Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD9400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
200707637/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap) vergunning verleend voor het aanbrengen van wijzigingen aan het landgoed Bouvigne te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707637/1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de vereniging Vereniging Vrienden van het Markdal en buitenplaats Bouvigne, gevestigd te Breda,

2. de stichting Nederlandse Kastelenstichting, gevestigd te

Wijk bij Duurstede,

3. de vereniging Milieuvereniging De Groene Koepel, gevestigd te Breda,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/3408, 07/3424 en 07/3425 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 25 september 2007 in het geding tussen de hiervoor onder 1, 2 en 3 genoemde rechtspersonen

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap) vergunning verleend voor het aanbrengen van wijzigingen aan het landgoed Bouvigne te Breda.

Bij uitspraak van 25 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) de door de vereniging Vereniging Vrienden van het Markdal en buitenplaats Bouvigne (hierna: VMB), de stichting Nederlandse Kastelenstichting (hierna: NKS) en de vereniging Milieuvereniging De Groene Koepel (hierna: MGK) daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben VMB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2007, NKS bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2007, en MGK bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. VMB heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007. De NKS heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2007.

VMB heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2008, waar VMB, vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, de NKS, vertegenwoordigd door mr. W.J.B. Claeasen-Dales, MGK, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts is daar het waterschap, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 14 beslist het college omtrent de aanvraag.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, zendt het college, in de gevallen dat het over de aanvraag om vergunning beslist, onmiddellijk afschrift van de aanvraag aan de directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en, indien het beschermde monument ligt buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, aan gedeputeerde staten.

Ingevolge het tweede lid adviseren de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en gedeputeerde staten schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift.

2.2. Bij het besluit van 26 juni 2007 heeft het college aan het waterschap vergunning verleend voor het aanbrengen van wijzigingen aan het landgoed Bouvigne te Breda. Deze wijzigingen betreffen aanpassing van het interieur van de kapel in de tuin, de sloop van de Cleinhoeve, de Groothoeve, de Marckhoeve, een magazijn, een transformatorgebouw en fietsenstalling, het realiseren van een langgerekt nieuwbouwkantoor en fietsenstalling ter plaatse van de te slopen bebouwing, alsmede een wijziging van de tuin- en parkaanleg en boomgaard.

Aan dit besluit heeft het college adviezen van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris), het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en de commissie Welstand en Monumenten van de gemeente Breda (hierna: de commissie) ten grondslag gelegd.

2.3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college deze adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen en de vergunning derhalve heeft kunnen verlenen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de omstandigheid dat de staatssecretaris met betrekking tot een eerder bouwplan voor de wijziging van het monument negatief heeft geadviseerd, niet kan leiden tot het oordeel dat zijn ten aanzien van dit bouwplan uitgebrachte advies onbegrijpelijk of onjuist is, nu het eerdere bouwplan en het thans voorliggende bouwplan wezenlijk verschillen. Voorts heeft de voorzieningenrechter daartoe overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling van VMB, NKS en MGK dat het positieve advies tot stand is gekomen onder druk van de voormalige staatssecretaris. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de door VMB, NKS en MGK overgelegde adviezen niet leiden tot het oordeel dat aan de wettelijke adviezen, naar inhoud en wijze van totstandkoming, zodanige gebreken kleven dat het college het bestreden besluit daar niet op heeft kunnen baseren.

2.4. VMB, NKS en MGK betogen, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de staatssecretaris, bezien het eerdere advies, niet onbegrijpelijk of onjuist is. Daartoe betogen zij dat uit het door hen overgelegde advies blijkt dat het nieuwe bouwplan niet wezenlijk van het eerdere verschilt en slechts op één punt tegemoet komt aan de eerdere kritiekpunten van de staatssecretaris. Het is dan ook onvoldoende inzichtelijk waarop het positieve advies van de staatssecretaris is gebaseerd. Het college mocht dan ook niet uitgaan van dat laatste advies en heeft, door dit advies aan het besluit van 26 juni 2007 ten grondslag te leggen, dat besluit niet zorgvuldig voorbereid. De voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan hier aan de orde voor wat betreft schaal en situering een zodanige verslechtering is ten opzichte van de bestaande situatie dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van monumentale waarden. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college de aanvraag heeft kunnen inwilligen, aldus VMB, NKS en MGK.

2.4.1. De staatssecretaris heeft in het negatieve advies van maart 2006 met kenmerk RZ/2006/14, dat ziet op het oorspronkelijke bouwplan van het waterschap, geconcludeerd dat er vanuit oogpunt van monumentenzorg bezwaren bestaan tegen de uitvoering van de nieuwbouw van het langgerekt kantoorpand op de bestaande parkeerzone. Hij heeft daarbij evenwel opgemerkt dat nieuwbouw op de parkeerzone alleszins mogelijk lijkt, maar dat de situering en omvang aanpassing behoeven.

In het advies van de staatssecretaris van 10 januari 2007 met kenmerk RZ-2006-1583 over het in deze procedure voorliggende bouwplan van het waterschap, stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat het plan ten opzichte van het eerdere plan sterk is verbeterd ten gunste van de in het geding zijnde cultuurhistorische waarden en de mate waarin deze richting hebben gegeven aan de nieuwe ontwikkelingen. Weliswaar is de voorgestelde nieuwbouw nog steeds fors van volume, maar door de gewijzigde situering - meer terugliggend ten opzichte van de Bouvignelaan - en de sterk verbeterde landschappelijke inpassing, is het volume van de nieuwbouw acceptabel in de historische buitenplaats als geheel. Ook zal de buitenplaats zich goed herkenbaar en als een logisch geheel in het landschap van Markdal manifesteren, aldus de staatssecretaris.

2.4.2. VMB, NKS en MGK worden niet gevolgd in hun betoog dat onvoldoende inzichtelijk is waarop het positieve advies van de staatssecretaris met betrekking tot het voorliggende plan is gebaseerd. In het voorliggende plan is voorzien in de sloop van de Marckhoeve, waardoor het totale bebouwde volume afneemt ten opzichte van het eerdere plan, is de nieuwbouw een achttiental meters oostwaarts verplaatst waardoor de zichtbaarheid van het kasteel vanaf de Bouvignelaan is verbeterd en is voorzien in herinrichting van een boomgaard aan de zuidkant van de geplande nieuwbouw, waardoor de zichtbaarheid van die nieuwbouw fors wordt verminderd. Aldus is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een wezenlijke wijziging ten opzichte van het eerdere bouwplan. Dat betekent dat het eerste advies van de staatssecretaris niet een maatstaf is voor de beoordeling van het voorliggende plan. Het advies van 10 januari 2007 is in dit licht en in het licht van het advies van maart 2006, waarbij de staatssecretaris ruimte zag voor nieuwbouw op de parkeerzone, niet inconsistent of onbegrijpelijk.

2.4.3. Het college heeft de door ir. H.C. Tideman en prof. dr. J.C. Bierens de Haan opgestelde deskundigenrapporten, beide gedateerd 12 april 2007, voorgelegd aan de staatssecretaris. Deze heeft bij brief van 7 juni 2007 hierop gereageerd en heeft daarbij zijn standpunt gehandhaafd. Dat het bouwplan hier aan de orde wat schaal en situering betreft een verslechtering is ten opzichte van de bestaande situatie en dat sprake is van aantasting van monumentale waarden, zoals gesteld door Tideman en Bierens de Haan, wordt door de staatssecretaris in zijn brief van 7 juni 2007 onderkend. Anders dan Tideman en Bierens de Haan stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat niet sprake is van een zodanige aantasting dat het college niet bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. In de adviezen van Tideman en Bierens de Haan is geen grond te vinden voor het oordeel dat het advies van de staatssecretaris in zoverre onjuist is. Het door de VMB ingewonnen advies van de Stichting Dorp, Stad en Land van 8 mei 2008 heeft geen andere strekking dan de deskundigenrapporten van Tideman en Bierens de Haan. In het aangevoerde is geen grond te vinden grond voor het oordeel dat het advies van de staatssecretaris en de adviezen van het college van gedeputeerde staten of de commissie onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of anderszins ondeugdelijk zijn. Het betoog slaagt niet.

2.5. De NKS betoogt dat in het besluit, noch in de adviezen van de staatssecretaris, gedeputeerde staten en de monumentencommissie een overweging is gewijd aan de afbraak en aantasting van de historische tuin- en parkaanleg, de collectie tuinsieraden en de pergola, zodat het besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De voorzieningenrechter is hier ten onrechte aan voorbijgegaan, aldus de NKS.

2.5.1. De staatssecretaris heeft positief geadviseerd over de tuinaanleg van het park en de herinrichting van de voormalige moestuin/boomgaard, omdat het ontwerp is geïnspireerd op historisch kaartmateriaal van de buitenplaats. Voorts heeft de staatssecretaris uitdrukkelijk verwezen naar de redengevende omschrijving over de historische tuin- en parkaanleg, en deze betrokken in zijn advies. Het college heeft in zijn besluit dat advies opgenomen en de tuin- en parkaanleg, waaronder begrepen de tuinsieraden en pergola, in de afweging van belangen betrokken, zodat dit betoog in zoverre feitelijke grondslag mist.

Dat de voorzieningenrechter niet is ingegaan op het betoog van de NKS ter zake, leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Nu het waterschap en het college onweersproken hebben gesteld dat de collectie tuinsieraden en de pergola na de tuinaanleg worden teruggeplaatst en, gelet op het advies van de staatssecretaris, van aantasting van de historische tuin- en parkaanleg geen sprake is, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, dan wel onvoldoende gemotiveerd.

2.6. VMB en NKS betogen tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte in haar uitspraak niet is ingegaan op de stelling dat het college niet op juiste wijze de belangen van de aanvrager heeft afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, door geen onderzoek te doen naar, onder meer, de economische noodzaak en alternatieve locaties voor het bouwplan.

Zoals het college terecht heeft opgemerkt dient het de voorliggende aanvraag te beoordelen en de daarbij betrokken belangen af te wegen. Het staat het college daarbij niet vrij mogelijke alternatieven mee te wegen die niet door de aanvrager zijn aangedragen. Het belang van het waterschap bij een goed geoutilleerd kantoorpand op zijn eigen grond is niet bestreden. Gelet op de adviezen van de staatssecretaris, gedeputeerde staten en de monumentencommissie, waarin positief wordt geadviseerd over het voorliggende bouwplan heeft het college het belang van het waterschap in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van een verdergaande bescherming van het monument.

2.7. MGK betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling met betrekking tot het ontbreken van een waarborg voor het realiseren van een boomgaard en de stelling dat de aanvraag niet overeenstemt met de vergunning, omdat de aanvraag deels ziet op andere perceelsnummers dan het besluit.

2.7.1. Het betoog slaagt evenmin. Dat in de aanvraag niet alle perceelnummers zijn vermeld waarop de aanvraag betrekking heeft, te weten de perceelnummers waarop de moestuin/boomgaard is gelegen, is niet doorslaggevend voor de vraag of de aanvraag daar al dan niet betrekking op heeft. Uit de aanvraag en de daarbij gevoegde tekeningen blijkt duidelijk dat deze ook de aanleg van de boomgaard omvat. De aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot de boomgaard kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat deze de verplichting voor het waterschap bevatten de boomgaard te realiseren. Het is aan het college er op toe te zien dat deze aan de vergunning verbonden voorwaarde door het waterschap wordt nagekomen.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008

362.