Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
200708281/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winschoten (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het vergroten van een woning op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [woonplaats]. Tegen dit besluit is door [appellant] bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708281/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/879 van de rechtbank Groningen van 18 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winschoten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winschoten (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het vergroten van een woning op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [woonplaats]. Tegen dit besluit is door [appellant] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het college het besluit van 30 september 2005 herroepen en wederom, onder een aanvullende motivering ten aanzien van de vrijstelling, bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 18 oktober 2007, verzonden op 19 oktober 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door H. van Houten en M.L. Beute, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de toevoeging van een extra slaapkamer op de eerste verdieping van de woning door middel van een uitbouw, die deels is gesitueerd boven een reeds bestaande platte uitbouw op de begane grond en deels is gesitueerd boven het terras direct grenzend aan de achterzijde van de woning.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan geheel is gesitueerd op gronden met de bestemming "Bebouwing met eengezinshuizen (Ea en Eb)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Bebouwing met eengezinshuizen (Ea en Eb)" aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen met inachtneming van het op de kaart bepaalde.

Ingevolge het tweede lid van die bepaling is ten aanzien van de bebouwing van de in het eerste lid bedoelde gronden bepaald dat:

a. de dakhelling niet minder dan 30˚ en 45˚ mag bedragen;

b. indien op de kaart een afwijkend gebruik toegestaan is, uitsluitend op de begane grond ten behoeve van dit afwijkend gebruik gebouw mag worden;

c. de bepalingen van de aansluitende bestemming "Tuinen en erven" eveneens gelden voor dat gedeelte van de bebouwingsstrook, waarvan de diepte niet geheel door een gebouw in beslag wordt genomen, met dien verstande, dat de bebouwing die op grond van de bestemming "Tuinen en erven" mogelijk is, op een afstand van niet minder dan 4 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd mag worden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Tuinen en erven" aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erven met de bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel behorende bouwwerken en open terreinen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b onderdeel 1, van de planvoorschriften mogen, voor zover deze gronden gearceerd zijn aangegeven bijgebouwen en carports gebouwd worden tot een gezamenlijke maximale oppervlakte van 32 m2 per woonhuis, echter met deze restrictie , dat de gezamenlijke maximale oppervlakte van deze bebouwing niet meer dan 1/3 deel van de oppervlakte van dat deel van het bouwperceel mag bedragen, dat achter de van de weg afgekeerde bebouwingsgrens is gelegen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planvoorschriften van toepassing is op het onderhavige bouwplan.

2.3.1. Dit betoog faalt. Het bouwplan betreft een uitbouw aan de woning en is gesitueerd binnen de bebouwingsstrook. Nu de uitbouw deel uitmaakt van de woning is artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften niet van toepassing op het onderhavige bouwplan. Deze bepaling heeft alleen betrekking op dat deel van de bebouwingsstrook dat niet door de woning in beslag wordt genomen. Het is daarbij niet van belang of sprake is van een bestaand deel van de woning of een deel van de woning dat nog moet worden gebouwd. De bepalingen voor de bestemming "Tuinen en erven" die zijn neergelegd in artikel 7 van de planvoorschriften zijn derhalve niet van betekenis voor het onderhavige bouwplan.

2.3.2. Gelet op het voorgaande faalt voorts ook het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte geen aparte vrijstellingsprocedure ten aanzien van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, onderdeel 4, van de planvoorschriften heeft gevolgd. Het bouwplan is immers niet in strijd met deze bepaling.

2.3.3. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep, zij het op andere gronden, terecht ongegrond heeft verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008

17-580.