Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD8883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
200707115/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gevelco Distriport B.V. (hierna: Gevelco Distriport) een bestuurlijke boete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 158 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707115/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gevelco Distriport B.V., gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/379 van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gevelco Distriport B.V.

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gevelco Distriport B.V. (hierna: Gevelco Distriport) een bestuurlijke boete opgelegd.

Bij besluit van 18 december 2006 heeft de staatssecretaris het door Gevelco Distriport daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2007, verzonden op 24 augustus 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door Gevelco Distriport daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Gevelco Distriport bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2008, waar Gevelco Distriport, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Jansen, ambtenaar in dienst bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet 1998) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid van dit artikel, voor zover thans van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet 1998 wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met

artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Arbowet 1998 legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid wordt de hoogte van de bestuurlijke boete bepaald op de wijze als voorzien in de in artikel 33, tweede lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge het derde lid is de hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd gelijk aan de geldsom van de categorie die voor het beboetbaar feit is bepaald.

Ingevolge het vierde lid zijn er 2 categorieën:

1°. de eerste categorie: € 4 538;

2°. de tweede categorie: € 11 345.

Ingevolge artikel 9.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, van het Arbobesluit, voor zover thans van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.26 van het Arbobesluit.

Ingevolge artikel 7.26, eerste lid, van het Arbobesluit geschiedt het opslaan of overslaan, laden of lossen, stuwen of anderszins verwerken van goederen of materialen op de kade, in loodsen of in het schip, op veilige en ordelijke wijze, rekening houdend met de aard van die goederen of materialen en de verpakking daarvan.

Ingevolge het tweede lid worden lasten niet opgelicht of neergelaten, tenzij zij op veilige wijze aan het hijs- of hefwerktuig zijn aangeslagen of anderszins bevestigd.

2.2. Op 19 oktober 2005 heeft in het ruim van het zeeschip "[naam]", dat aan een terminal van Gevelco Distriport lag aangemeerd een arbeidsongeval plaatsgevonden. Tijdens het lossen van gietblokken aluminium is een van de stuwadoors, door Gevelco Distriport ingeleend via een uitzendbureau, ernstig gewond geraakt door een omvallende hijs. De hijs bestond uit vier gietblokken met elk een gewicht van tussen 735 tot 763 kilogram. Als hijswerktuig is gebruik gemaakt van een bovenloopkraan, die vanaf de kade is bediend door middel van een afstandsbediening. Het hijsgereedschap bestond uit twee stalen stroppen, beide met een veilige werkbelasting van 3000 kilogram. De betrokken last is uiteen gevallen op het moment waarop de stalen stroppen door de kraan strak werden getrokken, het zogeheten stijf- of strak zetten.

De minister heeft wegens overtreding van artikel 7:26, tweede lid, van het Arbobesluit aan Gevelco Distriport een boete opgelegd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het stijf- of strak zetten van de last naar haar oordeel niet anders kan worden beschouwd dan als een fase in het proces van het oplichten van die last. Tijdens het oplichten van een last met behulp van stroppen zal steeds een fase optreden waarin de stroppen, bij het in werking stellen van het hefwerktuig, worden strak getrokken. Hoewel de last zelf dan nog niet geheel wordt opgeheven, is er wel sprake van een verticale beweging en derhalve van oplichten in de zin van artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit. De stelling van Gevelco Distriport dat het ongeluk niet heeft plaatsgevonden tijdens het oplichten van de last, heeft de rechtbank daarom niet gevolgd. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de oorzaak van het ongeluk is gelegen in de omstandigheid dat de last niet op veilige wijze aan het hefwerktuig was aangeslagen, temeer nu niet is gebleken dat de gietblokken zijn omgevallen door een andere oorzaak. De rechtbank heeft overwogen dat Gevelco Distriport aldus gehandeld heeft in strijd met artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit.

2.4. Gevelco Distriport betoogt onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit is overtreden. Zij voert aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan deze bepaling en dat zij heeft miskend dat bij het hijsen van een last twee fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase bestaat uit het strak zetten van de stalen stroppen, het zogenoemde 'stijfzetten' en de tweede fase treedt in wanneer de hijsbeweging wordt doorgezet, het 'oplichten', aldus Gevelco Distriport. Zij betoogt dat artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit ziet op het oplichten, terwijl uit alle beschikbare getuigenverklaringen blijkt dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het stijfzetten, zodat de rechtbank ten onrechte aangenomen heeft dat het ongeval is geschied tijdens het oplichten van de hijs.

2.5. Op grond van het Ongevallen-boeterapport en de daarin opgenomen getuigenverklaringen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat ten tijde van het ongeval de last niet was opgelicht. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat het stijf- of strak zetten van de last moet worden beschouwd als een fase in het proces van het oplichten van die last. Het stijf- of strak zetten van de last is naar het oordeel van de Afdeling een zelfstandige handeling die aan het oplichten vooraf gaat. Een last is eerst opgelicht indien deze los is van de bodem. Niet in geding is dat de last in dit geval niet geheel los is gekomen van de bodem van het vrachtruim zodat het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens het oplichten van de last. Het betoog van de minister dat de last al wel aan één zijde los was van de bodem van het vrachtruim, kan, al aangenomen dat deze lezing van het gebeurde steun vindt in de getuigenverklaringen, niet leiden tot het oordeel dat artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit wel is overtreden, aangezien ook in die lezing de last niet is losgekomen van de bodem van het ruim en derhalve niet is opgelicht. De Afdeling tekent hierbij aan dat de val van een eenmaal opgelichte last in het algemeen een grotere gevaarzetting met zich brengt dan het omvallen van een last die nog steun vindt op de grond of de bodem.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat Gevelco Distriport in strijd heeft gehandeld met artikel 7.26, tweede lid, van het Arbobesluit.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 december 2006 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 2 maart 2006 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2007 in zaak nr. 07/379;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van 18 december 2006, kenmerk AI/JZ/2006/32941/BOB;

V. herroept het besluit van 2 maart 2006, kenmerk 070504460/03;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 december 2006;

VII. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij Gevelco Distriport in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan Gevelco Distriport onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij Gevelco Distriport in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan Gevelco Distriport onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan Gevelco Distriport het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 762,00 (zegge: zevenhonderdtweeënzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2008

312-440.