghal op het terrein van de inrichting wordt verwezen, maakt dit niet anders, nu dit, gezien hetgeen overigens in de aanvraag is weergegeven, een kennelijke verschrijving betreft.

Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de vergunning maakt, voor zover thans van belang, de vergunningaanvraag met de bijbehorende rapporten, tekeningen, overige bijlagen, en de aanvulling op de aanvraag - behoudens bijlage 7 van deel 3 van de aanvraag zijnde het milieu-effectrapport uit 2001 - onderdeel uit van deze vergunning. De inrichting dient overeenkomstig de in dit voorschrift genoemde stukken in werking te zijn, tenzij in de voorschriften anders is bepaald. Ingevolge voorschrift 4.1.5 van de vergunning is in tegenstelling tot wat is aangevraagd de opslag van sterk stuifgevoelige (afval)stoffen met stuifklasse S1, S2 en S3 binnen de inrichting niet toegestaan. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre met het uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereiste dat een besluit duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar dient te zijn.

2.8.2. Voorschrift 4.1.5 van de vergunning betekent slechts een weigering van aangevraagde opslag van koolvliegas en vliegas, beide (afval)stoffen vallen onder stuifklasse S1. Daardoor ontstaat geen andere inrichting dan is aangevraagd. De grondslag van de aanvraag wordt dan ook niet verlaten.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Voor zover de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat onduidelijk is welke categorieën en hoeveelheden afvalstoffen mogen worden gestort dan wel tijdelijk opgeslagen, overweegt de Afdeling dat uit de paragrafen 1.8 en 5 van deel 1 van de aanvraag, welke in zoverre onderdeel uitmaakt van de vergunning, en de voorschriften 2.6.4, 2.6.5 en 6.1.1 tot en met 6.1.4 van de vergunning volgt welke afvalstoffen binnen de inrichting mogen worden gestort dan wel tijdelijk opgeslagen. AVI-bodemassen zijn overigens in tegenstelling tot wat de stichting betoogt aangevraagd noch vergund.

De beroepsgrond faalt.

Coördinatie met vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo)

2.10. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat ten onrechte geen coördinatie heeft plaatsgevonden met krachtens de Wvo de benodigde vergunning.

2.10.1. Op 4 maart 2003 heeft het dagelijks besluit van het waterschap Regge en Dinkel een Wvo-vergunning verleend. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in overleg met het bevoegd gezag in het kader van de Wvo op het standpunt gesteld dat voor de activiteiten, waarop het bestreden besluit ziet, geen nieuwe Wvo-vergunning nodig is. Mede gezien de aard van de aangevraagde activiteiten in relatie tot de ten behoeve van een eerdere vergunning aangevraagde activiteiten komt dit de Afdeling niet onjuist voor. Het college van gedeputeerde staten heeft daarom de coördinatiebepalingen van artikel 7b van de Wvo terecht niet van toepassing geacht.

De beroepsgrond faalt.

Tijdelijke vergunning

2.11. De Stichting behoud Elhorst/Vloedbelt betoogt dat de vergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd is verleend voor het storten van afvalstoffen.

2.11.1. In beginsel is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer van onbepaalde duur. Ingevolge artikel 8.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan in een vergunning worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:

a. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, naar haar aard tijdelijk is;

b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd;

c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken;

d. dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu.

Artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, worden aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voor zover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2.11.2. Ingevolge artikel 2.2 van het Ivb worden als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder 28.4, onder a tot en met d en onder g, 28.5 en 28.6.

2.11.3. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, behoort niet tot één van de categorieën die in artikel 2.2 van het Ivb zijn genoemd. Artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer voorziet niet in de mogelijkheid om in de onderhavige situatie een tijdelijke vergunning te verlenen. Ook anderszins biedt artikel 8.17 geen rechtsgrondslag welke in dit geval leidt tot een dergelijke verplichting.

De beroepsgrond faalt.

Milieu-effectrapport

2.12. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen - kort weergegeven - dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de verkorte m.e.r.-procedure als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. Daartoe wijzen zij onder meer op het onderliggende milieu-effectrapport dat vóór 1 juli 2005 en derhalve conform thans vervallen procedurele regels is opgesteld. Daarnaast ziet volgens hen de milieu-effectrapportage niet op de op 19 juli 2005 aangevraagde activiteiten. Voorts voorziet het milieu-effectrapport niet in een nulalternatief.

2.12.1. Indien de initiatiefnemer die een milieu-effectrapport dient te vervaardigen, reeds over een conform de procedurele en inhoudelijke regels van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer opgesteld milieu-effectrapport beschikt en in dat rapport de uitvoeringsvariant is beschreven waarop het mer-plichtig besluit betrekking heeft, indien ingevolge artikel 7.16 van de Wet milieubeheer de artikelen 7.12 tot en met 7.15 geen toepassing. Dit betekent dat met een verkorte procedure kan worden volstaan, die aanvangt met de terinzagelegging van het bestaande en zonodig aangevulde/ geactualiseerde milieu-effectrapport.

2.12.2. Met de aanpassing op 1 juli 2005 van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer aan de Wet uniforme voorbereidingsprocedure Awb is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet een vereenvoudiging van de wettelijke bepalingen beoogd zonder dat, in tegenstelling tot hetgeen het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen, de inhoud daarvan materieel is gewijzigd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet de verkorte m.e.r.-procedure als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer heeft kunnen toepassen.

2.12.3. De aanvraag van 19 juli 2005 is ten opzichte van de vorige aanvraag uit 2001 in die zin gewijzigd dat de maximale stortcapaciteit per jaar aanzienlijk is verminderd en de overslagcapaciteit nihil is. Naast de typen stortafval, zoals weergegeven in de aanvraag uit 2001 zullen ook C-hout en asbesthoudend afval die vallen onder de categorie ‘gevaarlijk afval’ worden gestort. Bij de aanvraag is een aanvulling/ actualisatie van het milieu-effectrapport uit 2001 gevoegd. Deze notitie is als aanvulling op het milieu-effectrapport aan de commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: de commissie) ter beoordeling toegezonden. De commissie heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat de (milieu)effecten ten opzichte van de situatie in 2001 minder ingrijpend zullen zijn en dat alle essentiële en actuele informatie ten behoeve van de besluitvorming in het milieu-effectrapport aanwezig is. De Afdeling komt dit oordeel van de commissie, mede gezien het deskundigenbericht, niet onjuist voor. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten ook in zoverre geen toepassing heeft mogen geven aan de verkorte m.e.r.-procedure. Ook bevat het milieu-effectrapport geen onvolkomenheden bevat die het college van gedeputeerde staten aanleiding hadden moeten geven de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer buiten behandeling te laten. De omstandigheid dat het nulalternatief niet is meegenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit alternatief kan, mede gezien de bij het milieu-effectrapport uit 2001 gevoegde richtlijnen voor de inhoud daarvan, niet worden aangemerkt als alternatief in de zin van artikel 7.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, omdat het niet leidt tot wat met de aanvraag beoogd is te bereiken.

De beroepsgrond faalt.

2.12.4. Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt heeft zich in het beroepschrift wat de gronden over het milieu-effectrapport betreft, beperkt tot een herhaling van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten zijn reactie daarop gegeven. Zij heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

Het beroep faalt in zoverre.

Algemeen toetsingskader

2.13. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college van gedeputeerde staten een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Doelmatig beheer van afvalstoffen

2.14. De Afdeling begrijpt het betoog van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt aldus dat zij van mening is dat vergunningverlening voor de onderhavige inrichting niet doelmatig is, omdat ook zonder de onderhavige inrichting de continuïteit van de afvalverwerking in de regio wegens de reeds daarbinnen gelegen stortplaatsen wordt gewaarborgd. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat het Landelijk Afvalbeheersplan 2002-2012 (hierna: het LAP) moet worden aangepast, omdat de inrichting ten onrechte in het capaciteitsplan is opgenomen.

Ook het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen voeren aan dat de vergunningverlening voor de onderhavige inrichting niet doelmatig is.

2.14.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder doelmatig beheer van afvalstoffen verstaan: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheersplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.

2.14.2. Bij de beantwoording van de vraag of het verlenen van een vergunning voor een afvalstoffeninrichting doelmatig is, komt het bevoegd gezag een zekere beoordelingsvrijheid toe. Op grond van artikel 10.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer houdt het bij de uitoefening van zijn bevoegdheid krachtens de Wet milieubeheer rekening met het LAP. Voor zover het LAP niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan ingevolge artikel 10.14, tweede lid, rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid. De invulling van het begrip ‘doelmatig beheer van afvalstoffen’ krijgt dus primair vorm in het LAP. Bij besluit van 23 maart 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is de geldingsduur van het LAP verlengd tot 3 maart 2009.

2.14.3. Het college van gedeputeerde staten heeft bij het nemen van het bestreden besluit rekening gehouden met het in het LAP opgenomen capaciteitsplan storten. Volgens het plan geldt een moratorium op de uitbreiding van stortcapaciteit. De onderhavige inrichting is hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd, zodat de vergunde stortactiviteiten niet in strijd zijn met het LAP. Wat de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen, noopt niet tot het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen zich verzet tegen vergunningverlening. Daartoe overweegt de Afdeling dat de landelijke, niet de regionale, stortcapaciteit bij de toetsing van de doelmatigheid een rol speelt. Evenmin is de spreiding van afvalstoffeninrichtingen een doelmatigheidsaspect. De stelling dat in de nabijheid andere stortplaatsen liggen waar de uit de regio afkomstige afvalstoffen kunnen worden geborgen, is dan ook niet relevant.

2.14.4. Voor zover de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt aanvoert dat het LAP moet worden aangepast, overweegt de Afdeling dat niet het college van gedeputeerde staten maar de minister bevoegd is tot wijziging van het LAP.

2.14.5. De beroepsgronden over de doelmatigheid van het beheer falen.

Planologie/ Wet geluidhinder

2.15. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat de voorgestane compartimentering strijdig is met het bestemmingsplan.

2.15.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds hierom.

2.16. Hetgeen de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt in beroep overigens aanvoert over aspecten van planologie en de stelling dat een reconstructie van een weg plaats vindt in de zin van de Wet geluidhinder, kunnen geen grondslag zijn voor het oordeel dat het in dit geding aan de orde zijnde besluit tot verlening van de milieuvergunning onrechtmatig is.

Deze beroepsgronden falen.

Onder- en bovenafdichting

2.17. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat de beoogde stortduur strijdig is met het Stortbesluit bodembescherming aangezien de eindafwerking in het onderhavige geval niet binnen 30 jaar behoeft te zijn aangebracht.

2.17.1. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming verbindt het bevoegd gezag - voor zover hier van belang - aan de vergunning voorschriften inhoudende de verplichting dat zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk na een in het voorschrift aangegeven termijn die niet later eindigt dan 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting wordt aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.

2.17.2. In voorschrift 8.2.4 van de vergunning is, voor zover hier van belang, bepaald dat de dichte eindafwerking uiterlijk binnen de wettelijke termijn van 30 jaar, zoals vastgesteld in artikel 4 van het Stortbesluit bodembescherming, dient te worden aangebracht.

Ingevolge voorschrift 3.2.1, eerste volzin, van de vergunning moet een nieuw stortvak voordat het in gebruik wordt genomen, zijn voorzien van een onderafdichting.

2.17.3. Gelet op voorschrift 3.2.1, eerste volzin, in samenhang gelezen met voorschrift 8.2.4, is het tijdstip waarop de eindafdichting moet zijn aangebracht afhankelijk van het moment dat in een nieuw stortvak een onderafdichting wordt aangebracht. De vergunning voorziet daarmee in een gefaseerde aanleg van de eindafdichting. De vergunning leidt, nu de eindafdichting binnen dertig jaar na het aanbrengen van de onderafdichting dient te zijn aangebracht, dan ook niet tot strijdigheid met het Stortbesluit bodembescherming.

Deze beroepsgrond faalt.

2.18. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat het begrip ‘tijdelijk’ in voorschrift 2.6.9 van de vergunning ten onrechte niet nader is gedefinieerd.

2.18.1. Ingevolge voorschrift 2.6.9 van de vergunning mogen de opgeslagen (afval)stoffen de maximale storthoogte niet overschrijden. Wanneer de beschikbare stortruimte is benut, mogen afvalstoffen die bij de eindafwerking worden toegepast, tijdelijk boven de maximale storthoogte worden opgeslagen. In het afdichtingsplan als bedoeld in voorschrift 8.2.2 dient dit te zijn opgenomen.

2.18.2. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat met de term ‘tijdelijk’ is beoogd, dat het materiaal dat voor de eindafdichting wordt gebruikt tijdelijk hoger dan de maximale storthoogte mag worden opgeslagen, omdat vergunninghoudster enige tijd nodig heeft om voldoende materiaal daarvoor aan te voeren. De duur waarbinnen de eindafdichting moet zijn aangebracht en daarmee wanneer de opslag van (afval)stoffen boven de maximale storthoogte moet zijn beëindigd, dient, rekening houdend met wat is gesteld in voorschrift 8.2.4 van de vergunning, in het afdichtingsplan als bedoeld in voorschrift 8.2.2 van de vergunning te worden opgenomen. Vergunninghoudster dient dit plan ingevolge voorschrift 8.2.3 van de vergunning ter goedkeuring aan het college van gedeputeerde staten voor te leggen. Tegen het goedkeuringsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Het bezwaar van het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen tegen de desbetreffende opslag van (afval)stoffen boven de maximale strothoogte kunnen in dat kader naar voren worden gebracht.

Deze beroepsgrond faalt.

2.19. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt dat door zettingen de beschermende werking van de onderafdichting verloren zal gaan. Daartoe voert zij aan dat in de aanvraag van het verkeerde volumegewicht is uitgegaan.

2.19.1. De onderafdichting bestaande uit een minerale laag en een folielaag moet conform de Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming zettingsverschillen van maximaal 0,25 meter kunnen opvangen zonder dat de onderafdichting scheurt. In het onderhavige geval worden bij een bovenbelasting van 250 kN/m2 zettingen verwacht van ongeveer 0,1 tot 0,23 meter. Wat de Stichting Elhorst/ Vloedbelt betoogt, biedt, mede gezien het deskundigenbericht, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten daarbij van een onjuist volumegewicht is uitgegaan.

2.19.2. Overigens is scheurvorming pas aan de orde bij grote ongelijkmatige zettingen. In het deskundigenbericht is weergegeven dat de onderafdichting is gelegen op een homogene ondergrond, zodat zettingsverschillen gering zullen blijven.

De Afdeling komt het deskundigenbericht in zoverre niet onjuist voor. Wat de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt, noopt niet tot het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard van de stortactiviteiten en de ondergrond van de inrichting geen aanleiding geven om in de vergunning strengere maatregelen op te nemen dan thans is geschied of de vergunning te weigeren.

Deze beroepsgrond faalt.

Opslag (afval)stoffen voor nuttige toepassing

2.20. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat de termijn van drie jaar voor het tijdelijk opslaan van (afval)stoffen voor nuttige toepassing in voorschrift 2.6.1 van de vergunning vanwege de wijze van opslag niet controleerbaar en handhaafbaar is.

2.20.1. Uit voorschrift 2.6.2 van de vergunning volgt dat per partij (afval)stoffen de locatie, de kwaliteit en de aanvangsdatum moeten worden vastgelegd, zodat in voldoende mate controleerbaar is welke partij (afval)stoffen waar en voor welke duur deze voor nuttige toepassing binnen de inrichting zijn opgeslagen. Het bestreden besluit verdraagt zich ook in zoverre met het uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereiste dat een besluit duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar dient te zijn. Het bestreden besluit is in zoverre handhaafbaar.

Deze beroepsgrond faalt.

Toekomstige ontwikkelingen

2.21. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met toekomstige ontwikkelingen in de directe nabijheid van de inrichting.

2.21.1. Artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer luidt als volgt: ‘‘Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu’’.

2.21.2. Ten noordwesten van de inrichting ligt een gebied van ongeveer 14 hectare dat wordt begrensd door de Almelosestraat, de Grote Bavenkelseweg en het zandpad Elhorsterveld ten westen van de inrichting. Voor dit gebied heeft de gemeenteraad van Almelo op 6 december 2005 het bestemmingsplan ‘Oost Groenpark Elhorsterveld’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de vestiging van een verkooppunt met bijbehorende kassen, een hoveniersbedrijf en tuinhoutopslag en enkele recreatieve activiteiten, waaronder een pitch en putt golfbaan, een kinderboerderij, een restaurant en parkeerplaatsen. Door het college van gedeputeerde staten is aan dit plan op 26 juni 2006 goedkeuring verleend. Dit besluit is op 1 november 2006 door de voorzitter van de Afdeling geschorst wegens strijd met artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 1 november 2006, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200605606/2&verdict_id=15408&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200605606/2&utm_term=200605606/2">200605606/2</a>).

2.21.3. Op 21 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo twee bouwvergunningen en vrijstellingen op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor de bouw van een verkoopgebouw met bijbehorende kassen, een hoveniersgebouw en tuinhoutopslag, waarbij is getoetst aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1984, gemeente Borne’. De bezwaren daartegen zijn door het college van burgemeester en wethouders ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening tegen dit besluit op bezwaar is op 26 februari 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo afgewezen. Gelet hierop waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vanwege de concrete bouwplannen de bouw van het hoveniersbedrijf en het verkooppunt met bijhorende bouwwerken zodanig gewis dat de bouw daarvan kan worden aangemerkt als een op dat tijdstip redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Het college van gedeputeerde staten heeft volgens de considerans van het bestreden besluit met deze toekomstige ontwikkeling rekening gehouden.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

2.22. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen vrezen geluidhinder. Daartoe voeren zij aan dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid op onjuiste wijze is bepaald en verdergaande maatregelen ter beperking van de geluidhinder hadden moeten worden voorgeschreven. Daarnaast betogen zij dat, kort weergegeven, de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

2.22.1. Voorschrift 1.4.1 bepaalt, voor zover hier van belang, dat de inrichting slechts in werking mag zijn op werkdagen (maandag tot en met vrijdag) van 07.00 tot 19.00 uur.

Ingevolge voorschrift 5.1.1 van de vergunning mogen op de in figuur 1.1 van het rapport 2004.1842-3 van 22 juni 2005 Akoestisch onderzoek Afvalverwerkingsinrichting Elhorst-Vloedbelt te Zenderen en Erratum rapport akoestisch onderzoek Afvalverwerkingsinrichting Elhorst-Vloedbelt te Zenderen (hierna het rapport) weergegeven rekenpunten de in voorschrift 5.1.1 genoemde waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de dagperiode vanwege het in werking zijn van de inrichting, zonder de activiteiten van het aanbrengen van een onderafdichting, in de weergegeven compartimenten, niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 5.1.2 van de vergunning mogen op de in figuur 1.1 van het rapport weergegeven rekenpunten de in voorschrift 5.1.2 genoemde waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de dagperiode vanwege het in werking zijn van de inrichting, inclusief de onderafdichting, in de weergegeven compartimenten, niet worden overschreden.

Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft het college van gedeputeerde staten daarnaast in de vergunning in paragraaf 5.2 maatregelen en voorzieningen voorgeschreven.

2.22.2. Bij de beoordeling van de geluidbelasting op de in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 van de vergunning genoemde beoordelingspunten heeft verweerder hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (verder: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen bij de eerste toetsing aan te sluiten bij de richtwaarden voor woonomgevingen uit tabel 4 van de Handreiking.

De omgeving van de inrichting dient te worden gekwalificeerd als een landelijke omgeving. De in de genoemde tabel 4 aanbevolen richtwaarden voor een dergelijke omgeving zijn 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens de Handreiking kan voor nieuwe inrichtingen overschrijding van de richtwaarden toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij het referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt. Als maximum niveau geldt een etmaalwaarde van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen of het referentieniveau.

Ter plaatse van de beoordelingspunten is het heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid onderzocht. De resultaten van onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 juni 2005. In het rapport wordt gesteld dat het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid in de dagperiode als gevolg van het wegverkeer 52 dB(A) en op basis van L95 42 dB(A) is. De uitkomsten van dit onderzoek komen de Afdeling, gezien het deskundigenbericht, niet onjuist voor. De in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 van de vergunning gestelde geluidgrenswaarden overstijgen het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet.

Daarnaast zijn de in vergunningvoorschrift 5.1.3 van de vergunning gestelde grenswaarden voor het piekgeluid niet hoger dan de waarden die hiervoor in de Handreiking aanvaardbaar worden geacht.

2.22.3. In hetgeen de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen hebben betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard van de werkzaamheden, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden geen aanleiding geven om de vergunning te weigeren of in de vergunning strengere maatregelen op te nemen dan thans is geschied. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.3 van de vergunning gestelde waarden toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.22.4. Wat betreft de redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen overweegt de Afdeling het volgende.

Niet aannemelijk is dat op het terrein van het hoveniersbedrijf gedurende een langere periode van de dag mensen verblijven. Het college van gedeputeerde staten heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hoveniersbedrijf met bijbehorende bouwwerken geen bescherming tegen geluidhinder behoeft.

Het verkooppunt met bijbehorende bouwwerken is daarentegen wel een geluidgevoelig object, nu het niet onaannemelijk voorkomt dat daar gedurende een langere periode van de dag mensen zullen verblijven en waar blootstelling aan geluid vanwege de inrichting zou kunnen leiden tot hinder. Voor het verkooppunt geldt een afgeleide bescherming van de in de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.3 van de vergunning gestelde grenswaarden. Mede gezien de reactie op het deskundigenbericht van het college van gedeputeerde staten en de daarbij gevoegde notitie van Caubergh-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beschermingsniveau ter plaatse toereikend is.

De beroepsgrond faalt.

2.22.5. Volgens het deskundigenbericht is in het akoestisch onderzoek de representatieve bedrijfssituatie gemodelleerd. De bevindingen in het deskundigenbericht komen de Afdeling op dit punt niet onjuist voor. Het college van gedeputeerde staten heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij een representatieve bedrijfsvoering de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.23. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat de voorschriften 5.2.4, 5.2.6 en 5.2.7 van de vergunning niet handhaafbaar zijn.

2.23.1. Ingevolge voorschrift 5.2.4 van de vergunning moet voor de aanleg van de onderafdichting van de compartimenten 5b-6a en 6b een geluidswal worden aangelegd van 3,5 meter hoogte ten opzichte van het plaatselijke maaiveld. De plaats en lengte van de geluidswallen is weergegeven in de figuren 9.2, 9.3 en 9.4 van het rapport.

In voorschrift 5.2.6 van de vergunning is bepaald dat ter voorkoming van geluidhinder de chauffeurs van vrachtauto’s waarvan de laadbak is voorzien van een vrijdraaiende klep/deur, deze klep/deur niet mogen gebruiken als stootklep om het laatste afval uit de laadbak te krijgen. Tevens moet de klep/deur tijdens het transport zijn vastgezet. De vergunninghouder moet de chauffeurs van deze vrachtauto’s hierover instrueren.

Ingevolge voorschrift 5.2.7 van de vergunning mag de maximale snelheid op het terrein van de inrichting niet hoger zijn dan 20 km/uur. De vergunninghouder moet de chauffeurs van de voertuigen hierover instrueren.

2.23.2. In het niet nader onderbouwde betoog van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat deze voorschriften te onbepaald of niet handhaafbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

Indirecte geluidhinder

2.24. De Afdeling begrijpt het beroep van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt aldus dat zij vreest voor indirecte geluidhinder.

2.24.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting, gezien de situering van de dichtstbijzijnde woning ten opzichte van de inrit van de inrichting, niet meer toe te rekenen is aan de inrichting.

2.24.2. Gevolgen voor het milieu wegens af- en aanrijdend (vracht)verkeer kunnen niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit laatste is het geval op het moment dat het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Het college van gedeputeerde staten heeft, mede gezien het deskundigenbericht, zich terecht op het standpunt gesteld dat dit te hoogte van de dichtstbijgelegen woningen het geval is. De hinder die van verkeer aldaar wordt ondervonden, kan derhalve niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend.

De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.25. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen vrezen geurhinder. Daartoe voeren zij aan dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte aan verspreid liggende woningen niet dezelfde bescherming hebben toegekend als aan aaneengesloten woonbebouwing. Tevens is huns inziens bij de beoordeling van het geuraspect geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in de nabijheid van de inrichting. Bij de berekening van het acceptabel hinderniveau is volgens hen van onjuiste kengetallen uitgegaan, waardoor de werkelijke geurbelasting is onderschat. Ten onrechte is volgens hen met oog op de mogelijkheid van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om op grond van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen ontheffing te verlenen, geen maximum aan de hoeveelheid te accepteren geuremitterend afval gesteld. Daartoe voert de Stichting behoud Vloedbelt/ Elhorst tevens aan dat uitmiddeling van de piekbelasting heeft plaatsgevonden. Daarnaast is volgens haar aaneengesloten woonbebouwing binnen de totaalgeurcontour van 1 ge/m3 99,5-percentiel gelegen.

2.25.1. Ingevolge voorschrift 4.2.2 van de vergunning dient de geurimmissie vanwege de inrichting te voldoen aan de totaalgeurcontouren van 1 ge/m3 als 95-percentielwaarde, 1 ge/m³ als 99,5-percentielwaarde alsmede 10 ge/m3 als 99,99-percentielwaarde in de omgeving van de inrichting, zoals opgenomen in bijlage 1 van de voorschriften.

2.25.2. Het college van gedeputeerde staten heeft voor de beoordeling van geurhinder de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B (hierna: de brief van de minister), tot uitgangspunt genomen. In de brief van de minister is als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat (nieuwe) geurhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Als er wel geurhinder optreedt, dienen maatregelen te worden getroffen die stroken met het voorheen geldende alara-beginsel.

Op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer dienen de maatregelen echter na de wijziging van dit artikel overeen te komen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. De mate van hinder die nog acceptabel is moet volgens de brief van de minister worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan.

Het college van gedeputeerde staten heeft beoogd verspreid liggende woningen minder bescherming te bieden dan aaneengesloten woonbebouwing. Daarbij is voor aaneengesloten woonbebouwing een norm gehanteerd van 1 ge/m3 als 99,5-percentiel en voor verspreid liggende woningen een norm van 1 ge/m3 als 95-percentiel. Hetgeen de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen, geeft geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in voorschrift 4.2.2 van de vergunning opgenomen norm een toereikend beschermingsniveau aan verspreid liggende woonbebouwing wordt geboden.

De beroepsgrond faalt.

2.25.3. Wat betreft de redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen overweegt de Afdeling het volgende.

Het terrein van het hoveniersbedrijf ligt binnen de geurcontour van 1 ge/m3 als 95-percentiel, zodat aldaar een geringe bescherming geldt. Niet aannemelijk is gemaakt dat op dat terrein gedurende een lange periode van de dag mensen verblijven die bescherming tegen ter plaatse optredende geurhinder behoeven. Het college van gedeputeerde staten heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hoveniersbedrijf met bijbehorende bouwwerken geen bescherming tegen geurhinder behoeft.

Het verkooppunt met bijbehorende bouwwerken is daarentegen wel een geurgevoelig object, nu het niet onaannemelijk voorkomt dat daar gedurende een langere periode van de dag mensen zullen verblijven en waar blootstelling aan geur vanwege de inrichting kan leiden tot hinder. Dit object is gelegen buiten de geurcontour van 1 ge/m3 als 95-percentiel en komt daarmee eenzelfde bescherming toe als verspreid liggende woningen. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in redelijkheid op standpunt kunnen stellen dat de bescherming van dit object tegen geurhinder toereikend is.

De beroepsgrond faalt.

2.25.4. Anders dan de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt stelt, zijn de woningen aan de Grote Bavenkelseweg niet aan te merken als aaneengesloten woonbebouwing. Ook overigens is niet gebleken dat binnen de geurcontour van 1 ge/m3 99,5-percentiel naast verspreid liggende woningen tevens aaneengesloten woonbebouwing aanwezig is.

2.25.5. Ten behoeve van de vergunningverlening is de geurbelasting vanwege de inrichting onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het rapport "Geuronderzoek afvalwerkingsinrichting Elhorst/ Vloedbelt te Borne" van PRA van juni 2005. In dit onderzoek zijn de geuremissies bepaald voor de handelingen met stortmateriaal, de opslag, het stortfront en het stortgas voor de verschillende locaties en bedrijfssituaties. In dat kader is uitgegaan van het feit dat ongeveer 42% van de jaarlijks te accepteren 190.000 ton afvalstoffen geuremitterend is. Het betreft een schatting op basis van ervaringen bij andere stortplaatsen van vergunninghoudster, waarbij een ‘worst case’-benadering is gehanteerd. Vervolgens zijn de geuremitterende (afval)stoffen verdeeld in categorieën afval. Voor deze categorieën zijn geurkengetallen gebruikt uit onder meer de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR). Door vermenigvuldiging van deze kengetallen met de jaarlijkse doorzet per categorie ontstaat een gewogen gemiddelde voor het verrichten van eerdergenoemde handelingen met afval. De berekening op grond van deze kengetallen is uitgevoerd met het Kema-Stacks model, versie 6.2. Dit model vindt zijn grondslag in het Nieuw Nationaal Model. In deze berekening heeft een uitmiddeling van piekemissie plaatsgevonden. Uit de notitie "Aanvullende informatie Elhorst-Vloedbelt met betrekking tot luchtkwaliteit en geur" van PRA van 8 december 2006 volgt dat de momentane piekemissies overeenkomen met de uurgemiddelde geuremissiecontouren.

In hetgeen de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling, mede gezien het deskundigenbericht, geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet mocht uitgaan van de juistheid van de in dit rapport gehanteerde uitgangspunten, evenals de daarin vermelde uitkomsten betreffende de te verwachten geurbelasting vanwege de inrichting. Dat in voorschrift 6.1.4 van de vergunning is voorzien in de mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, laat onverlet dat vergunninghoudster ook in dat geval aan de in voorschrift 4.2.2 van de vergunning gestelde geurcontouren dient te voldoen. Het bestreden besluit is in zoverre naleefbaar.

De beroepsgrond faalt.

2.25.6. Over de beroepsgrond van het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen dat niet duidelijk is hoe moet worden aangetoond of aan voorschrift 4.2.2 van de vergunning wordt voldaan, overweegt de Afdeling het volgende.

De inrichting dient te voldoen aan de in dat voorschrift gestelde totaalgeurcontouren, zoals weergegeven in bijlage 1 van de voorschriften. Om te bepalen of aan de geurcontouren wordt voldaan, zijn de controlevoorschriften 4.2.4 tot en met 4.2.7 aan de vergunning verbonden, mede gelet hierop is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de voorgeschreven geurcontouren niet handhaafbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

Grof stof

2.26. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen vrezen hinder wegens stof. Voorts achten zij, kort weergegeven, de zinsneden ‘langere tijd’, en ‘kortstondige opslag’ in voorschrift 4.1.1 van de vergunning, ‘zo gering mogelijk’ in voorschrift 4.1.2 van de vergunning, ‘regelmatig’ in de voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 van de vergunning onvoldoende duidelijk.

2.26.1. Ter voorkoming dan wel beperking van hinder vanwege stof heeft verweerder in de vergunning in paragraaf 1.2, in paragraaf 4.1 met betrekking tot de opslag en het storten van stoffen en in paragraaf 7.3.3 over het storten van asbest voorschriften gesteld. Voorts is, anders het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen menen, het binnen de inrichting in werking hebben van een sproei-installatie aangevraagd en vergund.

Volgens de considerans van het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken, voor zover hier van belang, paragraaf 3.8.1. van de NeR gehanteerd. In deze paragraaf zijn richtlijnen gegeven voor de diffuse stofemissie bij verwerking, bereiding, transport, laden en lossen alsmede opslag van stuifgevoelige stoffen. Als uitgangspunt is daarin neergelegd dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag plaatsvinden. Daartoe wordt in de NeR een aantal maatregelen aanbevolen. De stoffen die in de inrichting worden opgeslagen en gestort behoren tot de stuifklassen S4 en S5 als bedoeld in de NeR.

Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat de voorgeschreven maatregelen overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.26.2. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De NeR is als document opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij de regeling.

Gelet hierop kon het college van gedeputeerde staten zich bij het stellen van voorschriften baseren op de NeR. De in de vergunning gestelde maatregelen stemmen, voor zover hier relevant, overeen met hetgeen in de NeR ten aanzien daarvan is opgenomen.

Nu voor stofhinder buiten de inrichting niet behoeft te worden gevreesd, bestaat in hetgeen het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen hebben betoogd, geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard van de werkzaamheden, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, geen aanleiding geven om in de vergunning strengere maatregelen op te nemen dan thans is geschied, of de vergunning te weigeren.

2.26.3. Over de handhaafbaarheid van de voorschriften 4.1.1 en 4.1.4 van de vergunning overweegt de Afdeling het volgende.

Met voorschrift 4.1.1 van de vergunning is beoogd dat bij de opslag van afvalstoffen maatregelen moeten worden getroffen om verspreiding van stof tegen te gaan. Daartoe biedt het voorschrift enkele aanknopingspunten. Hoofdregel is dat de opslag door besproeiing vochtig dient te worden gehouden. Daarnaast biedt het voorschrift twee alternatieven om verspreiding van stof tegen te gaan. Geen grond bestaat voor het oordeel dat dit voorschrift onvoldoende duidelijk of niet handhaafbaar is. Ook de term ‘regelmatig’ in de voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 van de vergunning is voldoende duidelijk.

De zinsnede ‘zo gering mogelijk’ komt niet in voorschrift 4.1.2 van de vergunning voor, zodat in zoverre het beroep feitelijk grondslag mist.

Deze beroepsgrond faalt.

2.27. Voor zover het beroep van [appellant sub 4] zich richt tegen het storten van asbest merkt de Afdeling op dat hij zich heeft beperkt tot een herhaling van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijze. In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten zijn reactie daarop gegeven. [appellant sub 4] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

2.28. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt herhaalt in beroep haar tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebrachte zienswijze. In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten zijn reactie daarop gegeven en naar aanleiding daarvan de voorschriften over grof stof aangepast. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt heeft in haar beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist is en de aanpassing van de vergunningvoorschriften ontoereikend is.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.29. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit niet deugdelijk is. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt stelt dat bij het onderzoek naar de gevolgen van de inrichting op de luchtkwaliteit ten onrechte het goederenvervoer over de in de omgeving van inrichting gelegen spoorlijn Almelo-Hengelo, het verkeer van en naar de inrichting en de emissie van zwevende deeltjes vanwege het stortfront niet zijn betrokken. Daarnaast voeren het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 4] aan dat daarbij ten onrechte de concentraties van zeezout buiten beschouwing zijn gelaten hetgeen volgens hen in strijd is met Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarde voor zwevende deeltjes in de lucht (Richtlijn 99/30/EG, hierna: de Richtlijn).

2.29.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar het onderzoek van PRA Odournet (hierna: PRA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van juli 2005, en de notitie "Aanvullende informatie Elhorst-Vloedbelt met betrekking tot luchtkwaliteit en geur" van PRA van 8 december 2006, op het standpunt gesteld dat geen overschrijding van de grenswaarde voor zwevende deeltjes als opgenomen in het Besluit luchtkwaliteit 2005, zoals dat tot 15 november 2007 gold, (hierna: het Blk 2005) plaatsvindt.

2.29.2. In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen.

In artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede kunnen uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. […];

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.29.3. De gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van het Nieuw Nationaal Model. Anders dan de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt meent, is het samenstel van handelingen bij het stortfront in de modellering meegenomen en is de bijdrage van de spoorlijn Hengelo-Almelo, gezien de afstand daarvan tot het zwaarst belaste immissiepunt, in de bij de berekeningen gehanteerde achtergrondconcentraties verdisconteerd. Mede op grond van het deskundigenbericht acht de Afdeling de bij de berekening van de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit gehanteerde uitgangspunten niet onjuist.

In aanvulling op de in rechtsoverweging 2.29.1. genoemde stukken is in opdracht van het college van gedeputeerde staten een tweetal notities door PRA opgesteld, waarin een nadere toelichting op de berekeningswijze van de verkeersaantrekkende werking is gegeven. Bij de berekeningen is tot uitgangspunt genomen dat het verkeer van en naar de inrichting pas over een afstand van één kilometer richting het noordwesten en zuidoosten in het heersende verkeersbeeld zal zijn opgenomen. De immissieberekeningen van het wegverkeer zijn uitgevoerd met het model CAR II, versie 6.0. Bij deze immissieberekeningen is een verkeersintensiteit gehanteerd van 12.200 voertuigen per etmaal, waarin eveneens het verkeer van en naar het Groenpark is verdisconteerd. Het verkeer van en naar de stortplaats betreft vrachtverkeer behorende tot de categorie zwaar verkeer. Bij deze berekening is aangenomen dat de wegrand zich op 2 meter van de wegas bevindt, zodat ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van het Meten- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit, zoals dat destijds gold, de toetsing van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes op 12 meter van de wegas heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat deze bij de berekening gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn.

2.29.4. Met de in de vergunning voorgeschreven maatregelen, waaronder het gebruik in eigen materieel van goedwerkende roetfilters, zal, mede gezien het deskundigenbericht en de door het college van gedeputeerde staten overgelegde stukken, de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes op alle meetpunten en in alle referentiejaren, ook zonder toepassing van de zeezoutaftrek, niet meer dan 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

De beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.30. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt betoogt visuele hinder te ondervinden vanwege de inrichting.

2.30.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Gezien de uiteindelijke vormgeving van de inrichting en de situering daarvan ten opzichte van woningen, heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

2.31. Het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen betogen dat in voorschrift 1.1.3 van de vergunning niet duidelijk is naar welke normen en richtlijnen wordt verwezen.

2.31.1. Ingevolge voorschrift 1.1.3 worden met technische normen en richtlijnen waarnaar in de vergunning wordt verwezen, bedoeld de vóór het in werking treden van deze vergunning laatst uitgegeven normen en richtlijnen met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen, tenzij in de voorschriften anders is vermeld.

Dit voorschrift bezien in samenhang met de begrippen- en literatuurlijst die bij de vergunningvoorschriften behoort, biedt voldoende duidelijkheid welke technische normen en richtlijnen worden bedoeld.

Deze beroepsgrond faalt.

2.32. Voor zover de beroepen van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen zich voor het overige richten tegen de voorschriften 1.4.1, 6.2.1 en 7.2.6 van de vergunning onderscheidenlijk de voorschriften 1.1.1, 1.4.3, 5.3.5, 6.5.2, 6.5.3, 6.5.5b, 6.5.7, 7.2.2 en 7.2.6 van de vergunning en het beroep van het college van burgemeester en wethouders voor zover het betreft de voorschriften 1.1.1, 1.4.3, 6.5.2, 6.5.3, 6.5.5b, 6.5.7, 7.2.2 en 7.2.6 van de vergunning, overweegt de Afdeling dat zij zich hebben beperkt tot een herhaling van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten zijn reactie daarop gegeven. De Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt en het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen hebben in hun beroepschriften noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.33. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.34. Voor een proceskostenveroordeling voor de raad, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4] en de Stichting gemeenschapsbelangen Zenderen bestaat geen aanleiding. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van de Stichting behoud Vloedbelt/ Elhorst niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover het betreft het beroep van de raad van Borne en het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Borne met betrekking tot het besluitonderdeel geluid;

II. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Borne voor het overige en de beroepen van de Stichting behoud Elhorst/ Vloedbelt, [appellant sub 4] en de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen in het geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008

375.