Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9406

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
200800489/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2006 (hierna: het primaire besluit) heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) gegevens verstrekt naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om inzage in de documenten die ten grondslag liggen aan de in het kader van zijn asielprocedure opgemaakte individuele ambtsberichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800489/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5940 van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2006 (hierna: het primaire besluit) heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) gegevens verstrekt naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om inzage in de documenten die ten grondslag liggen aan de in het kader van zijn asielprocedure opgemaakte individuele ambtsberichten.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2007, verzonden op 7 december 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C.T.M. van Eeuwijk en mr. P.A. van Rhijn, ambtenaren in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) was de rechtbank Groningen bevoegd om van het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar kennis te nemen. De aangevallen uitspraak is gedaan door de rechtbank Amsterdam, die daartoe niet bevoegd was.

Ingevolge artikel 46 van de Wet op de Raad van State kan de Afdeling, indien zij van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om aan dit artikel toepassing te geven.

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge dit artikel, tweede lid, is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

Ingevolge dit artikel, tweede lid, stelt de wet regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.

Ingevolge dit artikel, derde lid, stelt de wet regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), voor zover thans van belang, wordt in deze wet onder verantwoordelijke verstaan het bestuursorgaan dat het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge dit artikel, aanhef en onder f, wordt in deze wet onder betrokkene verstaan degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge dit artikel, tweede lid, bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte een beoordeling van de door hem bij brief van 1 mei 2007 aangevoerde aanvullende beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde achterwege heeft gelaten.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Nu [appellant] zijn aanvullende beroepsgrond, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet eerst ter zitting heeft aangevoerd, maar zes maanden daarvoor, is er in beginsel geen reden waarom de rechtbank niet mede op grondslag van deze beroepsgrond uitspraak had kunnen doen.

2.3.2. Een en ander kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De aanvullende beroepsgrond strekte ertoe dat de rechtbank de Wbp bij haar beoordeling zou betrekken, aangezien de minister aan de verstrekking van de gevraagde gegevens volgens [appellant] enkel de Wob ten grondslag zou hebben gelegd, terwijl zijn aanvraag op zowel de Wob als de Wbp was gebaseerd. Uit de voorlaatste alinea van het primaire besluit volgt evenwel dat de minister niet alleen op grond van de Wob bepaalde gegevens openbaar heeft gemaakt, maar ook, onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 8 van het EVRM, artikel 10 van de Grondwet en artikel 35 van de Wbp, aan [appellant] hem betreffende persoonsgegevens heeft verstrekt. Overigens is ter zitting namens de minister uitdrukkelijk bevestigd dat in de openbare versie van dat besluit de persoonsgegevens van [appellant] niet worden genoemd. Derhalve mist de aanvullende beroepsgrond feitelijke grondslag.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de minister in strijd met artikel 8 van het EVRM, artikel 10 van de Grondwet en artikel 35 van de Wbp heeft gehandeld door hem betreffende persoonsgegevens op grond van de Wob openbaar te maken. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten ambtshalve de verstrekking van gegevens door de minister aan deze bepalingen te toetsen, dan wel ter zake de rechtsgronden aan te vullen op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb.

2.4.1. Deze hoger beroepsgrond mist eveneens feitelijke grondslag. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister de [appellant] betreffende persoonsgegevens niet op grond van de Wob openbaar gemaakt, maar op grond van artikel 8 van het EVRM, artikel 10 van de Grondwet en artikel 35 van de Wbp uitsluitend aan [appellant] verstrekt. De aanvraag van [appellant] was immers op zowel de Wob als de Wbp gebaseerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008

280-582.