Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD8315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
200707204/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente (hierna: de gemeenteraad) [appellant] € 7.500 ter vergoeding van geleden planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707204/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/90 van de rechtbank Almelo van 3 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Hof van Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente (hierna: de gemeenteraad) [appellant] € 7.500 ter vergoeding van geleden planschade toegekend.

Bij besluit van 19 december 2006 heeft gemeenteraad het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2007.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. P. Braamhaar, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van het op 11 november 2004 in werking getreden bestemmingsplan "Omgeving Centrum, herziening 2001-1, de Wheeme" (hierna: de herziening) op grond waarvan zuidoostelijk van zijn perceel met woning [locatie] te [plaats] (hierna: het woonperceel), nieuwe woningbouw kan worden gerealiseerd.

2.3. De gemeenteraad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud). Deze heeft in een advies van 7 oktober 2005, op grond van een vergelijking van de herziening met het bestemmingsplan "Omgeving Centrum" (hierna: het bestemmingsplan) vermeld, samengevat weergegeven en voor zover van belang, dat [appellant] ten gevolge van de herziening in een planologisch nadeliger positie is geraakt, omdat die herziening leidt tot aantasting van het open, groene karakter van de omgeving en de vrije ligging aan de zuidoostzijde van het woonperceel, beperking van het uitzicht in die windrichting, inbreuk op de privacy en te verwachten geluid-, licht- en geurhinder. Oranjewoud heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de gronden ten oosten van het woonperceel ingevolge het bestemmingsplan waren bestemd voor "Woningbouw LE", op grond waarvan op die gronden geschakelde eengezinswoningen waren toegestaan, zodat voorheen vanaf de achterzijde van het woonperceel geen vrij uitzicht in oostelijke richting bestond, het woonperceel aan die zijde niet vrij lag en al sprake was van enige verstening van de woonomgeving van [appellant]. Oranjewoud heeft vervolgens de waarde van het woonperceel onder het planologische regime van het bestemmingplan op € 250.000,00 en onder het planologische regime van de herziening op € 242.500,00 getaxeerd. Zij heeft geadviseerd [appellant] het verschil ten bedrage van € 7.500,00 zijnde de waardevermindering, als vergoeding voor geleden planschade toe te kennen. De gemeenteraad heeft dit advies aan het besluit van 30 mei 2006, dat bij het besluit van 19 december 2006 is gehandhaafd, ten grondslag gelegd.

[appellant] heeft bij zijn reactie op het advies van Oranjewoud een taxatierapport, opgesteld door H.N.D. Beld, makelaar en taxateur (hierna: Beld), overgelegd. Beld heeft daarin de waarde van het woonperceel onder het planologische regime van het bestemmingsplan op € 275.000,00 en onder het planologische regime van de herziening op € 245.000,00 getaxeerd en het planologisch nadeel aldus begroot op € 30.000,00.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat Oranjewoud de planschade ten gevolge van de herziening te laag heeft getaxeerd. Hij betwist in dit verband de overweging van de rechtbank, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat Beld in het taxatierapport niet is uitgegaan van een juiste planvergelijking, onder meer omdat Beld in het taxatierapport niet heeft vermeld dat ingevolge het bestemmingsplan de gronden oostelijk van het woonperceel zijn bestemd als "Woningbouw LE", op grond waarvan ter plaatse geschakelde eengezinswoningen met een diepte van 10 meter mogen worden gebouwd. Hij stelt dat op die gronden op de peildatum al eengezinswoningen met een diepte van 7 meter stonden en dat daarom uitbouw van die woningen tot de maximaal toegestane diepte van 10 meter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Volgens hem zou een dergelijke vergroting bovendien niet leiden tot extra aantasting van het uitzicht vanaf het woonperceel. Beld heeft deze bestemming daarom terecht niet bij de planvergelijking betrokken, aldus [appellant].

2.5. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat Beld zijn taxaties op een onvolledige en daarom onjuiste planvergelijking heeft gebaseerd door in het taxatierapport geen rekening te houden met de maximale mogelijkheden van de ingevolge het bestemmingsplan geldende bestemming "Woningbouw LE" voor gronden oostelijk van het woonperceel. Daarbij is van belang dat volgens het advies van Oranjewoud deze bestemming betekent dat op de peildatum al sprake was van enige beperking van het uitzicht vanaf het woonperceel en dat aan de achterzijde daarvan al enige verstening had plaatsgevonden zodat geen sprake meer was van een geheel vrije ligging van de woning van [appellant] aan de achterzijde, alsook dat [appellant] van de woningen op die oostelijke gronden enige schaduwwerking op het woonperceel kon ondervinden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. In hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd zijn voorts geen redenen te vinden voor het oordeel dat vergroting van de bestaande woningen op die oostelijke gronden zoals het bestemmingsplan toestaat, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. Reeds hierom hoefde de gemeenteraad geen betekenis toe te kennen aan de taxaties in het taxatierapport. De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat de gemeenteraad het advies van Oranjewoud in zoverre aan zijn besluit van 30 mei 2006, dat bij besluit van 19 december 2006 is gehandhaafd, ten grondslag mocht leggen en heeft de rechtsgevolgen van laatstvermeld besluit terecht gehandhaafd. De overige gronden van [appellant] behoeven geen bespreking meer.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2008

47-507.