Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD8920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
200709072/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) een verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 13 mei 2005, waarbij aan hem een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) is opgelegd, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709072/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1426 van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) een verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 13 mei 2005, waarbij aan hem een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) is opgelegd, afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2007, verzonden op 17 december 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2008.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Het CBR heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2008 waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. van der Ark, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Buiten bezwaar van het CBR zijn ter zitting nog stukken van [appellant] in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan de maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, vierde lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, besluit het CBR, bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking, onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot oplegging van een EMA, indien betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet.

2.2. De korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond heeft het CBR op 25 maart 2005 schriftelijk mededeling gedaan van het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorieën ABCDE van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven.

Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het CBR aan [appellant] een EMA opgelegd. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat hij niet op de geplande cursusdata is verschenen en hij derhalve niet de vereiste medewerking aan de EMA heeft verleend.

De besluiten van 13 mei 2005 en 30 juni 2006 zijn in rechte onaantastbaar geworden.

2.3. Bij arrest van 21 december 2005 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het gerechtshof) niet bewezen verklaard dat [appellant] het tenlastegelegde, zijnde het op 25 maart 2005 besturen van een personenauto onder invloed van alcohol, heeft begaan en heeft het [appellant] daarvan vrijgesproken.

[appellant] heeft het CBR verzocht om terug te komen op het besluit van 13 mei 2005, nu met het oog op deze vrijspraak is komen vast te staan dat er ten onrechte sprake was van een vermoeden dat [appellant] niet langer voldeed aan de eisen van geschiktheid.

2.4. Aan het thans in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd dat [appellant] in bezwaar had kunnen aanvoeren dat hij geen voertuig heeft bestuurd op 25 maart 2005. [appellant] was hiervoor niet afhankelijk van de uitspraak in de strafrechtelijke procedure. Gelet hierop is geen sprake van een nieuw feit, aldus het CBR.

2.5. [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het arrest van het gerechtshof niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid die het CBR aanleiding had behoren te geven op het besluit van 13 mei 2005 terug te komen.

[appellant] betoogt hiertoe allereerst dat met de vrijspraak is komen vast te staan dat het hem gemaakte verwijt dat hij onder invloed van alcohol een motorvoertuig had bestuurd, rechtens niet te handhaven bleek. Niet de vrijspraak is het nieuwe feit, maar de "impliciete" vaststelling dat er geen vermoeden had mogen bestaan dat [appellant] er blijk van zou hebben gegeven niet meer rijvaardig of rijgeschikt te zijn. [appellant] voert voorts aan dat sprake is van een gewijzigde feitelijke situatie dan wel een gewijzigde (rechts)verhouding ten opzichte van [appellant], omdat de vervolgende overheid heeft vastgesteld dat er voor het vermoeden dat het feitencomplex zich heeft voorgedaan geen plaats meer is en er geen reden kan zijn tot oplegging van een straf. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij niet eerder dan na de uitspraak van het gerechtshof aan de orde heeft kunnen stellen dat hij geen bestuurder was toen hij werd aangehouden. Naar de mening van [appellant] is voorts van belang dat, indien de uitspraak van het gerechtshof bij het nemen van het besluit van 13 mei 2005 bekend zou zijn geweest, dit zonder enige twijfel tot een ander besluit zou hebben geleid.

2.6. De stelling van [appellant] dat hij het voertuig op 25 maart 2005 niet heeft bestuurd had [appellant] reeds, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, tegen het besluit van 13 mei 2005 kunnen aanvoeren. Het arrest van het gerechtshof, waarbij [appellant] is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die tot heroverweging dient te leiden, omdat de feiten die aan deze vrijspraak ten grondslag liggen reeds in het kader van de besluitvorming die heeft geleid tot het besluit van 13 mei 2005 naar voren hadden kunnen worden gebracht.

De conclusie van het gerechtshof dat niet bewezen is dat [appellant] op 25 maart 2005 de bestuurder was van een voertuig, houdt niet tevens de vaststelling in dat het vermoeden in het kader van artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 niet heeft kunnen bestaan. [appellant] had ook in een bezwaarprocedure gemotiveerd kunnen aanvoeren dat hij op 25 maart 2005 niet de bestuurder was van het voertuig.

Dat het CBR in de bestuursrechtelijke procedure zonder enige twijfel een ander besluit zou hebben genomen, indien het arrest van het gerechtshof toen bekend zou zijn geweest, staat dan ook niet vast.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2008

97-581.