Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
200800263/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2007, nr. 1291899, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan

"Gestel buiten de ring 2005".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800263/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2007, nr. 1291899, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan

"Gestel buiten de ring 2005".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad van de gemeente Eindhoven heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2008, waar [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.A. Renwarin, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van het [appellanten sub 1]

2.2. [appellanten sub 1] hebben geen bedenkingen bij het college ingebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht.

2.2.1. De raad heeft in reactie op hetgeen [appellanten sub 1] ter zake in beroep naar voren hebben gebracht, erkend dat de zienswijze van [appellanten sub 1] gegrond is verklaard en dat dit tot uitdrukking had moeten worden gebracht op de plankaart. De raad heeft met betrekking tot de desbetreffende aanpassing meegedeeld dat deze in een (paraplu-)bestemmingsplan in procedure zal worden gebracht.

2.2.2. [appellanten sub 1] hebben ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de raad hun door middel van toezending van het raadsbesluit heeft laten weten dat hun zienswijze gegrond is verklaard. Nadat het college over de goedkeuring van het plan had besloten, is hun gebleken dat de gegrondverklaring van hun zienswijze niet tot uitdrukking was gebracht op de plankaart. Gezien deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellanten sub 1] niet kan worden verweten dat zij geen bedenkingen hebben ingebracht tegen het plan, zodat zij in hun beroep kunnen worden ontvangen.

2.3. [appellanten sub 1] komen op tegen de handhaving van het bouwverbod op het perceel gelegen tussen [locatie 1 en 2], omdat de gegrondverklaring van hun zienswijze tot opheffing daarvan noopt.

2.4. De gegrondverklaring van de zienswijze behelst de toekenning van een bouwvlak op basis van de regels die voor de omliggende panden gelden, opdat een rechtstreekse bouwtitel mogelijk wordt gemaakt.

De Afdeling stelt vast de gegrondverklaring van de zienswijze niet is doorgevoerd op de plankaart. Hieruit volgt dat het bestemmingsplan zoals dat ter voldoening aan artikel 28, eerste lid, van de WRO aan het college ter goedkeuring is aangeboden in zoverre niet overeenstemt met het plan zoals dat door de raad is vastgesteld, zodat deze wettelijke bepaling is geschonden.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college door de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", dat ziet op het perceel gelegen tussen [locatie 1 en 2], heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel met de bestemming "Woondoeleinden".

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] komt op tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Kantoren" dat ziet op de gronden gelegen op de hoek van de Gestelsestraat en de Bayeuxlaan en voorziet in de bouw van een kantoorpand op die locatie.

Hij voert aan dat het college niet heeft mogen volstaan met een verwijzing naar de weerlegging van de bedenkingen van een andere omwonende. In dat kader betoogt hij dat het college zijn bezwaren niet goed heeft weergegeven en dat zijn bezwaren niet overeenkomen met de bezwaren van die andere omwonende, zodat het college zijn bezwaren op hun eigen merites had moeten beoordelen.

Volgens [appellant sub 2] is het vorige bestemmingsplan "Blaarthem 1995" met betrekking tot deze locatie uitsluitend aangepast om ter plaatse een bouwplan voor een kantoor te kunnen realiseren en kan het plan in zoverre als gelegenheidswetgeving worden aangemerkt. [appellant sub 2] heeft bezwaren tegen de bouwhoogte en het bouwvolume van dit kantoor. Hij wijst in dit verband op de gemeentelijke regelgeving, op basis waarvan de bebouwing op deze locatie niet hoger mag zijn dan tien meter en de voorgevelrooilijn niet mag worden doorbroken.

2.7.1. Het college heeft in de door [appellant sub 2] ingediende bedenkingen geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden voor zover het betreft de gronden gelegen op de hoek van de Gestelsestraat en de Bayeuxlaan. Ter zake van de bezwaren van [appellant sub 2] tegen het kantoorpand op deze locatie heeft het college verwezen naar de weerlegging van de bedenkingen van een reclamant die overeenkomende bezwaren in diens bedenkingen naar voren heeft gebracht. Die bedenkingen zijn ongegrond verklaard, omdat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de bouw van dit kantoor op deze locatie.

Voorts heeft het college overwogen dat de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO niet aan de orde is en de daartegen ingediende bedenkingen evenmin.

2.8. [appellant sub 2] en de andere omwonende hebben beiden bezwaren tegen het in het plan voorziene kantoorgebouw op de genoemde locatie in de nabijheid van hun woningen. Voor het oordeel dat het college ter weerlegging van de bedenkingen van [appellant sub 2] niet heeft mogen verwijzen naar de weerlegging van de bedenkingen van een andere omwonende bestaat geen aanleiding, aangezien de desbetreffende omwonende eveneens bezwaren heeft geuit tegen de hoogte en het volume van het kantoorpand en zijn bezwaren inhoudelijk niet afwijken van de door [appellant sub 2] geuite bezwaren tegen het kantoorpand, ook al heeft die andere omwonende andere bewoordingen gebruikt.

Het college heeft aan zijn goedkeuring van dit plandeel ten grondslag gelegd dat het kantoor is voorzien op een strook met diverse bebouwing en dat deze locatie los ligt van bestaande woonwijken. Verder heeft het college hierbij in aanmerking genomen dat de invulling van deze locatie bijdraagt aan een intensivering van het ruimtegebruik. Deze aan de goedkeuring ten grondslag gelegde onderbouwing heeft [appellant sub 2] niet bestreden.

De Afdeling ziet in de door [appellant sub 2] aangevoerde bezwaren geen aanleiding deze motivering onvoldoende te achten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat voor het kantoorpand waarin het plan voorziet een bouwvergunning is verleend, die onherroepelijk is.

Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bezwaren tegen de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 WRO niet aan de orde zijn in de bestemmingsplanprocedure.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover dat voorziet in een kantoorgebouw op de hoek Bayeuxlaan/Gestelsestraat, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.10. Het college heeft goedkeuring onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met betrekking tot het perceel gelegen aan de [locatie 3], omdat dat - anders dan [appellante sub 3] naar aanleiding van haar zienswijze door de raad is toegezegd - niet voorziet in een verruiming van de "te-bebouwen-erven-grens" tot aan de erfgrens aan de zij- en achterkant van de woning aan de [locatie 3].

2.10.1. [appellante sub 3] voert aan dat het college heeft miskend dat zij ook bedenkingen heeft ingediend tegen de door de raad aan de gegrondverklaring van haar zienswijze verbonden restrictie, dat een toekomstige aanbouw alleen gerealiseerd kan worden vanaf de hoofdmassa van de woning en niet vanuit de vooraanbouw. Uit de weergave op de plankaart van het gedeelte waaraan goedkeuring is onthouden, leidt [appellante sub 3] af dat niet aan haar bezwaren met betrekking tot de restrictie is tegemoet gekomen. Ter onderbouwing van haar bezwaren tegen de restrictie wijst zij op de specifieke situering van haar woning en de daarbij behorende zijtuin over de gehele lengte van de perceelsgrens. Hieruit volgt volgens haar dat de woning niet bepalend is voor de esthetische uitstraling van het gehele bouwblok.

Het college heeft door in het bestreden besluit niet in te gaan op de desbetreffende bezwaren gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Daarnaast is volgens haar het vertrouwensbeginsel geschonden, omdat het college de bedenkingen gegrond heeft verklaard.

2.10.2. Het college heeft mede naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de raad goedkeuring onthouden aan het genoemde plandeel voor zover dat abusievelijk niet voorziet in een verruiming van de "te-bebouwen-erven-grens" tot aan de zijdelingse erfgrens gerekend vanaf de hoofdmassa van de woning.

Naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 3] heeft het college in zijn verweerschrift erkend dat het voorbij is gegaan aan de bezwaren tegen de aan de gegrondverklaring van de zienswijze verbonden restrictie.

2.10.3. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is gegrond.

Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met betrekking tot het perceel gelegen aan de [locatie 3] dat ziet op het gedeelte van het perceel tussen de vooraanbouw en de zijdelingse erfgrens.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellanten sub 1] te worden veroordeeld. Van proceskosten van [appellante sub 3] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] alsmede van [appellante sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 november 2007, nr. 1291899,

a. voor zover dit betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat ziet op het perceel gelegen tussen [locatie 1 en 2],

b. voor zover het betreft de goedkeuring van het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met betrekking tot het perceel gelegen aan de [locatie 3] dat ziet op het gedeelte van het perceel tussen de vooraanbouw en de zijdelingse erfgrens;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II, sub a, genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat hetgeen onder III is besloten in de plaats treedt van het besluit voor zover het op dit onderdeel is vernietigd;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 103,74 (zegge: honderddrie euro en vierenzeventig eurocent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan hen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 1] alsmede aan [appellante sub 3] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer Ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008

234-319.